Inleiding
1. Soorten niet-muslims
2. Algemene omgansgvoorschriften tegenover niet-muslims
2.1. Gewaarborgde godsdienstvrijheid
2.2. Respect
2.3. Rechtvaardigheid
2.4. Mildheid en geduld tegenover Islam-haters
2.5. Geen spot- en scheldpartijen maar zachtmoedigheid en
matiging
2.6. Houding ten aanzien van niet-Muslim buren: goede werken
en verdraagzaamheid
2.7. Afwijzen van racisme en hoogmoed
3. Omgaan met Ahl Al-Kitab (de Mensen van het Boek)
4. Het statuut van de Ahl Ad-Dhimmah (de Beschermde Mensen)
5. Jihad?
6. Moeten ongelovigen dan niet gedood worden? Bespreking van
enkele verzen
6.1. Verzen 8:11, 8:39 (2:193) en 8:60
6.2. Vers 47:7
Epiloog
Inleiding
Nogal wat mensen zijn ervan overtuigd dat de Koran voorschrijft dat
alle niet-muslims onder dwang tot de Islam bekeerd moeten worden, of
indien zij dit weigeren gedood moeten worden. Laten we echter redelijk
zijn: als muslims er werkelijk al 1400 jaar (en intussen zijn ze al met
ruim 1 miljard of een zesde van de wereldbevolking) hun zinnen op gezet
hadden alle 'ongelovigen' te vermoorden, zouden we hier dan nog zijn?
Zou de Ottomaanse islamitische Sultan Bajazet II de Joden opgevangen
hebben toen ze een ruim vijfhonderd jaar geleden in Christelijk Spanje
vervolgd en verdreven werden? Zou kalief Umar ibn al-Khattab in
Jeruzalem, een paar honderd jaar voor de Christelijke kruistochten er
een slachtpartij aanrichtten onder de muslims, een verdrag gesloten
hebben met de christenen dat hen garandeerde dat ze hun geloof vrij
konden beleven en dat hun kerken en kruisen niet zouden beschadigd
worden? [1] In de Islam bestaat er een lange traditie van
gastvrijheid ten aanzien van andersgelovenden. Dat Westerse
islamofoben én extremisten in de muslimwereld die traditie
(zowel in de leer als in de praktijk) wegvegen en het willen doen
uitschijnen alsof de Islam erop gericht is alle niet-muslims onder
dwang te bekeren tot het eigen model of te vermoorden, zegt alles over
hun eigen conflictmodel dat onverdraagzaamheid propageert en een
oorlog tussen het Westen en de Islam wil ontketenen. Ja, er zijn
gevallen van mistoestanden waarbij religieuze minderheden in
muslimlanden niet correct behandeld werden en net als elders zijn er
ook in muslimlanden extremisten die al wie van hun overtuiging afwijkt
als vijand beschouwen - maar is dat kenmerkend voor de leer? Of gaat
het juist om misbruiken van die leer? Een analyse van de Koran en de
Sunnah levert een antwoord op de vraag hoe muslims moeten omgaan met
niet-muslims.
1. Soorten niet-muslims
Niet alle niet-muslims worden als 'ongelovigen' beschouwd. Kufr
(ongeloof) -- van de stam {k-f-r}: iets toedekken, niet bekend maken --
is een term die gereserveerd wordt voor mensen die, nadat ze van de
Islam kennis namen en ervan overtuigd geraakten dat dit de ware leer
is, de Islam bewust verwerpen.
"Dat zijn zij die
geen geloof hechten aan de tekenen van hun Heer en aan de ontmoeting
met Hem. Hun daden zullen dus vruchteloos zijn. Wij zullen hun op de
opstandingsdag dan ook geen gewicht toekennen." (Koran
18:105)
Mensen die de Islam niet
kennen, en dus Jahil (onwetend) zijn,
worden niet tot de 'ongelovigen' gerekend. Iemand die oprecht op zoek
is naar de waarheid maar die misleid of verkeerd geïnformeerd
werd, en vanuit islamitisch standpunt een verkeerd beeld heeft van God
of van de Islam, wordt niet als ongelovige beschouwd.
Shirk, of veelgoderij
(letterlijk: partnerschap), bestaat uit het erkennen en/of aanbidden
van krachten buiten God. Terwijl een Kafir (ongelovige) niet in God
gelooft (nadat dat hij kennis nam over het geloof), gelooft een Mushrik
(polytheïst) wel in God, maar gelooft hij naast God nog in
andere zaken zoals astrologie, engelen of idolen.
"En als jij hun
vraagt wie de hemelen en de aarde geschapen heeft zeggen zij: "God".
(Koran 31:25)
Een christene
wordt niet als Mushirk beschouwd. Het christendom gelooft weliswaar in
de Heilige Drievuldigheid: er is God de Vader, God de Zoon, en God de
Heilige Geest, maar dit zijn geen 3 aparte goden. Voor muslims, is de
Drievuldigheid een soort vertroebeling van het zuivere geloof in
één enkele God, maar daarom nog geen shirk -
nergens in de Koran worden christenen en Joden als Mushrikun
omschreven. Integendeel, christenen en Joden worden tot de Ahl
Al-Kitab (Mensen van het Boek) gerekend. Joden en
christenen kunnen volgens de Koran overigens net als muslims naar de
hemel gaan als ze in God geloven en zich gedragen overeenkomstig de aan
hun Profeten geopenbaarde heilige boodschap. [2]
Irtidad (apostasie) is een
term die toegepast wordt voor iemand die effectief muslim was maar de
Islam de rug toekeerde. [3]
Dahriyah (atheïsme,
materialisme) is afgeleid van het Arabisch woord Dahr (tijd). De
benaming is gebaseerd op een Koranisch verhaal over een Arabische
paganistische stam die het bestaan van God, hemel en hel ontkende en in
de plaats daarvan alle geluk en ongeluk exclusief toeschreef aan Tijd
(en bij uitbreiding aan natuurwetten).
"En zij zeggen: "Er
is alleen maar ons tegenwoordige leven; wij sterven en wij leven en
alleen door de tijd worden wij omgebracht." (Koran 45:24)
Nifaq
(hypocrisie), ten slotte, is een term die gereserveerd is voor muslims.
Munafiqun (hypocrieten) zijn mensen die met overtuiging stellen muslims
te zijn maar dat in hun hart niet zijn - hypocrisie wordt daarom ook de
'ziekte van het hart' genoemd. De Koran verafschuwt hypocrisie.
Hypocrieten wordt de diepste putten van de hel toegezegd, een plaats
nog erger dan waar de ongelovigen zullen terechtkomen.
"De huichelaars
komen in de laagste verdieping van het vuur en jij zal voor hen geen
helper vinden." (Koran 4:145)
Het grootste verwijt en de
zwaarste straf in de Islam is dan ook gereserveerd, niet voor
ongelovigen maar voor 'muslims in naam', die zich schuldig maken aan
hypocrisie.
In wat volgt wordt besproken hoe muslims zich horen te gedragen
tegenover deze groepen van niet-muslims.
2. Algemene
Omgangsvoorschriften
2.1.
Gewaarborgde godsdienstvrijheid
In weerwil van de
misvatting dat een islamitische staat een staat is waarin iedereen
zich moet bekeren tot de Islam, is een islamitische staat
een land waar een rechtvaardige samenleving
nagestreefd wordt. Dan kan, maar hoeft niet, bij middel van een
wetgeving die gebaseerd is op de Koran en de Sunnah. En deze garanderen
aan alle inwoners van een muslimstaat volledige godsdienstvrijheid[4]
Het is muslims dan ook verboden mensen te dwingen
zich aan te sluiten bij de Islam:
"In de godsdienst
is er geen dwang." (Koran, 2:256)
De taak van de gelovigen,
beperkt zich tot het overbrengen van de Boodschap:
"Waarschuw de
mensen, want jij bent slechts een waarschuwer. Je hebt niet de
autoriteit om iemand te dwingen." (Koran 88:22-23)
Godsdienstvrijheid is
hèt fundament van de Islam. Er wordt zeer duidelijk gesteld
dat God aan de mensen vrijheid van keuze gegeven heeft, en dat ieder
individu verantwoordelijk is voor eigen keuzes en daden. Op de dag van
het Laatste Oordeel zal ieder zich voor zijn daden moeten verantwoorden
en daarvoor door God beloond of bestraft worden. Theologisch gezien,
biedt 'bekering' tot de Islam overigens geen garantie op de hemel.
Anders dan bij het christendom, waarvan de aanhangers zekerheid hebben
op een plaats in de hemel en waarin bekering tot het christendom
bijgevolg het enige middel is om de ziel te redden, is in de Islam het
verwerven van het eeuwig leven in de hemel niet afhankelijk van de naam
van het geloof waartoe men behoort, maar wel van de manier waarop men
zich gedraagt. Wie zich gedraagt in overeenstemming met de boodschap
van de Profeten, kan naar de hemel gaan, anders kan men in de hel
terechtkomen. Ook muslims kunnen dus naar de hel gaan terwijl volgens
de Islam een voorbeeldige christene naar de hemel kan gaan:
"Zij die geloven,
zij die het Jodendom aanhangen, de christenen en de Sabiërs
die in God en de laatste dag geloven en die deugdelijk handelen, voor
hen is hun loon bij de Heer en zij hebben niets te vrezen noch zullen
zij bedroefd zijn." (Koran 2:62)
Dat godsdienstvrijheid
gegarandeerd wordt, blijkt ook uit het gegeven dat volgens de Koran
enkel God over geloof en ongeloof kan oordelen, vermits enkel God in de
harten van de mensen kan kijken. Dit geldt zowel voor het oordeel over
het geloof van een individu, als voor het beslechten van
geloofstwisten.
"Hij weet wat er
binnen in de harten is." (Koran 8:43)
"Het oordeel komt alleen God toe." (
Koran 12:67)
"Bij hem zijn de sleutels van het verborgene,
alleen Hij kent ze." (Koran 6:59)
De Koran draagt muslims
expliciet op het oordeel over geloofsdisputen over te laten aan God.
"En als een groep
van jullie gelooft in dat waarmee ik gezonden ben een een groep niet
gelooft, weest dan geduldig totdat God tussen ons oordeelt want Hij is
de beste van hen die oordelen." (Koran 7:87)
"God zal op de opstandingsdag tussen jullie
over dat waarover jullie het oneens waren oordelen". (Koran
22:69)
Wanneer een muslim oordeelt
over het geloof van anderen, stelt hij zichzelf gelijk aan God, zet hij
met andere woorden zichzelf op als partner van God, verbreekt hij het
meest centrale geloofspunt dat er geen god is dan God, en catapulteert hij
zichzelf uit de Islam. Muslims mogen niet oordelen over geloof en
ongeloof. Er bestaat in de Islam ook geen excommunicatie.
In een islamitische samenleving is het gedrag van muslims en
niet-muslims onderworpen aan de strafwet, maar verder moet men zich
onthouden van uitspraken en oordelen over het geloof van anderen, om zo
de volledige godsdienstvrijheid te vrijwaren. Een groot aantal
Koranische verzen over straffen die ongelovigen in het vooruitzicht
gesteld worden, krijgt hiermee al meteen betekenis: het is telkens God
(en niet een Muslim) die een straf (een plaats in de hel) voor de
ongelovigen aankondigt:
"Maar zij die
ongelovig zijn en Onze tekenen loochenen, zij zijn het die in het vuur
thuishoren, zij zullen daarin altijd blijven." (Koran 2:39)
2.2. Respect
voor anderen
De toon voor de omgang met niet-muslims wordt in de Koran gezet door
volgend vers:
"God verbiedt niet
dat jullie hen die niet wegens de godsdienst tegen jullie gestreden
hebben en die jullie niet uit jullie woningen verdreven hebben, met
respect en rechtvaardigheid te behandelen." (Koran 60:8)
Het daarop volgende vers
verduidelijkt:
"Maar God verbiedt
dat jullie hun die wegens de godsdienst tegen jullie gestreden hebben,
die jullie uit jullie huizen verdreven en die bij jullie verdrijving
geholpen hebben, bijstand verlenen. En zij die hun bijstand verlenen
zijn de onrechtplegers". (Koran 60:9)
Op een gegeven
moment waren 'ongelovigen' ten strijde getrokken tegen muslims. Na deze
strijd vroegen muslims zich af hoe zij nu met hen moesten omgaan. De
traditie wil dat in antwoord daarop bovenstaande verzen geopenbaard
werden aan Mohamed. De verzen betekenen dat muslims vriendelijk en
attent moeten omgaan met iedereen - ongeacht sekse, ras, nationaliteit,
godsdienst,...[5] - ook met diegenen die voordien vijanden waren van
de muslims en tegen hen streden. De uitzondering op deze regel betreft
diegenen die muslims vervolgen omwille van hun geloof.
2.3.
Rechtvaardigheid
Rechtvaardigheid tegenover niet-muslims wordt in verschillende verzen
beklemtoond:
"Jullie die
geloven! Wees standvastig voor God als getuigen van de
rechtvaardigheid. En laat de afkeer van bepaalde mensen jullie er niet
toe brengen niet rechtvaardig te zijn. Weest rechtvaardig, dat is
dichter bij godvrezendheid. En vreest God. God is welingelicht over wat
jullie doen." (Koran 5:8)
"... als jij oordeelt, oordeel dan tussen hen
met rechtvaardigheid. God bemint hen die rechtvaardig handelen." (Koran
5:42)
In de islamitische rechtspraak
mogen muslims niet bevoordeeld worden omwille van hun geloof. Een qadi
(rechter) mag enkel het bewijs overwegen. Verschillende voorbeelden uit
de tijd van de kaliefen illustreren hoe de uitspraak van de rechtbank
in het voordeel van de niet-muslim en het nadeel van de muslim uitviel.
Zo hadden ten tijde van Umar bin al-Khattab een aantal muslims een stuk
land gestolen van een jood en hadden ze op die grond een moskee
opgetrokken. Dit was een duidelijke schending van de rechten van de
jood die een dhimmi was (dit statuut wordt later besproken). Umar gaf
hierop het bevel de moskee te slopen en het land terug aan de jood over
te maken.
2.4. Mildheid
en geduld tegenover Islamhaters
De regel zegt dus: wees vriendelijk tegenover alle niet-muslims. Het
toepassingsgebied zegt: pas deze regel toe in alle omstandigheden,
behalve tegenover diegenen die jullie voor jullie godsdienst vervolgen.
Ook volgend vers sluit daarbij aan:
"Jullie die
geloven! Neem Mijn en jullie vijanden niet als medestanders waarbij
jullie hun blijken van genegenheid geven. Zij hechten geen geloof aan
de waarheid die tot jullie gekomen is en zij verdrijven de gezant en
jullie omdat jullie in God, jullie Heer, geloven. (Koran
60:1)
Dit vers handelt over een
situatie van godsdienstvervolging waarbij de 'heidense' inwoners van
Mekkah de muslims vervolgden omwille van hun geloof ("omdat jullie in
God geloven"). Het lijkt nogal logisch dat de Koran adviseert geen
vriendschapsbanden aan te gaan met diegenen die muslims omwille van hun
geloof vervolgen. Immers:
"... zij zullen
niet nalaten jullie verderfelijke schade te berokkenen. Zij zouden voor
jullie graag onheil willen. De haat blijkt openlijk uit hun monden,
maar wat hun binnenste verbergt is erger." (Koran 3:188)
Echter, zelfs tegenover
diegenen die de Islam vijandig gezind zijn wordt mildheid
voorgeschreven, en wordt muslims aangeraden hoop te koesteren want:
"Misschien dat God
tussen jullie en hen die jullie als vijand beschouwen genegenheid zal
brengen, God is Almachtig, en God is Vergevend en Barmhartig".
(Koran 60:7).
De gemeenschap
van muslims wordt in de Koran getypeerd als een "gemeenschap van de
middenweg". [6]
Extremen worden te allen tijde geschuwd, ook in de
reactie tegenover mensen die vijandig staan tegenover de Islam:
"Haat uw vijand op
milde wijze, hij kan op een dag uw vriend worden."
(Uitspraak door Profeet Mohamed, gemeld door al-Tirmidhi).
In plaats van verhitte discussies aan te gaan die de gemoederen
nog meer kunnen opjagen, raadt de Koran aan zulke potentiële
conflicten te vermijden. Muslims
wordt voorgeschreven niet in te gaan op provocaties, ze gewoon te
negeren, en af te wachten tot het gesprek bij een ander onderwerp
aanbelandt:
"Wanneer jij hen
ziet die onze tekenen bespotten, wend je dan van hen af totdat zij op
een ander gesprek overgaan..." (Koran 6:68)
In afwachting van een wending
van het gesprek, wordt muslims voorgeschreven geduld te beoefenen en
God te gedenken:
"Verdraag wat zij
zeggen dus geduldig en prijs de lof van jouw Heer ..."
(Koran 50:39)
Muslims wordt overigens
algemeen voorgeschreven gedrag telkens te beantwoorden met gedrag dat
beter is. Op die manier, zal je vijand uiteindelijk je vriend worden,
zegt de Koran:
"Een goede daad en
een slechte daad zijn niet gelijk. Beantwoord het slechte met iets dat
beter is. Op die manier zal uw vijand uw vriend worden. Maar het wordt
slechts aan hen die geduldig volharden aangeboden." (Koran
41:34)
2.5. Geen spot-
of scheldpartijen, geen kwaadsprekerij maar zachtmoedigheid en matiging
Muslims mogen op hun beurt anderen niet provoceren of uitschelden:
"En hoont niet hen
die zij in de plaats van God aanroepen, zodat zij God niet uit
vijandigheid en zonder kennis gaan honen." (Koran 6:108)
De Koran verbiedt hen ook
anderen belachelijk te maken - immers, enkel God kan oordelen, en
misschien zijn zij juist beter, zegt de Koran:
"Jullie die
geloven! Mensen moeten elkaar niet belachelijk maken. Misschien zijn
zij juist beter dan zij! (...) En maakt geen aanmerkingen op elkaar en
geeft elkaar geen scheldnamen. (...)" (Koran 49:11)
Een algemene gedragsregel is
dat muslims moeten zwijgen tenzij ze iets goed te zeggen hebben:
Abu Hurayrah
vertelde dat de Profeet van God zei: "Wie gelooft in God en de Laatste
Dag, laat hem zeggen wat rechtschapen is, of zwijgen. Wie gelooft in
God en de Laatste Dag, laat hem vriendelijk zijn voor zijn buur. En wie
gelooft in God en de Laatste Dag, laat hem vrijgevig zijn voor zijn
gast." (Uitspraak van Profeet Mohamed, in Saheeh Muslim)
Ze moeten in alles matiging
nastreven, ook in hun stem - ze mogen dus niet beginnen roepen:
"En wees gematigd
in je lopen en spreek met zachte stem. De afschuwelijkste stem is
immers de stem van de ezels." (Koran 31:19)
2.6. Omgang met
niet-gelovige buren: goede werken en verdraagzaamheid
In de Koran en Sunnah slaat het woord 'buren' op de mensen in de naaste
omgeving, ongeacht wie dat zijn: geloof, nationaliteit, enz. zijn van
geen tel: buren zijn buren. De voorschriften over hoe men met buren
moet omgaan, zijn dan ook van toepassing op niet-islamitische buren.
Zo moet een muslim wanneer hij het goed stelt, er voor zorgen dat zijn
(gelovige of niet-gelovige) buren geen honger hebben. Doet hij dat
niet, dan vervalt hij zelfs in ongeloof:
"Hij die eet tot
hij gevuld is terwijl zijn buur naast hem honger heeft, is geen
gelovige" (Uitspraak van Profeet Mohamed, in Saheeh Bukhari)
Een welstellende muslim moet
met andere woorden van zijn rijkdom delen met zijn (eventueel
niet-islamitische) buren. Doet hij dat niet, dan effent hij zijn eigen
pad naar de hel.
Muslims mogen niemand schade berokken, dus ook niet hun buren. Een
muslim die bidt en vast, maar zijn (gelovige of niet-gelovige) buren
zelfs maar beledigt, wordt eveneens de hel toegezegd:
Een man vroeg! "O
Booschapper van God! Er is een vrouw die bidt, aan liefdadigheid doet
en vaak vast, maar ze kwetst haar buur met haar woorden (door hem te
beledigen)." De Boodschapper van God zei: "Ze zal naar de Hel gaan". De
Man zei: "O Boodschapper van God! Er is een andere vrouw die bekend
staat voor hoe weinig zij vast en bidt, maar ze geeft aan goede werken
van de gedroogde yoghurt die ze maakt, en ze doet haar buren geen
kwaad.". Hij zei: "Zij zal naar het Paradijs gaan".
(Uitspraak van Profeet Mohamed, in Musnad Ahmad, gemeld door Abu
Hurayrah)
Er wordt integendeel een
beloning in het vooruitzicht gesteld voor een Muslim die geduldig een
lastige buur verdraagt:
"De Boodschapper
van God zei: Er zijn er drie die God liefheeft... (een van hen is) hij
die een buur heeft die hem stoort, maar die dat geduldig verdraagt tot
ze gescheiden worden door de dood of tot een van hen verhuist"
(Uitspraak van Profeet Mohamed, in Musnad Ahmad, gemeld door Abu Darr)
2.7. Afwijzen
van racisme en hoogmoed
Islam verfoeit racisme - muslims mogen zich op geen enkele grond
méér wanen dan een ander. Neerkijken op anderen
wordt geassocieerd met het pad van de Duivel, dat recht naar de hel
leidt. [7] Ook geloof is geen grond om zich superieur te
voelen. De Koran stelt dat alle mensen voor God gelijk zijn, behalve in
vroomheid en goede daden maar daarover kan alleen God oordelen. In
afwachting van dat Oordeel moeten de mensen elkaar allemaal als elkaars
gelijke beschouwen.
"O mensen! Waarlijk
jullie Heer is Eén en jullie vader (Adam) is
één. Een Arabier is niet beter dan een
niet-Arabier, en een niet-Arabier is niet beter dan een Arabier; een
blanke is niet beter dan een zwarte en een zwarte is niet beter dan een
blanke - behalve in termen van vroomheid en goede daden".
(Uitspraak van de Profeet Mohamed, gemeld door Imaam Ahmad, 22391,
al-Silsilat al-Saheeh 2700)
Met racisme samenhangende
verwaandheid wordt sterk afgekeurd:
"Wend je wang niet
hoogmoedig van de mensen af en loop niet verwaand op de aarde rond. God
bemint geen enkele ingebeelde en verwaande." (Koran 31:18)
3. Muslims
en de Ahl Al-Kitab (Mensen van het Boek)
3.1. Algemene richtlijn: benadrukken van
spirituele verwantschap
Joden, christenen en muslims aanbidden volgens de Islam allemaal
één en dezelfde God die naar alle streken
Profeten uitstuurde. Deze Profeten verkondigden een aan hen
geopenbaarde Boodschap. Van niet alle Profeten is evenwel het Boek
bewaard - maar van de Profeten van de Joden, christenen en muslims wel.
Daarom worden zij de Ahl Al-Kitab of Mensen van het Boek genoemd. Een
van de geloofsartikelen van de Islam verplicht muslims er toe zonder
onderscheid te geloven in alle door God gezonden Profeten en in alle
aan hen geopenbaarde Boeken. De oorspronkelijke Bijbel is ook voor
muslims een Heilig Boek.
[8]
"Zeg: "Wij geloven
in God, in wat naar ons is neergezonden en in wat naar Abraham,
Ishmaël, Isaak, Jacob en de stammen is neergezonden en in wat
aan de profeten door hun Heer gegeven is. Wij maken geen verschil
tussen één van hen en wij hebben ons aan Hem
overgegeven." (Koran 2:136)
De Koran beklemtoont dat
Jodendom, christendom en Islam dezelfde basisprincipes delen en
schrijft muslims voor deze spirituele verwantschap in stand te houden:
"Hij verordineert
voor jullie van de godsdienst wat Hij aan Noë had opgedragen
en wat Wij aan jou geopenbaard hebben en wat Wij aan Abraham, Moses en
Jezus hadden opgedragen. Hou de godsdienst in stand en splits jullie
niet op in groepen..." (Koran 42:13)
Wanneer muslims een dialoog
aangaan met de Mensen van het Boek (die, zoals eerder aangehaald, ook
naar de hemel kunnen gaan), worden muslims aangespoord dit op 'de beste
manier' te doen, dit wil zeggen: te vermijden de zaken zodanig aan te
pakken dat ze bitterheid, wrevel of vijandigheid kunnen opwekken:
"En twist niet met
de Mensen van het Boek behalve op de beste manier ..."
(Koran 29:46)
Muslims wordt ook
voorgeschreven het delen van de gemeenschappelijke basis en gedeelde
waarden te benadrukken, in plaats van zich toe te spitsen op de
verschillen.
(zeg...)"Wij
geloven in wat naar ons is neergezonden en in wat naar jullie
neergezonden is. Onze God en jullie God, is één.
En wij geven ons over aan Hem." (Koran 29:46)
De Koran stelt verder:
"...en je zult
merken dat zij die zeggen "Wij zijn christenen" in genegenheid het
dichtst staan bij (de muslims)". (Koran 5:82)
De Koran laat interreligieuze
huwelijken toe met de vrouwen van de Godsdiensten van het Boek - daar
is geen speciale dispensatie voor nodig. Zij worden immers beschouwd
als mensen die dezelfde God aanbidden. Ook het voedsel van de Mensen
van het Boek wordt toegestaan.
"Heden zij aan
jullie de goede dingen toegestaan. Het voedsel van hen aan wie het boek
gegeven is, is aan jullie toegestaan en ook de eerbare vrouwen van hen
aan wie voor jullie tijd het boek gegeven is..." (Koran 5:5)
3.2. Bespreking van vers 5:51
Hoe zit het dan met verzen die het tegendeel lijken te beweren, en die
zowel door islamofoben als door de kleine groep extremisten in
muslimlanden geciteerd worden om te proberen aantonen dat de Koran niet
toestaat vriendschap te sluiten met Joden en christenen, iets waar de
meerderheid van de muslims helemaal anders over denkt? Een in dit
verband vaak aangehaald vers is v.51 van Surah 5:
"O jullie die
geloven! Neemt de Joden en de christenen niet als medestanders. Zij
zijn onderling medestanders. Wie van jullie zich als medestander bij
hen aansluit, die behoort bij hen. God wijst de mensen die onrecht
plegen de goede richting niet." (Koran 5:51)
Fred Leemhuis vertaalt het
woord 'awiliya' hier als 'medestanders' - andere vertalingen hebben het
over 'vrienden'. 'Awiliya' heeft verschillende betekenissen: vrienden,
beschermers, voogden (zelfs wettelijke voogden), bondgenoten,
medestanders. Wat is nu de juiste interpretatie? Zegt het daarop
volgende vers er al iets meer over?
"Jij ziet toch dat
dat zij die in hun harten een ziekte hebben zich naar hen toe haasten;
zij zeggen: "Wij vrezen dat een wending [van het lot] ons zal treffen."
Misschien dat God succes brengt of een beschikking van zijn kant. Dan
zullen zij wroeging krijgen over wat zij in zichzelf geheim houden."
(Koran 5:52)
Vers 52 levert
een motief op: het verduidelijkt dat er een paar muslims zijn die uit
opportunisme -- ze vrezen een "wending van het lot" -- een alliantie
willen aangaan met de "Joden en christenen" van vers 51, waarin hen
verboden wordt zo'n verbond te bezegelen. Welke wending van het lot
vrezen die paar muslims? En wat staat er op het spel dat muslims die
zo'n alliantie overwegen een "ziekte van het hart" (hypocrisie dus)
aangewreven wordt?
Een relaas van de gebeurtenissen rond de openbaring van dit vers,
brengt opheldering. [9]
Voorafgaand aan dit vers, waren Profeet Mohamed en
zijn aanhangers weggetrokken van Mekka naar het 400 kilometer
noordwaarts gelegen Medina. In Mekka werden ze immers vervolgd door hun
stamgenoten omdat de machtige inwoners van Mekka, die verschillende
afgoden vereerden, vreesden dat de aanhang van Mohamed zou toenemen.
Het lucratief priesterambt voor de verering van de afgoden kwam in het
gedrang, en de heersende klasse wiens macht gebaseerd was op rijkdom
door het arm houden van grote groepen mensen, werd geconfronteerd met
leerstellingen van Mohamed die de hoogmoed van de heersers aan de kaak
stelde en die muslims ertoe aanzette rechtvaardig en eerlijk te
handelen, en te zorgen voor de zwakkeren en armen in de samenleving.
Daarom werden Mohamed en zijn volgelingen gepest, vernederd, met de
dood bedreigd. De belangrijkste stammen van Medina hadden de boodschap
die Mohamed op vreedzame wijze verkondigde, echter wèl
aanvaard, en nodigden Mohamed en zijn gevolg uit naar hun stad te
komen.
Niettegenstaande Mohamed hooguit een paar honderd volgelingen had die
intussen allemaal Mekka verlaten hadden, bleven de inwoners van Mekka
hen lastig vallen - zelfs gewapenderhand. Militair hadden de Mekkanen
het overwicht op de muslims - zij hadden ook veel bondgenoten doorheen
het Arabische schiereiland en de kans zat er dan ook in dat de muslims
deze aanvallen als gemeenschap niet zouden overleven. Uit opportunisme,
wilden een aantal leden van de muslimgemeenschap op individuele basis
bondgenootschappen aangaan met andere niet-islamitische stammen in de
regio - meerbepaald met de Joden van Mekka en een aantal Christelijke
groepen ten noorden van de stad. Op die manier wilden ze hun eigen vel
veilig stellen voor het geval de Mekkanen uiteindelijk zouden
triomferen. Deze muslims waren dus in hun hart niet begaan met de Islam
en het overleven van de vroege muslimgemeenschap, maar met hun eigen
voortbestaan.
De jonge muslimgemeenschap bevond zich in een precaire situatie: ze
werd militair bedreigd en aangevallen door een vijand die numeriek en
militair het overwicht had, in die mate zelfs dat het voortbestaan van
de islamitische gemeenschap zelf op het spel stond. En een aantal
mensen uit eigen rangen bleek, om het zacht uit te drukken, niet erg
begaan met het lot van de muslimgemeenschap.
Op zo'n moment was het noodzakelijk de rangen binnen de
muslimgemeenschap te sluiten, en te zorgen voor volledige
eensgezindheid. De houding van sommige muslims, die om hun eigen
overlevingskansen te verhogen, bereid waren op individuele basis
bondgenootschappen te sluiten met een aantal lokale groepen die evenmin
begaan waren met het overleven van de islamitische leer, zou de
muslimgemeenschap veel verzwakken. Muslims die zulke allianties aangaan
zouden niet meer geneigd zijn zich nog te verzetten tegen de militaire
aanvallen van de Mekkanen vermits ze hun zaakjes al geregeld hadden in
geval de Mekkanen zouden overwinnen. Zo'n houding zou de moraal van de
muslimgemeenschap breken, haar slagvaardigheid verzwakken en de
overlevingskansen van de Islam ernstig hypothekeren.
De traditie wil dat in die omstandigheden, de verzen 5:51-52
geopenbaard werden. Het gaat hier om een zeer specifieke situatie uit
de geschiedenis van de prille islamitische gemeenschap die in een
existentiële crisissituatie terechtgekomen was. Wanneer het
voortbestaan van de algehele Ummah (de wereldwijde gemeenschap van alle
muslims) en de Islam zèlf op het spel staat, waarschuwt dit
vers ervoor dat muslims die in die omstandigheden hun eigen vel
proberen redden, ten koste van het voortbestaan van de Islam, eigenlijk
slechts muslims in naam zijn, hypocrieten met een 'ziekte van het
hart'. Met wie zij daarvoor allianties willen aangaan - Joden,
christenen of wie ook - maakt niet uit. Het is de manier van handelen
die aan de kaak gesteld en verboden wordt.
In het licht van eerdere algemene regels, gaat het hier duidelijk niet
om een algeheel verbod op het omgaan met christenen of Joden. De verzen
5:51-52 spreken de algemene regel om vriendelijk, attent, respectvol om
te gaan met Joden en christenen ook niet tegen. De Koran wijst er
overigens op dat er onder de Joden en de christenen gelovigen zijn die
naar de hemel zullen gaan, maar ook mensen die niet volgens hun geloof
leven en dus in de hel zullen terechtkomen. Hetzelfde geldt overigens
voor muslims: ook daar zitten gelovigen en ongelovigen tussen.
[10]. Welke reden zou de Koran dan kunnen hebben om in
het algemeen vriendschap te verbieden met mensen die ook naar de hemel
zullen gaan?!
"Onder de mensen
van het boek zijn er die in God geloven, in wat naar jullie is
neergezonden en in wat tot hen is neergezonden, terwijl zij zich
deemoedig aan God onderwerpen. Zij verkwanselen Gods tekenen niet. Zij
zijn het voor wie hun loon bij hun Heer is. ..." (Koran
3:199)
4. Het statuut van de Ahl Ad-Dhimmah
In de vroege islamitische geschriften worden niet-muslims die in een
islamitische staat wonen dhimmi's of Ahl Adh-Dhimmah genoemd, dit wil
zeggen: 'Beschermde Mensen'. Profeet Mohamed en de gemeenschap van de
muslims sloten met hen immers een verbond waardoor hun veiligheid in
een islamitische staat gegarandeerd werd. Daarom worden zij ook de Al-Mu’ahiddum genoemd, de 'Houders van een Convenant'.
Aanvankelijk gold het statuut van de Ahl Ad-Dhimmah enkel voor Joden en
christenen; later werd het uitgebreid naar andere religieuze
minderheden.
Profeet Mohamed benadrukte de plichten van muslims tegenover dhimmi's,
en bedreigde iedereen die hen schade zou toebrengen met de toorn en de
bestraffing door God in die mate dat zulke muslims zelfs alle hoop op
een verblijf in het paradijs mochten vergeten. Mohamed beloofde dat hij
op Oordeelsdag de persoonlijke vijand zou zijn van muslims die dhimmi's
krenken. Een paar ahadith (uitspraken van Profeet Mohamed)
verduidelijken dit:
"Diegene die een
dhimmi kwaad toebrengt, en hij die mij kwaad toebrengt, ergert God" (gemeld
door At-Tabarani in Al-Awsat)
"Iemand die een dhimmi doodt, zal zelfs niet de
geur van het Paradijs ruiken." (eveneens gemeld door
At-Tabarani in Al-Awsat)
"Wie een dhimmi kwaad toebrengt, van hem ben ik
de vijand, en ik zal zijn vijand zijn op de Oordeelsdag."
(gemeld door Al-Khatib)
"Op de Dag van het Oordeel zal ik twist leveren
met iedereen die een persoon van onder de Mensen van het Convenant
onderdrukt, zijn rechten breekt, die hem verantwoordelijkheden geeft
die zijn krachten teboven gaan, of die hem iets ontneemt tegen hun wil."
(Gemeld door Abu Dawood).
Verschillende islamitische
juristen benadrukten de rechten en onschendbaarheden die de Dhimmah op
grond van de ahadith genieten:
"Het convenant van
bescherming legt aan ons zekere verplichtingen op tegenover Ahl
Adh-Dimmah. Zij zijn onze buren, onder onze beschutting en bescherming
met de garantie van God, Zijn Boodschapper, vrede zij met hem, en de
godsdienst van de Islam. Wie ook deze verplichtingen tegen
één van hen schendt, door zijn reputatie te
schaden, of door hem een lestel te berokkenen, heeft het Convenant van
God en Zijn Boodschapper, vrede zij met hem, verbroken, en zijn gedrag
botst met de leerstellingen van de Islam". (Al-Furooq, door
Al-Qarafi)
Ibn Hazm stelt dat wanneer
een dhimmi in een islamitisch land bedreigd wordt door een vijand, muslims verplicht zijn deze vijand te bevechten. Zij mogen de
dhimmi's
ook niet uitleveren:
"Wanneer een dhimmi
bedreigd wordt door een vijand, is het uw verplichting de vijand te
bevechten met wapens en soldaten, zodoende het Convenant van God en
Zijn Boodschapper, vrede zij met hem, respecterend. Hem aan de vijand
over dragen zou verraad van de garantie betekenen" (Maratib
Alijma', door Ibn Hazm.)
In de praktijk moesten
dhimmi's Jizyah (een soort taks) betalen aan de staat, in ruil waarvoor
zij van de staat bescherming genoten en in vrijheid hun geloof konden
beleven. Imam Ali zei:
"Waarlijk, door het
geven van Jizyah, wordt hun welvaart zo waardevol als de onze en hun
bloed zoals het onze."
De Jizyah was
geen boete voor hun 'ongeloof', maar wel een bedrag dat betaald werd in
ruil voor bescherming door de Staat tegen al wie hen zou kunnen
onderdrukken of schade berokkenen (muslims en niet-muslims).
In de vroege periodes stelden de dhimmi's het zeer goed in de
islamitische staat. Hun zaken floreerden en zij beschikten over een
hoge mate van vrijheid terwijl ze tegelijk bescherming genoten van de
staat en van de islamitische gemeenschap. Later werd het statuut soms
verkeerd toegepast en misbruikt om dhimmi's als minderwaardige burgers
te beschouwen. Het statuut blijft ook vandaag voorwerp van
uiteenlopende interpretaties waarbij sommige muslims dhimmi's beschouwen
als tweederangsburger, terwijl anderen argumenteren dat ze volwaardige
burgers zijn, met dezelfde rechten en plichten als muslims.
[11].
5. Jihad?
Zijn muslims dan niet verplicht een 'Heilige Oorlog' te voeren tegen
alle ongelovigen, in het bijzonder tegen diegenen die zich in het 'Huis
van de Oorlog' bevinden?
Vooreerst, betekent Jihad niet 'Heilige Oorlog', maar streven om het
beste te doen. Geloof is in de Islam niet voldoende, men moet het
geloof ook uiten in daden. Alles wat het geloof in daden omzet, is
eigenlijk jihad. Een boek schrijven over de Islam, boodschappen doen
voor een bejaarde dame, zich inzetten voor een betere samenleving,
sleutelen aan de eigen persoonlijkheid om rechtvaardig en geduldig te
zijn, dit alles is Jihad. Wanneer een muslimstaat aangevallen wordt kan
het onder zeer strikte omstandigheden en nadat alle andere middelen
uitgeput zijn, toegestaan zijn zich gewapenderhand te verdedigen. Dit
is dan ook Jihad. Jihad is dus zeker geen 'heilige oorlog' in de zin
van een oorlog om het geloof met geweld te verspreiden. Het is muslims
ten andere verboden aan zo een onderneming deel te nemen.
Wat jihad precies inhoudt en aan welke regels dit onderworpen is, wordt
uitvoerig gemotiveerd aan de hand van de Koran en de Sunnah in de tekst
over "Jihad, geloof in woord en daad" [13].
In samenhang met jihad wordt ook gezwaaid met termen als Dar al-Harb
(Huis van de Oorlog) en Dar al-Islam (Huis van de vrede). Deze termen
komen niet uit de Koran of de Sunnah - het gaat hier dus niet om een
primair geloofspunt. Het zijn de geleerden van de Hanafi Fiqh school
(één van de rechtsscholen van de Islam) die deze
termen in het leven riepen. Zij deelden de wereld op een een Huis van
de Vrede (gebieden onder islamitisch bewind) en een Huis van de Oorlog
(alle andere landen) waarbij onder sommige omstandigheden gewapende
Jihad tegen het Huis van de Oorlog werd toegestaan. Andere Fiqh scholen
zijn het daar echter niet mee eens, en tal van hedendaagse geleerden
vinden deze opdeling totaal achterhaald, onaanvaardbaar en ontoepasbaar
op de huidige complexe wereld. Om zo een Jihad uit te roepen zou er
overigens een overkoepelend gezag moeten zijn dat kan bepalen wat Huis
van de Vrede en Huis van de Oorlog is, en dat de gewapende strijd
officieel kan uitroepen. De Ummah (wereldwijde islamitische
Gemeenschap) is echter geen kalifaat - er bestaat geen centraal
overkoepelend gezag, er is met andere woorden geen soort Vaticaan voor
de Islam. Er is dan ook niemand die deze gebieden zou kunnen
definiëren, en bijgevolg kan ook niemand zulk een Jihad
uitroepen. Ja, af en toe is er een handvol extremisten dat een eigen
Jihad uitroept op grond van een verwrongen lezing van de Koran waarmee
ze hun politieke agenda willen legitimeren. Het merendeel van de
muslims zal deze Jihad als volslagen onwettig bestempelen. Als het
Katholieke IRA een bommencampagne voerde, leidde toch ook geen mens
daaruit af dat de Bijbel aanzet tot geweld en alle christenen
gewelddadig zijn? Net zo min kan men de handelswijze van een een
handvol extremisten in de muslimwereld veralgemenen tot "de Islam".
Sommige hedendaagse geleerden introduceren nieuwe 'huizen' om de
complexere wereld te beschrijven, anderen geven nieuwe invullingen aan
bestaande concepten. Zo stelt Dr Zafarul-Islam Khan [12]
dat het essentiële historische verschil
tussen het 'Huis van de Oorlog' en 'Huis van de Vrede' erin bestond dat
in het 'Huis van de Vrede', de Shari'ah gold waardoor muslims er vrij
en veilig hun geloof konden beleven, terwijl het 'Huis van de Oorlog'
vaak wetteloze regio's waren waar muslims onderworpen waren aan de
grillen van locale despoten. Op grond van die logica, kan enerzijds een
Dar al-Islam (Huis van de Vrede, Huis van de Islam) onderscheiden
worden, als al deze gebieden waar muslims vrij en veilig hun geloof
kunnen beleven - ongeacht door wie het land geleid wordt, muslim of
niet-muslim. Westerse landen behoren in die optiek tot het Dar
al-Islam, terwijl een aantal door muslims geleide landen daar niet
noodzakelijk toe behoren. Daartegenover staat dan het 'Dar al Kufr',
het Huis van Ongeloof, omschreven is als die gebieden waar geen
godsdienstvrijheid geldt en waar muslims hun geloof niet vrij en veilig
kunnen beleven (ook als het land geleid wordt door een muslim).
Zelfs al zou men echter de oude Hanafi opvattingen aanhouden, zelfs al
zou er binnen de Islam momenteel een overkoepelende autoriteit bestaan
die kan bepalen wat Dar al-Harb is, en zelfs al zou die autoriteit een
officiële jihad uitroepen, dan nog hebben muslims geen enkele
toestemming om ongelovigen te doden omwille van hun ongeloof. Ook dit
wordt geanalyseerd in eerdergenoemde tekst over "Jihad, geloof in woord
en daad".
6. Moeten muslims ongelovigen dan niet doden?
Bespreking van enkele verzen
6.1. Verzen
8:11, 8:39 (2:193) en 8:60
Een vers dat door nogal wat Islambashers geciteerd wordt is het
volgende:
"En strijd tegen
hen tot er geen fitnah meer is en de gehele godsdienst God toebehoort."
(Koran:8:39)
Dit vers 'bewijst' volgens
islamofoben 'zwart op wit' dat de Koran muslims opdraagt iedereen met
dwang de Islam op te leggen (of hen bij weigering om te brengen), en
dit totdat heel de wereld muslim is. Is dat wat hier staat? Welneen,
het gaat zelfs om het tegendeel.
Wat was hier gebeurd? Surah 8 van de Koran met als titel Al-Anfaal (De
Buit), werd geopenbaard na de strijd om Badr. Het was de eerste
veldslag tussen muslims en de Kafirun (Ongelovigen) van Mekka die de
muslims vervolgden omwille van hun geloof:
“Dat is
omdat zij God en zijn gezant tegenwerken” (Koran
8:13)
De Islam is een model dat
alle aspecten van het leven bestrijkt, en de Koran grijpt de strijd om
Badr aan om een een aantal regels van oorlogsvoering en
vredesonderhandelingen in te stellen opdat ook in zulke omstandigheden
geen plaats zou zijn voor willekeur en wetteloosheid.
De Quraish, de machtigste familie van Mekka, had een prijs op het hoofd
van Mohamed gezet. Dit was een van de redenen waarom Mohamed en zijn
gezelschap de stad ontvlucht waren. De muslimgemeenschap bestond toen
nog maar uit een paar honderd man, en het overleven van de godsdienst
hing dus af van een kleine groep mensen die op het punt stond
aangevallen te worden door een overmachtige vijand. Vers 8:38 draagt de
muslims op alvorens naar de wapens te grijpen om zich te verdedigen,
eerst nog een ultieme poging te ondernemen om vrede te onderhandelen.
Gewapend verzet is altijd de allerlaatste optie in de Islam. Met moet
altijd eerst alle andere opties uitputten:
“Spreekt
tot hen die ongelovig zijn. Als zij ophouden, dan zal hun wat zij
eerder deden vergeven worden ..." (Koran 8:38)
Met 'ongelovigen' wordt hier
de Quraish-stam bedoeld, mensen die de muslims aanvallen omwille van
hun geloof. Godsdienstvervolgers dus. De Quraish hadden een numeriek
overwicht op de muslims van 2 tegen 1, en om wat indruk te maken bij de
onderhandelingen en er slagvaardiger uit te zien dan ze in
werkelijkheid zijn, raadt de Koran de muslims aan al hun middelen te
etaleren:
"En maak tegen hen
zo goed als jullie kunnen de bewapening en de inzetbare paarden gereed
om Gods vijand en jullie vijand daarmee vrees aan te jagen..."
(Koran 8:60)
Het gaat hier
uiteraard niet om een algemene regel om alle niet-muslims vrees aan te
jagen maar wel om de voorbereiding voor een onderhandeling vanuit een
nadelige positie met een vijand die de muslimgemeenschap vervolgt
omwille van haar geloof.
De onderhandelingen leveren echter niets op, en de muslims maken zich
op voor de strijd tegen een vijand die van plan is hen allemaal uit te
roeien. De situatie ziet er niet bepaald goed uit voor de muslims. Zij
roepen dan ook Gods hulp in, die volgens de Koran Engelen naar hen
toestuurde om de rangen van de muslims te versterken tegen de numerieke
overmacht van de Quraish. [14]
"Toen jullie je
Heer om hulp vroegen en Hij jullie verhoorde: "Ik versterk jullie met
duizenden engelen die achter elkaar aan komen." (Koran 8:9)
De Engelen (niet de muslims)
krijgen van God de opdracht op het slagveld de Quraish, die van plan
waren alle muslims te doden omwille van hun geloof, om te brengen of te
verwonden:
"Toen jouw Heer aan
de engelen openbaarde: "Ik ben met jullie, sterkt dus hen die geloven.
Ik zal de harten van de ongelovigen schrik aanjagen. Houwt dan in op de
nekken en houwt hen op al hun vingers". (Koran 8:12)
Van de muslims wordt
verwacht:
"En strijd tegen
hen tot er geen fitnah meer is en de gehele godsdienst God toebehoort."
(Koran:8:39)
De betekenis van het Arabisch
woord fitnah is: test, bedreiging, burgeroorlog, tumult, enz. In
Koranische zin is het een bedreiging voor (het voortbestaan van) het
geloof. In authentieke geschriften wordt uitgelegd wat in dit vers
bedoeld wordt met "strijd tot er geen fitnah meer is":
Muhammad bin Ishaq
zei dat hij door Az-Zuhri, `Urwah bin Az-Zubayr en andere geleerden
geïnformeerd was dat "tot er geen Fitnah meer is", betekent:
tot geen Muslim nog vervolgd wordt zodat hij zijn godsdienst opgeeft.
In dit vers wordt met andere
woorden gesteld dat muslims moeten strijden voor het verwerven van
godsdienstvrijheid! En is dat nu niet precies het tegendeel van wat de
islamofoben er proberen van maken?
Over het gedeelte "en [tot] de gehele godsdienst God toebehoort", waar
islamofoben van maken dat muslims hier opgedragen wordt te "vechten"
tot heel de wereld islamitisch is, stellen de overleveringen:
Ad-Dahhak meldde
dat Ibn `Abbas over God's woorden (en de gehele godsdienst God
toebehoort) zei: "Zodat Tawhid beoefend wordt in oprechtheid met God. "
Al-Hasan, Qatadah en Ibn Jurayj zeiden (zodat de gehele godsdienst
alleen voor God zal zijn) "zodat La ilaha illa-llah verkondigd wordt".
Muhammad bin Ishaq gaf ook commentaar bij dit vers, "Zodat Tawhid
beoefend wordt in oprechtheid met God, zonder Shirk, onderwijl alle
rivalen schuwend (die) naast God (aanbeden worden)".
`Abdur-Rahman bin Zayd bin Aslam zei over (en dat de gehele godsdienst
God toebehoort) "Zodat er geen Kufr (ongeloof) meer in uw godsdienst
overblijft".
Wat staat hier met andere
woorden? Dat muslims moeten strijden tot de hele wereld muslim is?
Natuurlijk niet. Het gaat hier niet om wat er met de wereld gebeurt,
wel om wat er gebeurt tussen de (prille) muslimgemeenschap en diegenen
die hen vervolgen. En wat muslims hier opgedragen wordt, is dat ze
moeten strijden voor hun godsdienstvrijheid, voor een situatie waarin
ze zelf hun Islam kunnen beleven, en wel zodanig dat ze niet verplicht
worden gebruiken aan te houden die tegen de Islam ingaan. In de vroege
jaren had Mohamed maar een paar honderd volgelingen. In die periode,
moest zo snel mogelijk de grondslag van de hele Islam gelegd worden -
daar had men geen paar honderd jaar tijd voor, hooguit een jaar of 20,
tot de Profeet zou overlijden. Daarom was het belangrijk in de strijd
tegen de Quraish die het voortbestaan van de Islam voortdurend
bedreigde, uiteindelijk te gaan tot op het punt dat er een akkoord over
volledige godsdienstvrijheid zou komen die het de muslims mogelijk zou
maken hun Islam ten volle te definiëren en te beleven - tot
hun eigen geloof helemaal God toebehoort. Stel dat de Quraish zouden
voorstellen de strijd te staken op voorwaarde dat de muslims één van hun afgoden
zouden aanbidden, zo'n situatie wordt door dit vers onaanvaardbaar
gemaakt. Muslims wordt hier
dus voorgeschreven een situatie na te streven waarin ze hun geloof vrij
van Shirk en Kufr konden beleven. Het gaat om het nastreven van een
situatie waarin ze hun eigen geloofsbeleving kunnen ontdoen van alle
vormen van Shirk en Kufr, om een uitzuiveren van de eigen Islam. Dat
heeft helemaal niets te maken met het doden van alle ongelovigen
omwille van hun ongeloof - het heeft niets te maken met de ongelovigen
tout court. Het gaat om hoe de muslims hun geloof beleven.
Tegelijk draagt de Koran als regel van de krijgswet op dat zodra de
vijand vrede voorstelt, men daarin meegaan. Zolang het muslims niet
verplicht tegen hun geloof in te gaan (vers 8:39), is het in orde.
“En als
zij geneigd zijn tot vrede, wees daar dan ook toe geneigd en stel je
vertrouwen op God." (Koran 8:61)
De regel die in 8:39
gevestigd wordt komt nog eens voor in de Koran, met name in 2:193
"Strijd tegen hen
tot er geen verzoeking meer is en de godsdienst alleen God toebehoort."
(Koran 2:193)
Het tweede deel van dit vers
luidt:
"Als zij ophouden,
dan geen vergelding meer, behalve tegen de onrechtplegers". (Koran
2:193)
Opnieuw komt de instructie
tot rechtvaardigheid onmiddellijk boven drijven: van zodra de vijand
ophoudt met aanvallen en de godsdienstvrijheid bereikt is: geen
vergelding meer. Behalve voor de onrechtplegers, want wie onrechtmatige
zaken deed in oorlogstijd moet zich daarvoor verantwoorden. Een
oorlogssituatie is geen vrijgeleide voor wetteloosheid.
Er wordt in al deze verzen duidelijk nergens gesteld dat men moet
vechten tot alle vijanden vermoord zijn, en al evenmin tot iedereen
onder dwang zou moeten aansluiten bij de Islam. Integendeel, dergelijke
praktijken worden uitdrukkelijk verboden. Wat muslims wel opgedragen
wordt, is te strijden voor godsdienstvrijheid - ook voor het beleven
van hun eigen godsdienst - maar er wordt steeds bij gezegd dat ze
daarin rechtvaardig te werk moeten gaan, en niet mogen overdrijven.
"En bestrijdt op
Gods weg hen die jullie bestrijden, maar overtreedt de grenzen niet,
God bemint de overtreders [van de grenzen] niet."(Koran
2:190).
Merk op hoe het ook hier weer
om defensie gaat ("bestrijdt ... hen die jullie bestrijden"). Een
offensief is niet toegestaan.
6.2. Vers 47:7
Nog zo'n vers waar islamofoben mee uitpakken is het volgende:
"En wanneer jullie
hen die ongelovig zijn [in de strijd] ontmoeten, sla hen dan dood, maar
wanneer jullie dan de overhand over hen verkregen hebben boeit hen dan
stevig vast, hetzij om hen later als gunst vrij te laten, hetzij om hen
los te laten kopen, wanneer de lasten van de oorlog zijn afgelegd. ..."
(Koran 47:4)
Islamofoben maken hiervan dat
de Koran muslims de opdracht geeft alle ongelovigen die men tegenkomt
te vermoorden. Maar is dat wat hier staat? Raadplegen van de Sunnah van
Mohamed leert dat het vers geopenbaard werd naar aanleiding van de al
eerder ter sprake gekomen strijd om Badr, een slag die in de Koran
aangegrepen wordt om regels van de krijgswet te verduidelijken. De
regel die in dit vers gevestigd wordt is dan ook enkel van toepassing
op een vijand op het slagveld van een oorlog ("in de strijd"). Het gaat
niet om wat er moet gebeuren wanneer men in het dagelijks leven ergens
een ongelovige tegenkomt, maar wel over hoe men zich tijdens een oorlog
in het heetst van de strijd tegenover een vijand moet gedragen, een
vijand die bij de slag om Badr toevallig uit ongelovigen bestaat maar
dat is bijkomstig.
De hoofdregel in de Islam is dat alle leven heilig is. De Koran stelt
dat wie iemand doodt, "het is alsof hij de hele mensheid heeft gedood"
(Koran 5:32). Als hierop geen uitzondering zou gemaakt worden, zou een
muslim zich op het slagveld moeten laten doden zonder enig verweer.
Daarom werd vers 47:4 geopenbaard, als uitzondering op de algemene
regel die doden verbiedt: in een oorlogssituatie kan het doden van de
vijand onder bepaalde omstandigheden toegestaan zijn. Het vers
verduidelijkt dat dit onder meer het geval is wanneer het om logistieke
of militaire redenen niet mogelijk is de vijand gevangen te nemen. Het
doden van een vijand in oorlogstijd, is op zich evenwel geen algemene
oorlogsregel, want hetzelfde Koranisch vers bepaalt dat zodra het
mogelijk is, de vijand gevangen genomen moet worden en niet gedood mag
worden.
De krijgswet wordt in de Koran in alle details uiteen gezet. In de
eerdere bespreking van andere verzen kwam bijvoorbeeld de bepaling naar
voor die muslims verplicht mee te gaan in een vredesvoorstel van de
vijand. In het Westen is de krijgswet niet van toepassing op het
burgerlijk leven en omgekeerd. Dat is in de Islam niet anders. De
verzen die op oorlogsvoering slaan, zijn niet van toepassing op hoe
burgers met elkaar horen om te gaan. Dit vers zegt dan ook niets over
hoe muslims in hun dagelijks leven horen om te gaan met niet-muslims.
Epiloog
Islamofoben houden bij hoog en bij laag staande dat de Koran
muslims
opdracht geeft ongelovigen met dwang tot de Islam te bekeren, en als
dat niet lukt hen te vermoorden. Uit de bespreking van de Koran en de
Sunnah is duidelijk geworden dat van die voorstelling van de zaken geen spaander
overeind blijft. Muslims wordt integendeel voorgeschreven
attent, respectvol, rechtvaardig, verdraagzaam en geduldig om te gaan
met niet-muslims. Het niet naleven van die voorschriften leidt een
muslim zelfs naar de hel.
Een aantal Koranische verzen die op het eerste gezicht iets anders
willen zeggen, blijken na grondige analyse een betekenis te hebben die
deze algemene omgangsregels niet tegenspreekt, maar juist bevestigt.
Islamofoben citeren zulke verzen nochtans met niet aflatende ijver om
mensen te proberen overtuigen van 'het ware gelaat' van de Koran.
Daarmee tonen ze natuurlijk in de eerste plaats hun eigen ware gelaat,
en leggen ze hun eigen discours van het prediken van haat bloot. Om
angst, haat en verdeeldheid te zaaien, zijn blijkbaar alle middelen
goed, ook een verkeerde voorstelling van een Boek dat voor een miljard
mensen een Heilige, van God gezonden leidraad is voor een vreedzaam
leven in harmonie met andersdenkenden.
Anderzijds zijn er ook de extremisten in de muslimwereld die zich van
een verkeerde voorstelling van zulke verzen bedienen om hun politieke
agenda van onverdraagzaamheid een religieuze legitimiteit te proberen
geven. Ook zij vallen met een gedegen analyse van de Koran en de Sunnah
door de mand.
