|
Ik begin met een anekdote. Toen
vorig jaar aan het station van Schaarbeek een man werd vermoord door een
jonge migrant hoorde ik een VRT-journalist daarover zeggen: "een moord
is geen nieuws, maar een man die door een jonge migrant zomaar wordt gedood
als een daad van vandalisme, sorry, maar dat is nieuws". In deze uitspraak
worden drie thema's met elkaar verweven: migranten, criminaliteit en stedelijke
problematiek. Over dit soort vermengingen en verpakkingen van een thema
in andere wil ik het hebben. Veiligheid is immers deel van een familie,
en het thema heeft broertjes. En in mijn bijdrage tot dit debat wil ik
het accent leggen op de familie eerder dan op het individuele lid. Veiligheid
zit verpakt in een ruimere reeks thema's en moet er regelmatig aan teruggekoppeld
worden om een juist perpectief erop te handhaven.
1. Het conjuncturele
Vooreerst dit. Bij het behandelen
van hedendaagse politieke thema's moet men regelmatig eens achterom kijken
en de vragen stellen: vanwaar komt dit thema? En waarom duikt het nu op?
Waarom staan bepaalde fenomenen nu plots als 'probleem' geboekstaafd, waarom
duiken vroeger marginale thema's plots op in het centrum van de politieke
belangstelling? Wat verklaart de verschuiving van een thema vanuit de marge
naar het centrum?
Om enkele voorbeelden te geven die
de relevantie van die vragen moeten duidelijk maken: hedendaagse 'key words'
zijn onder andere globalisatie, multiculturaliteit, veiligheid, integratie,
racisme. En in elk van die gevallen zien we dat die hedendaagse relevantie
die we eraan toeschrijven nogal merkwaardig is. Om met globalisatie te
beginnen: men kan met recht en reden zeggen dat globalisatie nooit zo intens
en diepgaand was als tijdens de koloniale periode. Toen werden immers een
bepaald bestuurssysteem, een bepaald economisch systeem en een bepaald
sociaal systeem geëxporteerd naar de uiteinden van de wereld. Het
Europees kapitalisme en de Europese natiestaat werden in de letterlijke
zin van het woord 'geglobaliseerd'. En dit bleef geen oppervlakkig gebeuren:
de invloed ervan was diep en bepaalde de geschiedenis van die gebieden
tot vandaag de dag. De samenlevingen uit de voormalige kolonies zien er
vandaag zo uit omdat die globaliserende ingreep er geweest is. En hoe men
het ook bekijkt, dat soort globalisering lijkt me veel diepgaander en fundamenteler
dan de hedendaagse, nogal oppervlakkige fenomenen die men onder de noemer
'globalisatie' laat schuilgaan.
Vergelijkbare observaties kunnen
geformuleerd worden met betrekking tot de andere thema's. Multiculturaliteit?
Van alle tijden; veiligheid? idem; integratie? Idem; racisme? Idem, denk
ook maar aan de koloniale periode. Feit is echter dat ze nu als debatstof
opduiken en voor onontwarbare conceptuele en politiek-ideologische kopbrekens
lijken te zorgen. De beweging waarmee ze vanuit de onzichtbaarheid naar
de kern van de politieke strijd worden overgebracht heet conjunctuur. Al
deze thema's zijn conjuncturele thema's.
Hierbij zijn twee opmerkingen aan
de orde. Een, in de mate dat conjunctureel staat voor zaken die eigen zijn
aan bepaalde momenten of fasen in de evolutie van samenlevingen betekent
dit dat we oog moeten hebben voor de condities waarin bepaalde thema's
opduiken als probleem. We moeten met andere woorden hun oorsprongsgeschiedenis
voor ogen houden, de 'productievoorwaarden' om een materiële metafoor
te gebruiken. Dit moet verhinderen dat we thema's volkomen gaan abstraheren,
en dat we de hele gebruiksgeschiedenis van begrippen gaan vergeten, daarbij
suggererend dat de fenomenen die we nu aanduiden met dat begrip volkomen
nieuw zijn en dat we derhalve geen lessen hoeven te trekken uit het verleden.
Marx en volgelingen hebben ons herhaaldelijk op de gevaren van dergelijke
onthistoriserende abstraheringen gewezen, en terecht. Deze boodschap lijkt
echter vergeten van zodra het over veel hedendaagse thema's gaat, migratie
en integratie op kop.
Twee: conjunctureel betekent ook,
in de praktijk, dat thema's samen hangen met andere, dat dingen en bloc
evolueren en grote paketten vormen. De samenhang van die paketten is van
zeer groot belang als we ervan uitgaan dat ze niet toevallig in dezelfde
evolutie aan de oppervlakte komen. En zo zien we, getuige Etienne Balibar,
Immanuel Wallerstein, Eric Hobsbawm en anderen, dat nationalisme zeer nauw
samenhangt met het hedendaagse homogeneïsme inzake vreemdelingen, en dat
dit alles samenhangt met evoluties binnen het marktkapitalistische systeem
waarin we leven en waarin vreemdelingen een rol vervullen als (steeds flexibeler)
contingent van arbeidskrachten voor onze economieën.1
De marginalisering van vreemdelingen in onze samenlevingen gaat dan ook
hand in hand met de aangroei van een autochtone 'vierde wereld', die op
haar beurt een neerwaartse druk uitoefent op de welvaartstaat en op globale
patronen van welvaartsverdeling. Ik kom daar later nog op terug. Het is
mijn punt dat het veiligheidsthema in een pakket zit samen met andere thema's
zoals migratie, integratie, multiculturaliteit, en daardoor ook met identiteit
en de natie, en met globalisatie. Dit alles vormt een conceptueel en ideologisch
geheel dat in zijn totaliteit (en complexiteit) moet verklaard worden.
Discussies over veiligheid moeten concreet en regelmatig teruggevoerd worden
tot die andere fenomenen; het thema ontleent er immers structuur en belang
aan.
De samenhang van die
thema's moet
ons nog iets anders doen zien: het feit dat het hier om een ideologisch
fenomeen gaat, om een reeks opvattingen, ideeën en houdingen die verband
houden precies met die diepere evoluties binnen onze samenleving, en die
eraan aangepast zijn. De huidige houdingen ten opzichte van veiligheid,
migratie en dergelijke zijn effectief ideologische aspecten van het soort
samenleving waarin we leven en waarin welvaartsverdeling en breuken daarbinnen
steeds belangrijker kwesties worden. Ze zijn, voor alle duidelijkheid,
daardoor ook niet de thema's van iedereen. Doorgaans is de vraag 'wiens
probleem is dat nu' een nuttige en revelerende kwestie. Globalisering is
niet meteen een reëel en actief probleem voor een landbouwer uit centraal-Mozambique,
en dit ongeacht het feit dat vanuit een bepaalde analyse men de levenscondities
van die landbouwer wel degelijk in termen van globalisering kan omschrijven.
De kans dat die landbouwer van globalisering een politieke kwestie maakt
is gering.
Het punt is: deze
thema's zijn systemisch,
ze zijn eigen aan het systeem waarin we leven en ze vertellen ons veel
over de eigenschappen van dit systeem. Hiermee ben ik beland bij een thema
dat al geruime tijd onpopulair is maar dat zich opdringt als analysekader
voor dit soort fenomenen: ideologie. Het is, denk ik, de hoogste tijd dat
we dit ogenschijnlijk verouderd analysekader eens afstoffen en loslaten
op dit complex van conjuncturele thema's.
2. De afwezigheid van ideologie
In zijn klassieke Mythologies
uit 1957 beschrijft Roland Barthes hoe in het Frankrijk van zijn tijd de
burgerij en haar waarden, incluis het kapitalistische staatssysteem, onzichtbaar
waren. Het systeem was zo evident dat het niet te thematiseren viel, het
kon gewoon niet in vraag gesteld worden en functioneerde zo als een ideologisch
'nulpunt'. De eigenschappen, waarden, (consumptie)cultuur en opvattingen
van de kapitalistische burgerij waren in de ogen van haar leden niet
ideologisch maar simpelweg feitelijk. Ideologie wordt in een samenleving
zoals de onze toegeschreven aan anderen, niet aan onszelf. Het ideologische
van ons gedrag en onze cultuur wordt dan ook niet in de analyse betrokken.
Een schoolvoorbeeld hiervan is het
migrantendebat.2 Eén van de
hoofdkenmerken ervan is dat het beschouwen van het migrantenvraagstuk als
een ideologisch probleem volkomen afwezig is uit vrijwel elke behandeling
ervan. Er zijn nauwelijks stemmen geweest die hierop uitzonderingen zijn.
En daar waar analyses van de globale samenhang van diverse problemen op
zijn plaats zou zijn geweest merkt men twee grote bewegingen die hiermee
in tegenstrijd zijn.
Ten eerste, het is een constante
in het migrantendebat dat men het pakket aan problemen en kwesties opdeelt
in aparte kwesties zoals veiligheid, tewerkstelling, huisvesting, onderwijs,
racisme. Deze aparte issues worden vervolgens instrumenteel en operationeel
behandeld door deskundigen, in de regel in isolement van andere domeinen.
Het effect ervan is dat thema's in hoofdzaak technologisch en specialistisch
behandeld worden en gericht zijn op zeer praktische doelstellingen die
vaak zelfs niet meer analytisch te noemen zijn. Deze thema's worden daardoor
in verregaande mate gedepolitiseerd, of althans, de politieke angel wordt
uit de analyse gehaald en wordt voorbehouden aan de beleidsmakers (die
doorgaans de opdrachtgevers zijn voor dit onderzoek).
Een tweede beweging die men merkt,
en die we in het vorige hoofdstuk al beschreven, is er een van personalisering
en psychologisering. De personalistische visie op sociale problematiek
is zoniet dominant, dan toch uiterst invloedrijk geweest in de ontwikkeling
van het hele deskundigheidsparadigma inzake migratie in dit land. Er heerste
beleidsmatig een voorkeur voor maatregelen die de sociaal-economische problematiek
individualiseerden en reduceerden tot niet-systemisch kwesties zoals individuele
attituden, opleidingsniveau, praktische bekwaamheden en vaardigheden, 'wil'
en dergelijke meer. Sensibilisering was aan weerszijden van het
migrantenvraagstuk het geliefkoosde operatiemodel. Verklaringen voor het
racisme van de autochtone bevolking nemen ook nu steevast de vorm aan van
psychologiserende uitspraken die het hebben over 'angstgevoelens', 'gevoelens
van onzekerheid' en zo meer. Dit alles sloot nadrukkelijk aan bij discours
in andere sociaal-economische probleemdomeinen. Ook het discours over werkloosheid
en tewerkstellingsproblemen is zeer sterk georiënteerd op personalistische
beelden (de werkloze is een onaantrekkelijk product voor de werkgever en
moet 'zich' vervolmaken; zoniet is er sprake van 'onwil' om te werken);
gezondheidsdiscours draaien rond sensibilisering en bewustwording; er is
een personalistische tendens in het onderwijs en zo meer. De welvaartstaat
heeft haar blik afgewend over de laatste twee decennia van systemische
probleemformuleringen en voorstellen tot oplossing, naar het individu.
En wat het migrantenvraagstuk betreft: de algemene teneur is er een waarin
migranten, individueel, bepaalde problemen hebben (in de zin van
bezitten)
waarvoor zij aansprakelijk zijn en die zij maar moeten zien op te lossen
-- dit heet dan 'integratie'. Net als in de eerste beweging heeft deze
tendens tot personalisering en psychologisering eveneens een depolitiserend
effect: niet de grotere mechanismen van ons maatschappijmodel staan ter
discussie, maar wel de wijze waarin individuen daarin functioneren of falen.
We hebben dus een migrantendebat
gekregen waarin een systemisch en ideologisch spoor steevast werd vermeden,
en waarin we nu geconfronteerd worden met een beeld van specifieke, technische
problemen die draaien rond individuen: allochtonen die maar niet op de
arbeidsmarkt raken en die maar niet aan een goede opleiding raken, en autochtonen
die angstig en onzeker zijn door de aanwezigheid van die allochtonen. Dat
hierbij voortdurend, in de feiten, inbreuken werden gepleegd op dit schema
leek niemand te storen. Het is bijvoorbeeld de regel dat men bij de individualisering
van migrantenproblemen beroep doet op hun 'cultuur' of 'afkomst' als variabele
-- een concreet voorbeeld hiervan is uiteraard de rechtstreekse associatie
van kleine criminaliteit met allochtonen (opgepikt als een wetenschappelijke
vraag door minister Verwilghen): wie het een zegt denkt het ander. Het
individuele spoor wordt hiermee niet enkel verlaten, bovendien breekt het
concrete en geïsoleerde kwesties zoals 'integratie' open en allieert het
'integratie' met een discours over identiteit en nationale eigenheid --
het verenigt met andere woorden migratie en nationalisme en zou ons meteen
op een heel ander spoor moeten zetten. Deze paradoxen werden echter niet
als zodanig ervaren en passeerden ongemerkt. Een ideologische lezing ervan
toont precies die correlaties aan, doet ons de durée zien
doorheen de vele evenementen, en doet ons roepen om ruimere verklaringen.
3. Ongelijkheid en verschil
Dit duwt me terug naar de hoofdlijn
van dit betoog. Als we terugkeren naar het vraagstuk van conjunctuur en
ideologie dwingt zich een fenomeen op als verklaring waarom een aantal
thema's nu aan de oppervlakte komen: ongelijkheid. De thematisering van
migratie en integratie, racisme, multiculturaliteit en veiligheid heeft
als pakket te maken met de manier waarop op dit moment, dus in deze conjunctuur,
ongelijkheid wordt georganiseerd en beheerd (ge-managed) in onze samenleving.
Het is geen toeval dat een aantal zaken historisch gelijklopend zijn: de
opkomst van migratie als politiek heet hangijzer is in vrijwel heel Europa
een fenomeen van de jaren zeventig en tachtig (met alle ingrediënten:
veiligheidsproblematiek, stedelijke problematiek, migratiestop, inburgeringsvragen,
vragen rond de inplanting van de Islam). In dezelfde periode ziet men een
periode van zware economische crisis die diepgaande veranderingen teweegbrengt
in de structuur van onze samenlevingen, ziet men eveneens gelijklopende
politieke reacties daarop: Thatcherisme, bij ons opgepikt door Verhofstadt,
de opkomst van extreem-rechts, het verschrompelen van links, het ontstaan
van groen. In die conjunctuur worden de mechanismen van welvaartsverdeling
hervormd: de welvaartstaat komt overal op de helling te staan terwijl overal
een verpaupering van bepaalde stedelijke bevolkingsgroepen optreedt. Een
nieuw soort ongelijkheid wordt een feit, wordt aanvaard als deel van de
samenleving, en verklaard in termen van individuele tekortkomingen van
mensen, later gecomplementeerd met globalisering als een verklaring voor
ontindustrialisering.
Terugkerend naar het migrantenthema:
we zien hoe het vraagstuk van maatschappelijke ongelijkheid geleidelijk
aan wordt georganiseerd rond de notie 'verschillen'. Marginaliteit wordt
niet verklaard als een structureel kenmerk van onze samenleving, maar als
beïnvloed door (zoniet het gevolg van) verschillen tussen mensen, die er
voor zorgen dat bepaalde groepen 'het moeilijker hebben' om mee te draaien
in het systeem dan andere. Het is in die context dat cultuur een centrale
plaats komt opeisen in het migrantendebat, en dat het integratie-paradigma
(in zijn 'integratie-als-aanpassing' interpretatie) zich installeert. Om
deze complexe redeneringen eenvoudig weer te geven: men gaat ervan uit
dat de culturele onaangepastheid van migranten hun achterstandspositie
verklaart; bijgevolg, uit hoofde van hun 'inpassing' in het systeem, stelt
men culturele aanpassings-eisen aan migranten, en deze conditioneren een
betere deelname aan de welvaartsverdeling in onze samenleving. De uitspraak
die dit alles samenvat is: "als ze een hoofddoek willen dragen moeten ze
niet versteld staan als ze geen job vinden". Doe de hoofddoek af en je
zal een goede baan vinden, is de suggestie.
Het 'verschil' neemt de plaats in
van 'ongelijkheid'. Verschil wordt immers als een objectieve factor voorgesteld
in het proces van participatie aan ons systeem en het neutraliseert 'harde'
verklaringen die draaien rond uitsluiting. Migrantenjongeren die zich in
de kleine criminaliteit begeven blijken gebukt te gaan onder een culturele
bagage die masculiniteit en gezichtsverlies als centrale componenten blijkt
te hebben. Hun vaders zijn bezwaard met een eergevoel dat hen doet liegen
in het gezicht van de berispende of ondervragende politieman (die, in eenzelfde
beweging, strikt redelijk, objectief en waarheids-georiënteerd is
als exponent van 'onze' cultuur). Cultuur verklaart de wereld volgens Huntington
en Fukuyama, die eveneens in dezelfde periode hun ding doen. Niemand is
dan ook goed of slecht, bepaalde dingen zijn eenvoudigweg 'beter' of 'slechter
aangepast' aan 'onze samenleving', en het is in eenieders belang dat iedereen
zo goed mogelijk aangepast is vanzelfsprekend. Het is tegen die achtergrond
dat bepaalde voorstellingen van het terugkeerbeleid van het Vlaams Blok
zelfs redelijk lijken en goed beargumenteerbaar zijn. We zitten immers
volop in een feest van essentialismen, en niets lijkt de eigen burgerij
en haar systeem onzichtbaarder te maken dan dat.
Terzelfdertijd maakt dit een aantal
andere verklaringen onmogelijk, en het is pas zeer recent dat we die verklaringen
ontdekken. Doorheen het migrantendebat is bijvoorbeeld nooit een punt gemaakt
van de diepe verwevenheid van racisme, veiligheid, migranten en stadsproblematiek.
In de feiten liepen al deze draden samen in concrete werkingen: migrantenwerking
was in de praktijk nauw verweven met stadsvernieuwing. De theorie volgde
evenwel niet, en de precieze relatie tussen wat nu 'categoriaal' moet opgelost
worden en wat niet is ook nu nog een theoretisch en beleidsmatig twistpunt.
Maar doorheen werk van een aantal sociale geografen zagen we echter plots
een heel ander plaatje opduiken, een dat de migrantenproblematiek drastisch
herformuleert en een heel nieuwe gestalte geeft.3
We stellen immers vast hoe marginaliteit een complex is van fenomenen dat
naast sociaal-economische factoren eveneens ruimtelijk-organisatorische
en gedragsmatige factoren inhoudt. Simpele marktmechanismen (vaak draaiend
rond de vraag 'welk soort woning kan ik me veroorloven?') drijven bepaalde
sociale groepen naar dezelfde buurten en houden ze uit andere buurten buiten,
en in die buurten ontstaat telkens een 'cultuur'.
Dit leert ons veel 'migrantenproblemen'
zien als buurtproblemen die van een heel andere orde zijn.4
Dit leert ons tevens deze vraagstukken te erkennen als een diepe politieke
problematiek die men moeilijk kan oplossen door deelgebieden eruit te isoleren
zonder de relaties met andere aspecten ervan aan te pakken. Om een zeer
complex proces uiterst vereenvoudigd weer te geven: een bepaalde sociaal-economische
positie genereert een bepaalde buurt en deze genereert een bepaald soort
gedrag. Armoede stuwt mensen naar buurten waarin kleine en kwalitatief
slechte woonomstandigheden de regel zijn; deze buurten bevatten zo een
zeer hoge werklozenconcentratie en een concentratie van school drop-outs,
gekoppeld aan weinig vrije ruimte waarin ontspanningsmogelijkheden bestaan.
Groepen mensen gaan zo 'rondhangen' en zich over bepaalde parcours door
de omgeving bewegen. Het fenomeen van de 'rondhangende jongeren' is geboren,
alleen is het nuttig aan te stippen dar concepten van masculiniteit en
eer in dit proces nauwelijks een rol hebben gespeeld. Poogt men deze jongeren
van de straat te halen door een repressieve aanpak, dan constateert men
snel dat er spoedig een nieuwe groep jongeren rondhangt. Ook dit fenomeen
is immers systemisch, het kan dan ook niet met eenmalige ingrepen die enkel
op dàt aspect ingaan worden opgelost.
4. Besluit
Wat ik tot nu toe heb gepoogd is
aan te tonen hoe een schijnbaar zeer concrete problematiek zoals die van
veiligheid intrinsiek en organisch verbonden is met veel ruimere blokken
van problemen en thema's, en dat deze samenhang alles behalve willekeurig
is. Het Lokerse experiment van 'nul-overlast' toont in alle pijnlijkheid
aan hoe ingrepen in één aspect leiden tot effecten in andere:
er ontstaat een ruimere psychose en een ruimere en acuter politieke problematiek
aangezien slachtoffers bestraft worden terwijl de wortel van het probleem
niet wordt aangepakt.
Het is mijns inziens de hoogste tijd
dat men migrantenthema's terug leert bekijken doorheen de blik van ideologie,
politieke vraagstukken en systemische fenomenen. Dit klinkt oubollig en
ruikt naar versleten marxisme, en daarvan ben ik me acuut bewust. Tezelfdertijd
lijkt deze benaderingswijze me steeds meer onontkombaar als analyse- en
behandelingsmodel. Hoe een diep sociaal-economische problematiek vervormd
is tot een problematiek van cultuurverschillen is en blijft een raadsel;
dat deze wending weinig van de problemen heeft opgelost blijft een feit.

Noten
1. Zie Etienne Balibar & Immanuel
Wallerstein (1988) Race, nation, classe: les identités ambiguës
(Paris: La Découverte); Eric Hobsbawm (1990) Nations and nationalism
since 1780 (Cambridge: Cambridge University Press); Robert Miles (1993)
Racism
after race relations (London: Routledge); Jan Blommaert & Jef Verschueren
(1998) Debating diversity (London: Routledge).
2. Zie Jan Blommaert & Jef Verschueren
(1992) Het Belgische migrantendebat (Antwerpen: IPrA), (1994) Antiracisme
(Antwerpen: Hadewijch); Jan Blommaert & Albert Martens (1999) Van
Blok tot Bouwsteen (Berchem: EPO).
3. Zie Julius Wilson (1987) The
truly disadvantaged: the inner city, the underclass, and public policy
(Chicago: University of Chicago Press). Zie eveneens: H. Meert, P. Mistiaen
& Ch. Kesteloot (1995), Van dag tot dag in Kuregem: Overlevingsstrategieën
van armen in een gemarginaliseerde buurt (Samenleving en Politiek
2/10: 26-35).
4. Zoals de laatste tijd ook steeds
meer door allochtone zelforganisaties wordt opgemerkt. Het doet ons ook
beseffen dat nieuwe migraties (vluchtelingen en illegalen) nieuwe stadsproblemen
stellen. De nieuwkomers arriveren immers niet in 'Antwerpen' of 'Gent'
in
abstracto, maar in heel specifieke buurten in die steden -- buurten
die reeds een grote concentratie van migranten en verpauperde autochtonen
tellen, en die 'vol' zitten. Een grote stad betekent dan ook niet noodwendig
veel ruimte voor het herbergen van nieuwe migranten: de omvang van die
buurten overstijgt die van kleine dorpen niet. |