'Ik stel vast'

Politiek taalgebruik in het tijdperk van vernieuwing

door  Jan Blommaert

BLOMMAERT-INDEX • CIE-Index

Hoofdstuk 7: 

De Context van een Thema, 2: Veiligheid


Ik begin met een anekdote. Toen vorig jaar aan het station van Schaarbeek een man werd vermoord door een jonge migrant hoorde ik een VRT-journalist daarover zeggen: "een moord is geen nieuws, maar een man die door een jonge migrant zomaar wordt gedood als een daad van vandalisme, sorry, maar dat is nieuws". In deze uitspraak worden drie thema's met elkaar verweven: migranten, criminaliteit en stedelijke problematiek. Over dit soort vermengingen en verpakkingen van een thema in andere wil ik het hebben. Veiligheid is immers deel van een familie, en het thema heeft broertjes. En in mijn bijdrage tot dit debat wil ik het accent leggen op de familie eerder dan op het individuele lid. Veiligheid zit verpakt in een ruimere reeks thema's en moet er regelmatig aan teruggekoppeld worden om een juist perpectief erop te handhaven.
 



1. Het conjuncturele

Vooreerst dit. Bij het behandelen van hedendaagse politieke thema's moet men regelmatig eens achterom kijken en de vragen stellen: vanwaar komt dit thema? En waarom duikt het nu op? Waarom staan bepaalde fenomenen nu plots als 'probleem' geboekstaafd, waarom duiken vroeger marginale thema's plots op in het centrum van de politieke belangstelling? Wat verklaart de verschuiving van een thema vanuit de marge naar het centrum? 

Om enkele voorbeelden te geven die de relevantie van die vragen moeten duidelijk maken: hedendaagse 'key words' zijn onder andere globalisatie, multiculturaliteit, veiligheid, integratie, racisme. En in elk van die gevallen zien we dat die hedendaagse relevantie die we eraan toeschrijven nogal merkwaardig is. Om met globalisatie te beginnen: men kan met recht en reden zeggen dat globalisatie nooit zo intens en diepgaand was als tijdens de koloniale periode. Toen werden immers een bepaald bestuurssysteem, een bepaald economisch systeem en een bepaald sociaal systeem geëxporteerd naar de uiteinden van de wereld. Het Europees kapitalisme en de Europese natiestaat werden in de letterlijke zin van het woord 'geglobaliseerd'. En dit bleef geen oppervlakkig gebeuren: de invloed ervan was diep en bepaalde de geschiedenis van die gebieden tot vandaag de dag. De samenlevingen uit de voormalige kolonies zien er vandaag zo uit omdat die globaliserende ingreep er geweest is. En hoe men het ook bekijkt, dat soort globalisering lijkt me veel diepgaander en fundamenteler dan de hedendaagse, nogal oppervlakkige fenomenen die men onder de noemer 'globalisatie' laat schuilgaan. 

Vergelijkbare observaties kunnen geformuleerd worden met betrekking tot de andere thema's. Multiculturaliteit? Van alle tijden; veiligheid? idem; integratie? Idem; racisme? Idem, denk ook maar aan de koloniale periode. Feit is echter dat ze nu als debatstof opduiken en voor onontwarbare conceptuele en politiek-ideologische kopbrekens lijken te zorgen. De beweging waarmee ze vanuit de onzichtbaarheid naar de kern van de politieke strijd worden overgebracht heet conjunctuur. Al deze thema's zijn conjuncturele thema's.

Hierbij zijn twee opmerkingen aan de orde. Een, in de mate dat conjunctureel staat voor zaken die eigen zijn aan bepaalde momenten of fasen in de evolutie van samenlevingen betekent dit dat we oog moeten hebben voor de condities waarin bepaalde thema's opduiken als probleem. We moeten met andere woorden hun oorsprongsgeschiedenis voor ogen houden, de 'productievoorwaarden' om een materiële metafoor te gebruiken. Dit moet verhinderen dat we thema's volkomen gaan abstraheren, en dat we de hele gebruiksgeschiedenis van begrippen gaan vergeten, daarbij suggererend dat de fenomenen die we nu aanduiden met dat begrip volkomen nieuw zijn en dat we derhalve geen lessen hoeven te trekken uit het verleden. Marx en volgelingen hebben ons herhaaldelijk op de gevaren van dergelijke onthistoriserende abstraheringen gewezen, en terecht. Deze boodschap lijkt echter vergeten van zodra het over veel hedendaagse thema's gaat, migratie en integratie op kop.

Twee: conjunctureel betekent ook, in de praktijk, dat thema's samen hangen met andere, dat dingen en bloc evolueren en grote paketten vormen. De samenhang van die paketten is van zeer groot belang als we ervan uitgaan dat ze niet toevallig in dezelfde evolutie aan de oppervlakte komen. En zo zien we, getuige Etienne Balibar, Immanuel Wallerstein, Eric Hobsbawm en anderen, dat nationalisme zeer nauw samenhangt met het hedendaagse homogeneïsme inzake vreemdelingen, en dat dit alles samenhangt met evoluties binnen het marktkapitalistische systeem waarin we leven en waarin vreemdelingen een rol vervullen als (steeds flexibeler) contingent van arbeidskrachten voor onze economieën.1 De marginalisering van vreemdelingen in onze samenlevingen gaat dan ook hand in hand met de aangroei van een autochtone 'vierde wereld', die op haar beurt een neerwaartse druk uitoefent op de welvaartstaat en op globale patronen van welvaartsverdeling. Ik kom daar later nog op terug. Het is mijn punt dat het veiligheidsthema in een pakket zit samen met andere thema's zoals migratie, integratie, multiculturaliteit, en daardoor ook met identiteit en de natie, en met globalisatie. Dit alles vormt een conceptueel en ideologisch geheel dat in zijn totaliteit (en complexiteit) moet verklaard worden. Discussies over veiligheid moeten concreet en regelmatig teruggevoerd worden tot die andere fenomenen; het thema ontleent er immers structuur en belang aan.

De samenhang van die thema's moet ons nog iets anders doen zien: het feit dat het hier om een ideologisch fenomeen gaat, om een reeks opvattingen, ideeën en houdingen die verband houden precies met die diepere evoluties binnen onze samenleving, en die eraan aangepast zijn. De huidige houdingen ten opzichte van veiligheid, migratie en dergelijke zijn effectief ideologische aspecten van het soort samenleving waarin we leven en waarin welvaartsverdeling en breuken daarbinnen steeds belangrijker kwesties worden. Ze zijn, voor alle duidelijkheid, daardoor ook niet de thema's van iedereen. Doorgaans is de vraag 'wiens probleem is dat nu' een nuttige en revelerende kwestie. Globalisering is niet meteen een reëel en actief probleem voor een landbouwer uit centraal-Mozambique, en dit ongeacht het feit dat vanuit een bepaalde analyse men de levenscondities van die landbouwer wel degelijk in termen van globalisering kan omschrijven. De kans dat die landbouwer van globalisering een politieke kwestie maakt is gering.

Het punt is: deze thema's zijn systemisch, ze zijn eigen aan het systeem waarin we leven en ze vertellen ons veel over de eigenschappen van dit systeem. Hiermee ben ik beland bij een thema dat al geruime tijd onpopulair is maar dat zich opdringt als analysekader voor dit soort fenomenen: ideologie. Het is, denk ik, de hoogste tijd dat we dit ogenschijnlijk verouderd analysekader eens afstoffen en loslaten op dit complex van conjuncturele thema's.

 



2. De afwezigheid van ideologie

In zijn klassieke Mythologies uit 1957 beschrijft Roland Barthes hoe in het Frankrijk van zijn tijd de burgerij en haar waarden, incluis het kapitalistische staatssysteem, onzichtbaar waren. Het systeem was zo evident dat het niet te thematiseren viel, het kon gewoon niet in vraag gesteld worden en functioneerde zo als een ideologisch 'nulpunt'. De eigenschappen, waarden, (consumptie)cultuur en opvattingen van de kapitalistische burgerij waren in de ogen van haar leden niet ideologisch maar simpelweg feitelijk. Ideologie wordt in een samenleving zoals de onze toegeschreven aan anderen, niet aan onszelf. Het ideologische van ons gedrag en onze cultuur wordt dan ook niet in de analyse betrokken.

Een schoolvoorbeeld hiervan is het migrantendebat.2 Eén van de hoofdkenmerken ervan is dat het beschouwen van het migrantenvraagstuk als een ideologisch probleem volkomen afwezig is uit vrijwel elke behandeling ervan. Er zijn nauwelijks stemmen geweest die hierop uitzonderingen zijn. En daar waar analyses van de globale samenhang van diverse problemen op zijn plaats zou zijn geweest merkt men twee grote bewegingen die hiermee in tegenstrijd zijn.

Ten eerste, het is een constante in het migrantendebat dat men het pakket aan problemen en kwesties opdeelt in aparte kwesties zoals veiligheid, tewerkstelling, huisvesting, onderwijs, racisme. Deze aparte issues worden vervolgens instrumenteel en operationeel behandeld door deskundigen, in de regel in isolement van andere domeinen. Het effect ervan is dat thema's in hoofdzaak technologisch en specialistisch behandeld worden en gericht zijn op zeer praktische doelstellingen die vaak zelfs niet meer analytisch te noemen zijn. Deze thema's worden daardoor in verregaande mate gedepolitiseerd, of althans, de politieke angel wordt uit de analyse gehaald en wordt voorbehouden aan de beleidsmakers (die doorgaans de opdrachtgevers zijn voor dit onderzoek).

Een tweede beweging die men merkt, en die we in het vorige hoofdstuk al beschreven, is er een van personalisering en psychologisering. De personalistische visie op sociale problematiek is zoniet dominant, dan toch uiterst invloedrijk geweest in de ontwikkeling van het hele deskundigheidsparadigma inzake migratie in dit land. Er heerste beleidsmatig een voorkeur voor maatregelen die de sociaal-economische problematiek individualiseerden en reduceerden tot niet-systemisch kwesties zoals individuele attituden, opleidingsniveau, praktische bekwaamheden en vaardigheden, 'wil' en dergelijke meer. Sensibilisering was aan weerszijden van het migrantenvraagstuk het geliefkoosde operatiemodel. Verklaringen voor het racisme van de autochtone bevolking nemen ook nu steevast de vorm aan van psychologiserende uitspraken die het hebben over 'angstgevoelens', 'gevoelens van onzekerheid' en zo meer. Dit alles sloot nadrukkelijk aan bij discours in andere sociaal-economische probleemdomeinen. Ook het discours over werkloosheid en tewerkstellingsproblemen is zeer sterk georiënteerd op personalistische beelden (de werkloze is een onaantrekkelijk product voor de werkgever en moet 'zich' vervolmaken; zoniet is er sprake van 'onwil' om te werken); gezondheidsdiscours draaien rond sensibilisering en bewustwording; er is een personalistische tendens in het onderwijs en zo meer. De welvaartstaat heeft haar blik afgewend over de laatste twee decennia van systemische probleemformuleringen en voorstellen tot oplossing, naar het individu. En wat het migrantenvraagstuk betreft: de algemene teneur is er een waarin migranten, individueel, bepaalde problemen hebben (in de zin van bezitten) waarvoor zij aansprakelijk zijn en die zij maar moeten zien op te lossen -- dit heet dan 'integratie'. Net als in de eerste beweging heeft deze tendens tot personalisering en psychologisering eveneens een depolitiserend effect: niet de grotere mechanismen van ons maatschappijmodel staan ter discussie, maar wel de wijze waarin individuen daarin functioneren of falen.

We hebben dus een migrantendebat gekregen waarin een systemisch en ideologisch spoor steevast werd vermeden, en waarin we nu geconfronteerd worden met een beeld van specifieke, technische problemen die draaien rond individuen: allochtonen die maar niet op de arbeidsmarkt raken en die maar niet aan een goede opleiding raken, en autochtonen die angstig en onzeker zijn door de aanwezigheid van die allochtonen. Dat hierbij voortdurend, in de feiten, inbreuken werden gepleegd op dit schema leek niemand te storen. Het is bijvoorbeeld de regel dat men bij de individualisering van migrantenproblemen beroep doet op hun 'cultuur' of 'afkomst' als variabele -- een concreet voorbeeld hiervan is uiteraard de rechtstreekse associatie van kleine criminaliteit met allochtonen (opgepikt als een wetenschappelijke vraag door minister Verwilghen): wie het een zegt denkt het ander. Het individuele spoor wordt hiermee niet enkel verlaten, bovendien breekt het concrete en geïsoleerde kwesties zoals 'integratie' open en allieert het 'integratie' met een discours over identiteit en nationale eigenheid -- het verenigt met andere woorden migratie en nationalisme en zou ons meteen op een heel ander spoor moeten zetten. Deze paradoxen werden echter niet als zodanig ervaren en passeerden ongemerkt. Een ideologische lezing ervan toont precies die correlaties aan, doet ons de durée zien doorheen de vele evenementen, en doet ons roepen om ruimere verklaringen.

 



3. Ongelijkheid en verschil

Dit duwt me terug naar de hoofdlijn van dit betoog. Als we terugkeren naar het vraagstuk van conjunctuur en ideologie dwingt zich een fenomeen op als verklaring waarom een aantal thema's nu aan de oppervlakte komen: ongelijkheid. De thematisering van migratie en integratie, racisme, multiculturaliteit en veiligheid heeft als pakket te maken met de manier waarop op dit moment, dus in deze conjunctuur, ongelijkheid wordt georganiseerd en beheerd (ge-managed) in onze samenleving. Het is geen toeval dat een aantal zaken historisch gelijklopend zijn: de opkomst van migratie als politiek heet hangijzer is in vrijwel heel Europa een fenomeen van de jaren zeventig en tachtig (met alle ingrediënten: veiligheidsproblematiek, stedelijke problematiek, migratiestop, inburgeringsvragen, vragen rond de inplanting van de Islam). In dezelfde periode ziet men een periode van zware economische crisis die diepgaande veranderingen teweegbrengt in de structuur van onze samenlevingen, ziet men eveneens gelijklopende politieke reacties daarop: Thatcherisme, bij ons opgepikt door Verhofstadt, de opkomst van extreem-rechts, het verschrompelen van links, het ontstaan van groen. In die conjunctuur worden de mechanismen van welvaartsverdeling hervormd: de welvaartstaat komt overal op de helling te staan terwijl overal een verpaupering van bepaalde stedelijke bevolkingsgroepen optreedt. Een nieuw soort ongelijkheid wordt een feit, wordt aanvaard als deel van de samenleving, en verklaard in termen van individuele tekortkomingen van mensen, later gecomplementeerd met globalisering als een verklaring voor ontindustrialisering.

Terugkerend naar het migrantenthema: we zien hoe het vraagstuk van maatschappelijke ongelijkheid geleidelijk aan wordt georganiseerd rond de notie 'verschillen'. Marginaliteit wordt niet verklaard als een structureel kenmerk van onze samenleving, maar als beïnvloed door (zoniet het gevolg van) verschillen tussen mensen, die er voor zorgen dat bepaalde groepen 'het moeilijker hebben' om mee te draaien in het systeem dan andere. Het is in die context dat cultuur een centrale plaats komt opeisen in het migrantendebat, en dat het integratie-paradigma (in zijn 'integratie-als-aanpassing' interpretatie) zich installeert. Om deze complexe redeneringen eenvoudig weer te geven: men gaat ervan uit dat de culturele onaangepastheid van migranten hun achterstandspositie verklaart; bijgevolg, uit hoofde van hun 'inpassing' in het systeem, stelt men culturele aanpassings-eisen aan migranten, en deze conditioneren een betere deelname aan de welvaartsverdeling in onze samenleving. De uitspraak die dit alles samenvat is: "als ze een hoofddoek willen dragen moeten ze niet versteld staan als ze geen job vinden". Doe de hoofddoek af en je zal een goede baan vinden, is de suggestie.

Het 'verschil' neemt de plaats in van 'ongelijkheid'. Verschil wordt immers als een objectieve factor voorgesteld in het proces van participatie aan ons systeem en het neutraliseert 'harde' verklaringen die draaien rond uitsluiting. Migrantenjongeren die zich in de kleine criminaliteit begeven blijken gebukt te gaan onder een culturele bagage die masculiniteit en gezichtsverlies als centrale componenten blijkt te hebben. Hun vaders zijn bezwaard met een eergevoel dat hen doet liegen in het gezicht van de berispende of ondervragende politieman (die, in eenzelfde beweging, strikt redelijk, objectief en waarheids-georiënteerd is als exponent van 'onze' cultuur). Cultuur verklaart de wereld volgens Huntington en Fukuyama, die eveneens in dezelfde periode hun ding doen. Niemand is dan ook goed of slecht, bepaalde dingen zijn eenvoudigweg 'beter' of 'slechter aangepast' aan 'onze samenleving', en het is in eenieders belang dat iedereen zo goed mogelijk aangepast is vanzelfsprekend. Het is tegen die achtergrond dat bepaalde voorstellingen van het terugkeerbeleid van het Vlaams Blok zelfs redelijk lijken en goed beargumenteerbaar zijn. We zitten immers volop in een feest van essentialismen, en niets lijkt de eigen burgerij en haar systeem onzichtbaarder te maken dan dat.

Terzelfdertijd maakt dit een aantal andere verklaringen onmogelijk, en het is pas zeer recent dat we die verklaringen ontdekken. Doorheen het migrantendebat is bijvoorbeeld nooit een punt gemaakt van de diepe verwevenheid van racisme, veiligheid, migranten en stadsproblematiek. In de feiten liepen al deze draden samen in concrete werkingen: migrantenwerking was in de praktijk nauw verweven met stadsvernieuwing. De theorie volgde evenwel niet, en de precieze relatie tussen wat nu 'categoriaal' moet opgelost worden en wat niet is ook nu nog een theoretisch en beleidsmatig twistpunt. Maar doorheen werk van een aantal sociale geografen zagen we echter plots een heel ander plaatje opduiken, een dat de migrantenproblematiek drastisch herformuleert en een heel nieuwe gestalte geeft.3 We stellen immers vast hoe marginaliteit een complex is van fenomenen dat naast sociaal-economische factoren eveneens ruimtelijk-organisatorische en gedragsmatige factoren inhoudt. Simpele marktmechanismen (vaak draaiend rond de vraag 'welk soort woning kan ik me veroorloven?') drijven bepaalde sociale groepen naar dezelfde buurten en houden ze uit andere buurten buiten, en in die buurten ontstaat telkens een 'cultuur'.

Dit leert ons veel 'migrantenproblemen' zien als buurtproblemen die van een heel andere orde zijn.4 Dit leert ons tevens deze vraagstukken te erkennen als een diepe politieke problematiek die men moeilijk kan oplossen door deelgebieden eruit te isoleren zonder de relaties met andere aspecten ervan aan te pakken. Om een zeer complex proces uiterst vereenvoudigd weer te geven: een bepaalde sociaal-economische positie genereert een bepaalde buurt en deze genereert een bepaald soort gedrag. Armoede stuwt mensen naar buurten waarin kleine en kwalitatief slechte woonomstandigheden de regel zijn; deze buurten bevatten zo een zeer hoge werklozenconcentratie en een concentratie van school drop-outs, gekoppeld aan weinig vrije ruimte waarin ontspanningsmogelijkheden bestaan. Groepen mensen gaan zo 'rondhangen' en zich over bepaalde parcours door de omgeving bewegen. Het fenomeen van de 'rondhangende jongeren' is geboren, alleen is het nuttig aan te stippen dar concepten van masculiniteit en eer in dit proces nauwelijks een rol hebben gespeeld. Poogt men deze jongeren van de straat te halen door een repressieve aanpak, dan constateert men snel dat er spoedig een nieuwe groep jongeren rondhangt. Ook dit fenomeen is immers systemisch, het kan dan ook niet met eenmalige ingrepen die enkel op dàt aspect ingaan worden opgelost.

 



4. Besluit

Wat ik tot nu toe heb gepoogd is aan te tonen hoe een schijnbaar zeer concrete problematiek zoals die van veiligheid intrinsiek en organisch verbonden is met veel ruimere blokken van problemen en thema's, en dat deze samenhang alles behalve willekeurig is. Het Lokerse experiment van 'nul-overlast' toont in alle pijnlijkheid aan hoe ingrepen in één aspect leiden tot effecten in andere: er ontstaat een ruimere psychose en een ruimere en acuter politieke problematiek aangezien slachtoffers bestraft worden terwijl de wortel van het probleem niet wordt aangepakt.

Het is mijns inziens de hoogste tijd dat men migrantenthema's terug leert bekijken doorheen de blik van ideologie, politieke vraagstukken en systemische fenomenen. Dit klinkt oubollig en ruikt naar versleten marxisme, en daarvan ben ik me acuut bewust. Tezelfdertijd lijkt deze benaderingswijze me steeds meer onontkombaar als analyse- en behandelingsmodel. Hoe een diep sociaal-economische problematiek vervormd is tot een problematiek van cultuurverschillen is en blijft een raadsel; dat deze wending weinig van de problemen heeft opgelost blijft een feit.

 


Noten


1. Zie Etienne Balibar & Immanuel Wallerstein (1988) Race, nation, classe: les identités ambiguës (Paris: La Découverte); Eric Hobsbawm (1990) Nations and nationalism since 1780 (Cambridge: Cambridge University Press); Robert Miles (1993) Racism after race relations (London: Routledge); Jan Blommaert & Jef Verschueren (1998) Debating diversity (London: Routledge).


2. Zie Jan Blommaert & Jef Verschueren (1992) Het Belgische migrantendebat (Antwerpen: IPrA), (1994) Antiracisme (Antwerpen: Hadewijch); Jan Blommaert & Albert Martens (1999) Van Blok tot Bouwsteen (Berchem: EPO). 


3. Zie Julius Wilson (1987) The truly disadvantaged: the inner city, the underclass, and public policy (Chicago: University of Chicago Press). Zie eveneens: H. Meert, P. Mistiaen & Ch. Kesteloot (1995), Van dag tot dag in Kuregem: Overlevingsstrategieën van armen in een gemarginaliseerde buurt (Samenleving en Politiek 2/10: 26-35).


4. Zoals de laatste tijd ook steeds meer door allochtone zelforganisaties wordt opgemerkt. Het doet ons ook beseffen dat nieuwe migraties (vluchtelingen en illegalen) nieuwe stadsproblemen stellen. De nieuwkomers arriveren immers niet in 'Antwerpen' of 'Gent' in abstracto, maar in heel specifieke buurten in die steden -- buurten die reeds een grote concentratie van migranten en verpauperde autochtonen tellen, en die 'vol' zitten. Een grote stad betekent dan ook niet noodwendig veel ruimte voor het herbergen van nieuwe migranten: de omvang van die buurten overstijgt die van kleine dorpen niet.

Oorspronkelijk gepubliceerd als: "Veiligheid en zijn broertjes: over de ideologie van veiligheid en migratie". Vlaams Marxistisch Tijdschrift, 34/1, 2000.

BLOMMAERT-INDEX • CIE-Index

CONTACT: Jan BLOMMAERT  (UPDATE: 12 feb 2007)Webmaster