|
1. Politieke sleutelwoorden
Politieke sleutelwoorden hebben een
haast magische werking. Hun overvloedig gebruik suggereert een semantische
eenduidigheid, ook al kon men verwachten dat de inflatie in het gebruik
dit soort eenduidigheid al bij voorbaat onmogelijk maakt. De begrippen
hebben ook een structurerend, zeer actief effect. Ze laten toe een feit
of een fenomeen te categoriseren, het begrijpelijk te maken, het te plaatsen
in een raamwerk van reeds aanwezige kennis over de wereld, de samenleving,
onszelf. Ze bepalen daardoor -- gedeeltelijk, weliswaar -- onze houding
tegenover het fenomeen, onze reacties, onze morele opstelling, onze evaluatie.
Termen kunnen hevige emoties opwekken, en andere sussen of lamleggen. Ronald
Reagan sprak niet zonder reden over de Nicaraguaanse contra's als freedom
fighters, bezuinigingen worden niet zonder reden aangekondigd als saneringen,
afdankingen als personeelsherschikkingen, racisme als vooroordelen
of angst voor het vreemde, enzovoort. Boris Jeltsin kreeg het voor
mekaar zijn parlement met tanks te laten beschieten, en toch nog steeds
als democraat of vernieuwer te blijven doorgaan, en Mobutu
slaagde er dertig jaar lang in versleten te worden voor unificateur
en factor van stabiliteit in een staat die in de praktijk had opgehouden
te bestaan. Wanneer politieke sleutelbegrippen met de nodige handigheid
en expertise worden aangewend kunnen ze moeiteloos staan voor een realiteit
die precies het tegenovergestelde betekent.
In dit taalspel zijn twee belangrijke
krachten aan het werk. Er is, ten eerste, de wijdverspreide misvatting
dat een fenomeen verklaard is van zodra men er een woord voor heeft. Dat
woord moet dan, liefst, een gesofistikeerde bijklank hebben. Het moet jargonesk
zijn, en zo de suggestie meetrekken dat achter het mooi klinkende woord
een hele analyse schuilgaat. Het gebruik van dat woord presupponeert die
analyse, en ontslaat de gebruiker van de plicht om de analyse over te doen.
Wanneer men een nieuw probleem ontdekt, dan bestaat de eerste opdracht
er in een lexicon en een retoriek te ontwikkelen waarmee over dit probleem
kan gesproken worden. Het lexicon en de retoriek kunnen helemaal nieuw
zijn, maar dit is geen noodzakelijke voorwaarde. Het nieuwe probleem kan
ook ingekapseld worden in oude, reeds gekende taalpatronen. In beide gevallen
suggereert men een vorm van vergelijkbaarheid. In het eerste geval suggereert
men dat het probleem inderdaad nieuw is, en niet besproken kan worden aan
de hand van geijkte termen en retorische patronen. In het tweede geval
suggereert men dat het probleem vergelijkbaar is met andere fenomenen,
en dus net zo goed kan besproken worden in termen van die andere fenomenen.
In de recente geschiedenis kan men voor beide types voorbeelden vinden.
Het migrantenvraagstuk is een voorbeeld van het eerste type, waarin een
'nieuwe' problematiek wordt ingekapseld in een nieuw retorisch kader, voorzien
van nieuwe begrippen zoals integratie en tolerantie. Een
voorbeeld van het tweede fenomeen is de uitbarsting van etnische conflicten
na de val van het IJzeren Gordijn, die gretig wordt gevat binnen het aloude
retorische kader van nationalisme, met kernbegrippen zoals volk,
territorium, zelfbeschikking,
enz.1
De tweede factor is die van ideologische
neutralisering of normalisering. Hier belanden we bij de Bourdieuaanse
idee dat de begrippen, standpunten en uitgangspunten van de leidende groepen
binnen een samenleving systematisch worden voorgesteld als 'neutraal',
'gematigd', 'objectief', 'normaal' of 'vanzelfsprekend'. Aan dit statuut
van normaliteit ontlenen zij hun macht. Ze worden de default mode
om over bepaalde fenomenen of maatschappelijke ontwikkelingen te spreken,
en krijgen zo het statuut van maatstaf waaraan andere begrippen, standpunten
of uitgangspunten worden afgemeten. Afwijkende meningen bestempelt men
als 'extreem' of 'radicaal', niet omdat ze dat in zichzelf meedragen, maar
omdat ze afwijken van het ideologische nulpunt: de heersende, als consensusdragend
voorgestelde, opvatting. Het is een open deur intrappen, je le sais,
maar dit ideologische nulpunt, deze 'normale' versie van de feiten, is
evident niet ideologisch neutraal. De heersende opvatting is precies dat:
de opvatting van zij die heersen, en niet een optelsom van individuele
opinies bij de 'gewone man' zoals bepaalde vormen van opinie-onderzoek
ons willen doen geloven.2
2. Tolerantie als sleutelwoord
Ik heb deze lange bocht genomen om
duidelijk te maken waarom een analyse van politieke sleutelbegrippen geen
vorm van filibusteren is. Het is, integendeel, een essentieel kritisch
instrument, dat macht moet blootleggen in domeinen waaruit macht geëlideerd
lijkt te zijn. Het komt erop aan de sleutelbegrippen te voorzien van een
pragmatiek, d.w.z. hun gebruiksvormen aan te duiden samen met de maatschappelijke
contexten waarin ze optreden. Het doelwit van de oefening die ik hier aanvat
is het discours rond migranten -- een discours dat uitwaaiert naar bredere
politieke themata zoals diversiteit, multiculturaliteit, en pluralisme.
Binnen dit discours richt ik mij op een van de sleutelbegrippen: tolerantie,verdraagzaamheid.
Tolerantie heeft, binnen de nieuwe retoriek over het migrantenvraagstuk,
een buitengewoon mobilserende kracht verworven. Het gaat door voor het
tegendeel van 'racisme', dat in een adem wordt gelijkgeschakeld met 'intolerantie',
'onverdraagzaamheid'. Opkomen tegen racisme staat daardoor gelijk met opkomen
voor 'meer verdraagzaamheid', en elke goedmenende organisatie in dit land,
van jeugdhuizen tot en met de Vlaamse regering, beroept zich op 'tolerantie'.
Een uitvoerige kritiek van dit begrip
is reeds eerder ondernomen.3 Onze voornaamste
opmerkingen hierbij zijn als volgt samen te vatten. 'Tolerantie' is een
begrip dat betrekking heeft op een individuele attitude. Het is
een begrip dat slaat op de nobele individuele inborst van mensen, die ervoor
zorgt dat zij -- op basis van welke criteria ook -- bepaalde dingen 'verdragen'.
Wanneer men 'tolerantie' als tegendeel van 'racisme' gebruikt, dan associeert
men racisme meteen ook met individuele opvattingen of attituden. Racisten
zijn dan mensen die de bepaalde dingen waarvan sprake niet verdragen.
Meteen wordt hieraan ook een morele evaluatie toegevoegd: tolerantie is
goed, ruimdenkend en nobel, intolerantie is slecht, kleingeestig of kortzichtig.
Aan de termen hangt tegelijkertijd een politieke categorisering: links
en het centrum zijn tolerant, (extreem) rechts is intolerant. De individualisering
van racisme via het contrasterende paar 'tolerantie-intolerantie' houdt
een analyse van racisme in, waarbij racisme herleid wordt tot individuele,
karakteriële eigenschappen van mensen. De maatschappij, of (om verouderde
terminologie te gebruiken) het systeem wordt niet gezien als een
producent van racisme. Racisten zijn stoute mensen, die weigeren
dingen te verdragen die men met een beetje goeie wil best zou kunnen verdragen.
De diepere politieke dimensies van racisme worden weggevlakt, en het is
opvallend hoe zwak racisme als politiek fenomeen wordt omschreven.4
Politieke actieplannen en campagnes tegen racisme benadrukken de individuele,
attitudinele kant van de zaak en gebruiken een jargon dat aan de psychotherapie
is ontleend: de mensen zijn angstig of onzeker, zij voelen
zich uitgesloten, hebben geen greep meer op hun toestand of hun
omgeving, zij ervaren een bedreiging vanwege de vreemdelingen,
zij hebben het gevoel dat hun oude waarden niet meer afdoend
zijn, enzovoort. Dat racisme wel eens iets zou kunnen te maken hebben met
algemene politieke processen of met structurele kenmerken van ons type
samenleving, wordt niet in aanmerking genomen.
Een tweede punt van kritiek raakte
het feit dat 'tolerantie' uitsluitend slaat op de attituden van de autochtone
bevolking. De tolerantie van de minderheden -- tolerantie voor aanhoudend
racisme vanwege autochtonen bijvoorbeeld -- komt niet ter sprake. Het accent
ligt duidelijk op de welmenende opstelling van groepen autochtonen. In
de behandeling van racisme blijken niet de reacties van de minderheden,
en evenmin hun ervaringen ter zake centraal te staan. Wat belang heeft is
het feit dat er, naast een grote groep racisten, ook een grote groep antiracisten
onder de autochtonen blijkt te bestaan. Racisme lijkt m.a.w. een zaak onder
autochtonen te zijn, met minderheden als passief, lijdend, voorwerp.
Een derde reeks opmerkingen betrof
de semantiek van het begrip zelf. 'Tolerantie' is een passief begrip. Het
vereist een lijdzame, passieve houding waarbij men de feiten ondergaat.
Ik verdraag dat X op mijn tenen trapt, ik onderga dat en vind dat
niet erg. Tolerantie is in deze context een tegendeel van veranderingsbereidheid.
De feiten worden verdragen, maar er wordt niets ondernomen dat de
status-quo zou kunnen doorbreken. Een ander aspect van de betekenis van
tolerantie is de negatieve normatieve oriëntatie van de term. Men
gaat ervan uit dat hetgeen men tolereert een overtreding is, stoort
of fout is. Men 'verdraagt' geen prachtige muziek, men 'verdraagt'
kattengejank. Het object van tolerantie -- in de context van migranten:
het gedrag of de 'eigenheid' van de vreemdelingen -- wordt zo impliciet
aangeduid als een storende, afwijkende factor.5
Daarmee wordt meteen een mooi analytisch kader geschetst: tolerantie is
een compliment voor de autochtonen, die het afwijkend gedrag van de allochtonen
dank zij een zekere ruimdenkendheid of een nobele inborst verdragen. Alle
positieve kwalificaties slaan op de autochtonen, alle negatieve op de minderheden.
De schuldige en de onschuldige zijn meteen geïdentificeerd.
Daarbij komt nog dat men ervan uitgaat
dat men bepaalde dingen niet hoeft te tolereren. Tolerantie is m.a.w. legitiem
beperkt, het kan in bepaalde omstandigheden met recht en reden opgeheven
worden. Wanneer het gedrag van de vreemdeling te afwijkend is, dan wordt
de tolerantiedrempel overschreden. Het is op dit punt dat klassieke
uitspraken opduiken zoals "wij zijn geen racisten maar...", of "wij zijn
tolerant maar niet ten koste van onze veiligheid", of "ik heb niets tegen
migranten, maar teveel is teveel". De begrenzing van tolerantie schakelt
de tolerantie niet uit, ze beperkt ze enkel. Maar ook beperkte tolerantie
is tolerantie, en Fernand Huts kan zichzelf en zijn Antwerpenaars nog steeds
zonder moeite als gastvrije, verdraagzame mensen bestempelen. Het is wellicht
niet nodig om aan te stippen dat in deze retorische beweging het slachtoffer
veroordeeld wordt zonder proces, en dat de grens boven dewelke tolerantie
uitgeschakeld wordt willekeurig kan getrokken worden.
Tolerantie, zo luidde onze conclusie,
is een schraal begrip vol heel intolerante suggesties, en hoegenaamd geen
antwoord op racisme, uitsluiting en maatschappelijke marginalisering van
minderheden. Het is een zoethoudertje dat de status-quo in stand houdt,
van alle betrokkenheid vrijpleit, en bovendien een lekker gevoel verschaft
aan zij die beroep doen op de kwalificatie 'tolerant'. Dat wil natuurlijk
niet zeggen dat mensen niet tolerant hoeven te zijn. Tolerantie
is ongetwijfeld een schone individuele deugd, maar geen systematisch verweer
tegen een maatschappelijk en politiek fenomeen. Zolang de samenleving,
via haar politieke organen en instellingen, geen blijk geeft van 'tolerantie'
-- in de zin van aanvaarding -- dan is de individuele tolerantie van de
goedmenende autochtoon een doekje voor het bloeden.
Twee elementen uit het voorgaande
verdienen een iets uitgebreider behandeling. In hetgeen volgt wil ik een
denkoefening inzetten rond twee thema's: dat van het individualisme dat
aan de grondslag ligt van het begrip tolerantie, en dat van de verhouding
tussen tolerantie en een intuïtieve opvatting van 'vrije wil'. De twee
punten zijn aan elkaar verwant, zoals zal blijken uit de uiteenzetting,
maar ik meen de duidelijkheid van het betoog gebaat is bij een afzonderlijke
bespreking.
3. Geïndividualiseerde problemen
De verwijzing van racisme naar het
domein van de individuele attitudes is lang geen uitzonderlijk fenomeen.
Het past in een ruimer kader van politieke verklaringen, waarbij maatschappelijke
processen geïndividualiseerd worden. Werkloosheid wordt bijvoorbeeld in
bepaalde middens zonder omwegen gezien als het gevolg van een individueel
gebrek aan dynamisme, inzet of bereidheid tot werken. De oplossing voor
werkloosheid wordt dan gezocht in de individuele aanpassing van de werkloze:
hij/zij moet zich herscholen of bijscholen, moet nieuwe vaardigheden onder
de knie krijgen, en zichzelf zo omvormen tot een aantrekkelijker product
op de arbeidsmarkt. Het begrippenpaar 'werkgever-werknemer' is in het verleden
vaak behandeld geworden als een illustratie van ideologisch gedetermineerd
taalgebruik. Het is niet de ondernemer die 'werk/arbeid geeft', maar de
arbeider die zijn 'werk/arbeid' aan de ondernemer 'geeft'. De ondernemer
'neemt' dat werk/arbeid. De interessante omkering van de arbeidsverhoudingen
in het conventionele begrippenpaar wees dan op een neutralisering van de
reële verhoudingen in het alledaagse taalgebruik. Wat we nu zien,
doorheen de individualisering van werkloosheid, is een nieuwe omkering
van die relatie. De werkloze is nu de vragende partij, die zich moet aanbieden
aan de ondernemer als een goed product. De ondernemer is hier echt een
'werk-gever' geworden: degene die de mogelijkheid tot arbeid schenkt aan
de meest biedende.
Hetzelfde proces ziet men aan het
werk in domeinen zoals drugsverslaving, criminaliteit, enzovoort. De Amerikaanse
'boot camps' waarin drugscriminelen worden 'heropgevoed' zijn hiervan een
extreme illustratie. Een Panorama uitzending van enige tijd geleden
toonde ons de binnenkant van zo een 'boot camp'. De gevangenen -- in overweldigende
meerderheid zwarten en leden van andere etnische minderheden -- krijgen
er een zware opleiding, volkomen geënt op een militaire drill, compleet
met militair uniform, pelotonsbanier en "Sir, yes Sir!" aansprekingen.
In de barakken heeft men slogans aangebracht van het type "No pain no
gain","Pain passes, pride stays". Het doel van deze opleiding
is, in de woorden van de verantwoordelijken, ervoor te zorgen dat de gevangenen
"zelfstandig leren denken", "nadenken vooraleer te beslissen", "zelfvertrouwen
krijgen", "fier op zichzelf leren zijn" -- een zelfstandig individu worden,
dat perfect past in het burgerlijke normatieve kader van de Amerikaanse
samenleving. Dit tracht men, paradoxaal genoeg, te bereiken door elke vorm
van eigen wil te breken door straffen en sancties voor 'afwijkend gedrag',
een strakke hiërarchie op te leggen, en geen enkele vorm van individuele
actie toe te laten. Een Foucaultiaans panopticon als de ultieme weg tot
individuele vervolmaking. Ook het "zelfstandig denken" is van een merkwaardig
allooi. Een instructeur vatte het zo samen: "We leren mensen zelfstandig
denken, en we geven hen een denksysteem". Zelfstandig denken binnen een
precies afgebakend, opgelegd kader, met andere woorden. De ideologische
ondertoon is duidelijk: deze drugscriminelen zitten hier omwille van hun
eigen individuele zwakheid, hun gebrek aan ruggengraat, hun gebrek aan "zelfstandig
denken". Het is hun eigen, persoonlijke schuld. De samenleving valt buiten
schot. Meteen is ook de merkwaardige etnische en sociologische samenstelling
van de doelgroep geneutraliseerd. Neen, dit zijn geen jongeren uit het
ghetto of uit de barrio, dit zijn allemaal zwakke individuen. Het drugsprobleem
is een individueel probleem geworden, en het maatschappelijke antwoord
hierop bestaat in het heropvoeden van de betrokken individuen.
De benadering van racisme in onze
samenleving moet in hetzelfde kader geplaatst worden. Het wordt gevangen
gezet in een retorisch en analytisch patroon waarin een individuele casuïstiek
centraal staat. Het is net als armoede, werkloosheid, drugs, AIDS en andere
kwalen een kwestie van slecht geïnformeerde, zwakke mensen, die leven binnen
een nagenoeg perfect systeem en daarin a bloody nuisance zijn. Racisme
wordt zo gedepolitiseerd, en belandt in het goed hanteerbare, onschuldige
domein van de socio-culturele vorming en de psychotherapie. Men kan het
dan hebben over de 'cultuur' van de vreemdeling, en niet over zijn of haar
rechten als burger.6 Ik weet zeker
dat deze depolitisering een bijzonder genoegen doet aan politici, die maar
wat graag steun verlenen aan symbolische en vormingsinitiatieven die harde
politieke verhoudingen ongemoeid laten en ingrijpende politieke veranderingen
overbodig maken.
4. Tolerantie en vrije wil
In het proces van de individualisering
van deze maatschappelijke domeinen lijkt zich nog een ander element te
ontwikkelen: een betrekkelijk primitieve rationalisering van deze maatschappelijke
verhoudingen, die gebaseerd is op een tegenstelling tussen 'het lot' en
'de vrije wil' van individuen.
Onze samenleving erkent talloze 'minderheden',
soms gedefinieerd vanuit de basis (bijvoorbeeld homoseksuelen) en soms het
product van een segregatie van bovenaf (bijvoorbeeld migranten), maar voorziet
geen gelijke behandeling voor die verschillende minderheden. Voor sommige
groepen bestaat er een consensus over het feit dat zij intrinsiek recht
hebben op een inspanning vanwege de overheid, terwijl men bij andere groepen
aanneemt dat zij de gevolgen van hun minderheidspositie maar zelf moeten
dragen. Bepalend hierbij is een onderscheid tussen 'minderheden omwille
van het lot' en 'minderheden uit vrije wil'. De eerste categorie wordt
beschouwd als een groep mensen die het ook niet kan helpen dat ze een maatschappelijk
problematische positie bekleden. De tweede groep heeft blijkbaar voor die
achterstelling gekozen.
Tot de eerste groep rekent men vrouwen,
gehandicapten, bejaarden en zieken (een categorisering die de marginalisering
van vrouwen in onze samenleving bevestigt). Deze groepen zijn minderheden
omwille van het lot, en zij hebben er niet zelf voor gekozen. Als gevolg
daarvan hebben zij recht op steun vanwege de samenleving. Meer nog, onze
samenleving ontleent een deel van haar gunstig zelfbeeld aan de faire behandeling
van deze groepen. De emancipatie van de vrouwen is bijvoorbeeld een constante
in opsommingen van de grote verwezenlijkingen van ons maatschappijmodel,
en is steeds terug te vinden in de normatieve omschrijvingen van de criteria
voor integratie van migranten. Daardoor onderscheidt onze samenleving zich
van 'minder ontwikkelde', 'totalitaire' of 'achterlijke' samenlevingen.
De verzorgende behandeling van bejaarden, gehandicapten en zieken valt
onder de 'welvaartstaat' -- een begrip dat stilaan vervangen wordt door
een 'sociaal gecorrigeerde vrije-markteconomie'. Het is een kwaliteit van
onze samenleving dat ze solidariteit met de zwakkeren heeft ingebed in
haar structuren en instellingen. Zelfs al wordt de welvaartstaat geleidelijk
aan uitgehold, toch blijft er een consensus bestaan dat 'er iets moet gedaan
worden' voor vrouwen, bejaarden, gehandicapten en zieken.
De tweede categorie is minder goed
af. Zij hebben zogezegd gekozen voor een positie in de marge, en
verzaken daardoor aan een aantal gunsten van onze samenleving. Tot deze
groep behoren (en niet enkel in een reactionair discours) de migranten,
homoseksuelen, alternatieven (punkers, armen en daklozen, ongehuwde moeders...)
en meer en meer ook werklozen. Migranten hebben zelf gekozen voor
hun minderheidspositie door het eenvoudige feit van hun migratie. Hun vertrek
uit het thuisland, zo stelt men het voor, was een individuele wilsbeschikking,
iets wat ze deden uit goesting. Daardoor moeten ze dan ook de gevolgen
hiervan aanvaarden, en zich aanpassen. Door die nadruk op aanpassing
als het logische gevolg van de beslissing tot migreren wordt ook de culturele
eigenheid, incluis de godsdienstbeleving, van migranten een zaak van eigen
wil. Men is Moslim omdat men dat wil, men kiest daarvoor. Wanneer
men hierom gediscrimineerd wordt moet men niet komen klagen: men kan zich
aanpassen. Homoseksuelen hebben klaarblijkelijk ook voor hun seksuele
geaardheid gekozen. Deze opvatting reflecteert zich in courante uitdrukkingen
zoals "seksuele voorkeur" -- een uitdrukking van bewuste keuze uit
een reeks mogelijke alternatieven. Hetzelfde geldt vooralternatieven.
Men kan leven zoals de rest, zich kleden zoals de rest, en doen zoals de
rest, of men kan kiezen voor iets anders. In dat geval is men zelf schuldig
aan de achterstellingspositie waarin men zich bevindt. Daklozen worden
merkwaardig genoeg tot deze groep gerekend: men gaat ervan uit dat zij
de straat opzoeken uit een romantische drang naar een clochard-ideaal.7 Werklozen
zijn een categorie die verschoven is van 'marginalen omwille van het lot'
naar 'marginalen uit vrije wil', en de manier waarop deze verschuiving
gebeurt is hierboven al kort beschreven. "Als men echt wil werken, dan
vindt men wel werk". Niets is dan ook erger dan een werkloze die op een
werkaanbod weigert in te gaan. De motieven die hieraan ten grondslag liggen
worden zelden in ogenschouw genomen. Dit soort weigering staat voor een
weigering om tewerken, in de algemene en abstracte zin, los van
het type werk, de arbeidsvoorwaarden, enzovoort, die het werkaanbod inhield.
In de aanloop naar de verkiezingen
van mei 1995, toen de VLD de greep op het verkiezingsdebat begon te verliezen,
produceerde de partij een folder die het anti-sociale imago van de partij
moest oppoetsen. In die folder beklemtoonde Guy Verhofstadt het feit dat
de VLD geen enkele negatieve ingreep zou doen ten aanzien van "gepensionneerden,
zieken, gehandicapten en echte werklozen". Deze categorieën komen
merkwaardig goed overeen met diegene die ik heb aangeduid als 'minderheden
omwille van het lot' -- incluis de verschuiving van de categorie werklozen,
die zich uit in de kwalificatie 'echte' (versus 'onechte') werklozen --
en we speuren dan ook vergeefs naar andere categorieën: daklozen,
ongehuwde moeders, migranten. Het sociale imago van de VLD is selectief,
en de selectie berust kennelijk op een onderscheid tussen mensen die echt
recht hebben op sociale steun, en anderen die daar geen recht op hebben,
ook al verkeren zij in een maatschappelijke achterstellingspositie.
Groepen die 'uit vrije wil' in de
marge van de samenleving zitten (een merkwaardig inactieve metafoor trouwens)
zijn het voorwerp van tolerantie. Het is voor hen dat het individu,
en niet de samenleving, een groot hart moet opbrengen. De samenleving heeft
haar taak vervuld van zodra zij de door het lot slecht bedeelden heeft
verzorgd. Tolerantie geldt hier als omwegje en als excuus voor maatschappelijke
verzorging. Het is aan de mensen om uit te maken of zij migranten, homo's,
punkers, daklozen tolereren of niet. Doen zij dat, dan is dat zoveel te
beter, doen zij dat niet, tant pis.
5. Besluit
Beide punten zijn historisch te verifiëren.
Het zijn elementen van een veranderingsproces dat zich in onze samenleving
en elders voltrekt, en het is enkel vanuit dit historisch perspectief dat
men de verschuivende machtsverhoudingen kan ontdekken die dit proces begeleiden.
Een grote tekortkoming van het huidige migrantendebat is het momentane,
particularistische perspectief, dat de problematiek situeert in het hier
en nu, ze isoleert van andere maatschappelijke en politieke ontwikkelingen,
en voorstelt als feit-op-zich, onbeïnvloed door bredere en diepere ontwikkelingen.
Tolerantie, als tegendeel van veranderingsbereidheid, draagt ook dit momentane
en particularistische cachet. Het wordt losgemaakt van de geleidelijke
evolutie in onze samenleving, die iedereen in talloze domeinen van het
dagelijks leven aanvoelt, en hangt er ergens boven, in een duidelijke niche
die een eigen leven is gaan leiden. Ik betwijfel dan ook of 'tolerantie'
een nuttig instrument is om het migrantenvraagstuk te dissecteren, omdat
er teveel elementen van de ideologisch bepaalde probleemformulering en
voorstellen tot oplossing in het begrip zelf vervat zitten.

|