MOSLIMS IN
DE EUROPESE, I.C. BELGISCHE, LEKENSTAAT
6. Internationale organisaties & transnationale bewegingen:
Zoals hierboven al opgemerkt, de ideologische of religieuze zwaartepunten
van de wereldislam liggen buiten Europa. Wat de soennitische islam betreft,
gaat het meer bepaald om een 4-tal landen:
-
Saoedi-Arabië, met zijn wahhabitisch establishment; reikwijdte, via de Râbita:
mondiaal;
-
Egypte: het officiële, religieuze establishment van de oude al-Azhar, in
Caïro, nog altijd de grootste islamitische universiteit en hoofdautoriteit
voor het soennisme; daarnaast en
gedeeltelijk in verzet ertegen, de Moslimbroederschap;
-
Pakistan, of iets
breder: voormalig Brits-Indië, met z'n vele religieuze instituten en
netwerken van medreses, maar
vooral als regio waar tal van hedendaagse, transnationale islamitische bewegingen hun
historische wortels hebben; en
-
Turkije, met de officiële Diyanet-islam, versus de minder of meer
oppositionele, islami(s)tische bewegingen en oude of nieuwe
broederschappen; reikwijdte: de gehele
Turkstalige wereld, tot aan China, maar ook Zuidoost-Europa en de
emigratie in het Westen (W-Europa, de VS, Australië...).
Alle transnationale organisaties of bewegingen die we hieronder
zullen bespreken, hebben een "oorspronkelijke" relatie met één (of meer) van deze landen.
Die relatie kan echter ook antagonistisch zijn: wegens het autoritaire beleid van de regimes in de moslimlanden, ook op religieus
vlak, zijn westerse landen
in de laatste decennia van de vorige eeuw een toevluchtsoord geworden voor
allerlei oppositiebewegingen (die daardoor
tegelijkertijd een transnationaal karakter kregen). Deze laatste hebben
op die manier vaak een belangrijke rol gespeeld in de éérste fase van de opbouw van
moslimgemeenschappen in West-Europa (wat dan officiële initiatieven
vanwege de regimes van de landen van herkomst heeft uitgelokt of gestimuleerd).
Volledigheidshalve moet nog vermeld worden dat ook het Lybië van "kolonel" Qadhafi
geprobeerd heeft een internationale rol te spelen (op basis van een combinatie van een progressief arabisme en islam,
waarbij de klemtoon viel op de Koran, ten koste van de Sunna: cf. het "Groene
Boekje") en aldus weerwerk te bieden tegen het conservatisme van
Saoedi-Arabië; de reikwijdte echter van de daartoe opgerichte internationale organisatie, "Islamic
Call Society", is eerder beperkt gebleven (vooral subsaharisch Afrika;
eerder minimaal in W-Europa).
Voor de mondiale shi'itische minderheid, tenslotte, wordt de ideologisch leidinggevende rol vanzelfsprekend gespeeld
door de Islamitische Republiek Iran. De overgrote meerderheid van de Iraanse bevolking behoort tot de zgn. twaalver-shi'a (cf.
zij wachten op de terugkeer van de twaalfde "Imam", die begin 10de eeuw
verdween in de "grote verborgenheid"). Hiervan bestaan er
ook grote gemeenschappen in Irak, Libanon en Azerbeidjan; kleinere
gemeenschappen o.m. in Saoedi-Arabië, Pakistan en India. Naast de
Twaalvers (Duodecimanen),
weliswaar, zijn er binnen de shi'a ook nog de kleinere gemeenschappen
van zaydieten (Jemen) en isma'ilieten (over de heropstanding van deze
laatsten, in Centraal-Azië, na de val van de Sovjetunie, zie bv. URL:
http://asiecentrale.courriers.info/article0049.html ). Voor een
kaartje van het mondiale shi'isme, dat in De Standaard Online werd geboden
(maar Saoedi-Arabië wordt hierbij ten onrechte vergeten),
klik hier.
In de eerste decennia na de revolutie (1979) is Iran onder
het charismatisch leiderschap van Khomeini
een tijd lang in concurrentie getreden met Saoedi-Arabië voor de ideologische hegemonie over de moslimwereld
(zie bv. Khomeini's beruchte fatwa over Salman Rushdie, die in deze
context moet gesitueerd worden; ook de strijd tegen het bezettingsleger
van de Sovjetunie in Afghanistan). Echt succes heeft het daarin niet
gekend. Vandaag, met president Mahmud Ahmadi-Nejad en de nucleaire
ontwikkeling van Iran (ook: het succes van Hezbollah, in de strijd tegen
de Israëlische agressie, midden 2006), lijkt zich een herhaling voor te
doen.
6.1. Organisaties afhankelijk van vreemde mogendheden:
Vermelding
verdienen hier bovenal de Diyanet en de Râbita,
de eerste voor haar evident belang voor de Turkse emigratie, de tweede als een
mondiaal islamitisch organisme dat de belangen dient van Saoedi-Arabië.
6.1.1. De
Diyanet [uitspraak: diejanet, j zoals in "Jan"]:
dwz het Turkse "Presidium voor Godsdienstzaken", in het Turks:
"Diyanet İşleri
Başkanlığı",
vandaar afgekort: "Diyanet" (afgeleid van het
Arabisch, betekent dit woord zoveel als
"godsdienst"). In de praktijk zouden we van
"Turkse staatskerk" kunnen spreken, mocht dat geen al te foutieve associaties
oproepen: de
Diyanet wordt immers niet geleid door een clerus maar door leken. De officiële Turkse islam, die door de
Diyanet
aldus georganiseerd en geleid wordt, is een exclusief soennitische islam
(tevens, wat de gevolgde rechtsschool betreft, hanafitisch van strekking).
6.1.1.1. De Diyanet is een
rechtstreeks product
van de val van het Osmaanse rijk en de uitroeping van de Turkse Republiek (de
Türkiye Cumhuriyeti), op 29 oktober
1923. De oprichting van de Diyanet volgde al op 3 maart 1924 en
gold voor de jonge staat als een burocratisch alternatief voor het
"spirituele" Kalifaat, dat op precies dezelfde dag werd
afgeschaft. Binnen het kader van de
zogenaamde
"laiklik", of Turkse lekenstaat (het Turkse woordje "laik"
is een directe kopie van het Franse "laïc"), waarbij de
Osmaanse shariat werd
afgeschaft en vervangen door (een aangepaste versie van) het Zwitsers familierecht,
heeft het Presidium als omvattende taak:
“het uitvoeren
van de werkzaamheden die verband houden met de geloofsvoorstellingen van
het islamitisch geloof, de eredienst en morele principes; het voorlichten
van de samenleving op het terrein van het geloof en het beheren van
gebedsruimten”.
De Diyanet wordt geleid door een algemeen directeur. Vandaag is dat Prof.Dr.Ali Bardakoğlu.
Diens voorganger bracht enkele jaren geleden een bezoek aan de
rooms-katholieke paus; en
eind 2006 verwelkomde hij zelf, als hoogwaardigheidsbekleder van de
officiële Turkse islam, Benedictus XVI, bij diens officiële
bezoek aan Turkije. Als instituut valt
het Presidium onder het ministerie van Algemene Zaken,
en als zodanig onder de Turkse eerste-minister. Het seculiere principe van
de "scheiding tussen staat en religie" (cf. de massale
anti-regeringsbetogingen, in dit voorjaar van 2007, die die "scheiding"
willen verdedigen tegen de "islamisten") staat hierdoor
onvermijdelijk op een - politiek -hellend vlak: sedert 1970 zijn alle “geloofsdienaren”
van de Diyanet officieel ambtenaar van de Turkse staat; maar
anderzijds werd, sedert 1983
(niet toevallig onder de militaire dictatuur) in de staatsscholen
(soennitisch-hanafitisch) godsdienstonderricht ("islam en ethiek") verplicht gesteld voor
alle leerlingen (met uitzondering van de wettelijk erkende minderheden,
zoals christenen en joden, die om vrijstelling kunnen vragen; niét, bv.,
voor de alevieten). Daarmee
werd de (soennitische, hanafitische) islam
alleszins de facto staatsgodsdienst, in strijd met de officiële laiklik.
[De bijzondere VN-rapporteur over de eliminatie van
alle vormen van religieuze intolerantie, in zijn interim rapport over zijn
bezoek aan Turkije in 2000, aarzelt niet het seculiere karakter zelf van de
Turkse staat in vraag te stellen. Z.i. beschikt de Diyanet over "excessive powers
of religious management such that religious practice appears to be
regimented by government and Islam is treated as if it were a 'State
affaire'". Geciteerd uit het 'Memorandum to the Turkish Government on
Human Rights Watch's Concerns with Regard to Academic Freedom in Higher
Education, and Access to Higher Education for Women who Wear the Headscarf',
June 29, 2004, p. 32; zie
http://hrw.org/backgrounder/eca/turkey/2004/ ].
De islam die door de Diyanet onderwezen en verspreid wordt binnen
een geseculariseerde staat, is typisch een religie die rekening wil
houden met de maatschappelijke ontwikkelingen (cf. de westerse kalender
is overgenomen; idem voor de zondag, als feestdag, enz.) - maar zónder dat
zulks gepaard gaat met de bereidheid om op intellectueel-theologisch vlak
tot een ingrijpende herformulering te komen van de religieuze traditie. De
ideologische opdracht daarom van het instituut t.a.v. dissidente, radicale
stromingen kan als conservatief worden gekarakteriseerd; als zodanig
verschilt zij weinig van die van de officiële religieuze instituties in zgn. islamitische
landen: bv. al-Azhar, in Egypte. Wat de geloofspraxis betreft die door de
Diyanet wordt georganiseerd,
gaat het veeleer om een
gereduceerde en deels geprivatiseerde islam, d.w.z. gezuiverd van
superstities en lokale gebruiken en grotendeels herleid tot de
basisdevoties
(vijf pijlers) en een algemene, eerder conservatieve moraal. Als gevolg van de afschaffing van
de traditionele, religieuze scholen (medreses) en de sluiting van de schrijnen en
conventen, is, in vergelijking met de Osmaanse periode, het stedelijke
"religieuze landschap" in Turkije sterk vereenvoudigd, d.w.z. hoofdzakelijk moskee-gecentreerd. Verdere religieuze en spirituele dimensies
worden als een privé-zaak van het individu beschouwd (weliswaar niet
zonder sociale controle). Ten aanzien van sommige islamitische
voorschriften wordt een meer pragmatische houding aangenomen, als zijnde
tijdgebonden (bv. het verbod op alcohol, dat gemilderd werd tot een
verbod op dronkenschap). Islam en (seculier) republicanisme (met de
verregaande personencultus rond Atatürk, als "Vader des
vaderlands"), tenslotte, worden weliswaar van elkaar onderscheiden maar tussen beide
wordt toch geen echte contradictie ervaren.
Dat geldt, algemeen, ook voor de relatie met het Turkse
nationalisme. In de 2de helft van de 20ste eeuw is zij als maar
hechter geworden: cf. de zgn. "Turks-Islamitische
Synthese", ontwikkeld in de jaren '70 en '80. Een kwalijke, extreem-rechtse manifestatie ervan werden de
beruchte "Grijze Wolven"
("Bozkurtlar"); zij zelf noemen zich bij voorkeur
"ülkücüler",
d.w.z. "Idealisten". De fascistische moederpartij ervan in
Turkije, de MHP (Milliyetçi Hareket Partisi, in vertaling: Nationalistische Actiepartij), werd
opgericht in het verlengde van de militaire staatsgreep van 1960 en werd
jarenlang op een autoritaire en militaire wijze geleid door
"kolonel" Alparslan Türkeş (gest. in 1997). Naast de strijd, met gewapende milities, tegen
"communisten" en Koerden, stond de creatie
van een Groot Turks Rijk (Turan), "tot aan de Chinese Muur", in het
oorspronkelijke partijprogramma (cf. ook
de partijvlag, met drie maansikkels, refererend naar het Osmaanse wereldrijk).
Al vlug, echter, rond 1970, ging Türkeş
dat panturkse nationalisme uitdrukkelijk koppelen aan de ("Turkse") islam. Het gewicht van de beweging in Turkije
vandaag mag zeker niet onderschat worden: de MHP maakte deel uit van de
voorlaatste regering, onder de 'sociaal-democraat' Eçevit. De
regelmatige spanningen en frustraties rond de toetredingseisen van de EU versterken
bovendien de
nationalistische reflex bij een belangrijk deel van de bevolking: zie de anti-EU manifestatie in Ankara, op
2/10/05, georganiseerd door de MHP. [Turkse
website van de partij:
http://www.mhp.org.tr/]
De Grijze Wolven waren al heel vroeg ook in de Europese
emigratie aanwezig en ze hebben er zich georganiseerd onder de vorm van landelijke "Turkse
Federaties" (overkoepeld door de Europese Turkse Federatie, voluit:
"Europese Federatie van Democratisch-Idealistische Turkse Verenigingen").
Weliswaar was er in 1986 een belangrijke scheuring, vooreerst in
Duitsland, waarbij het islamitisch aspect een grotere klemtoon ging krijgen (vandaar de
benaming van de afgescheurde organisatie: "Unie van Turks-Islamitische
Culturele Verenigingen"); in Turkije volgde in 1992 een
gelijkaardige scheuring.
In hun lokale afdelingen - in België
dragen ze gewoonlijk de
meer neutrale naam van "Turkse Cultuurvereniging",
Türk Kültür Derneği, of van
"Turkse (Cultuur) Haard", Türk Kültür Ocağı - beschikken de
"Idealisten" eventueel ook over een eigen moskee. In hoeverre het
extreem-rechtse gedachtegoed van de beweging in Turkije ook actief aan bod
komt binnen de Europese, i.c. Belgische migrantenwerking valt moeilijk te
zeggen (in het hieronder vermelde boek van Braam & Ülger is alvast een
protestbrief opgenomen van de Turkse Federatie Nederland, waarin elke
"betrokkenheid met de een of andere, totalitaire, terroristische, politiek
extreme groepering" met stelligheid wordt ontkend). Rond
nationalistische thema's
in elk geval wordt vaak nauw samengewerkt met de Turkse staat (ambassade) en dus ook met de
Diyanet. Dat geldt bv. voor Europese "effecten" van de Koerdische kwestie:
bv. 10/12/05, de
brandaanslag op het Brussels kantoor van de legale, Koerdische
DEHAP-partij; recentelijker, in de nacht van 1 april 2007, werden de
lokalen van de Koerdische culturele Vereniging, MED, in
Sint-Joost-ten-Node, in brand gestoken, na haatoproepen uitgaande van
Turkse nationalistische extremisten (zie het verslag in INFO-TÜRK, URL
http://www.info-turk.be/344.htm#incendie ). Een ander, politiek voorbeeld
was de mobilisatie tegen de mogelijke vermelding van de Armeense
genocide in de geamendeerde, Belgische genocidewet.
[Voor een kritische,
maar journalistieke bespreking van de aanwezigheid en activiteit van deze strekking in de Lage Landen, zie: Stella Braam & Mehmet Ülger, "Grijze Wolven: Een zoektocht naar Turks extreem-rechts",
Amsterdam 1997; wat de situatie betreft in het Brusselse politieke milieu,
de (eventuele) betrokkenheid van politici of kandidaat-politici van
Turkse, "nationalistische" origine, op de lijsten van de verschillende
Belgische partijen, wordt op systematische wijze gevolgd en belicht op de website,
Suffrage Universel van
Pierre-Yves Lambert.]
6.1.1.2. Laten we terugkeren naar de Diyanet. In de jaren '30, met de felle anti-godsdienstige politiek van Ataturks
eenheidspartij (de Republikeinse Volkspartij), was het personeel van de Diyanet
voortdurend geslonken. Na W.O. II, echter, met de voorzichtige openingen
naar een meer democratisch bestel (weliswaar regelmatig onderbroken door
militaire staatsgrepen), zou de Diyanet op nieuwe leest uitgebouwd worden:
bedroeg het personeelsbestand in 1927 ca 7.000 (om in de 30-er jaren te
zakken naar ca 1.100), dan was in 1988 al sprake van ca 85.000 ambtenaren. [gegevens uit: Jak den Exter,
Diyanet. Een reis door de keuken van de officiële Turkse islam,
1990; zie ook De Ley, De Brug van Mostar, §
2.3.].
Wat ons
hier interesseert is dat in 1971, in antwoord op de Turkse (voornamelijk
Europese) emigratie, binnen de Diyanet een aparte onderafdeling werd opgericht
voor religieuze voorzieningen in het buitenland. Vanaf 1978 werd
een vast netwerk uitgebouwd, met het uitsturen van zgn. ambassaderaden of
religieuze attachés
naar de landen met een Turkse immigrantenbevolking. Van een onderafdeling,
werd de buitenlandpoot een complete dienst met drie afdelingen. Dat
buitenlandbeleid van de Diyanet kwam onder de militaire dictatuur van de
jaren ‘80 in een stroomversnelling: in het kader van de strijd tegen links
en de arbeidersbeweging werd meer aandacht (en ondersteuning) geschonken
aan het religieuze. Behalve met conservatieve islamitische bewegingen, in
Turkije zelf, werden ook de banden met de Arabische wereld, vooral met
Saoedi-Arabië, nauwer aangehaald. Het beleid werd tevens gemotiveerd door
de wens om een betere ideologische controle te krijgen op de Europese
emigratie, en aldus weerwerk te kunnen bieden aan het buitenlands succes van
oppositionele religieuze organisaties (zoals de Süleymanli's, de Nurcu's
en Millî Görüş).
Net zoals
de Diyanet zelf, dus, zo beantwoordt ook de uitbouw van een staatsgeleide, religieuze
infrastructuur voor Turkse moslims in West-Europa aan de Turkse
interpretatie van “secularisme”, namelijk van staatscontrole over
de religieuze gemeenschappen en organisaties, en niet van scheiding tussen
religie en staat. Tegelijkertijd nochtans
moeten ook de positieve aspecten van die infrastructuur erkend
worden. Het betreft zowel de oprichting (of althans ondersteuning) van
moskeeën, centra en scholen, als de opleiding en aanstelling van
theologen, imams
en leerkrachten, de publicatie van leerboeken en allerlei religieus en
pedagogisch materiaal, organisatie van studiedagen, enz. Het religieus personeel is opgeleid aan de Turkse
scholen en (theologie)faculteiten. Meer in het bijzonder de imams (die dus
Turks staatsambtenaar blijven) worden voor
een beperkte periode (voor België nu 3 jaar) uitgestuurd naar West-Europa.
Betaald
door de Turkse staat,
functioneren zij er in een moskee die behoort tot de nationale Diyanet-stichting (Vakıf)
die in elk van
die landen werd opgericht en die geleid wordt door een Turkse
ambassaderaad en andere functionarissen (vanuit strikt juridisch oogpunt,
zijn zij 'nationaal' in elk land, maar in werkelijkheid vormen zij "a
satellite apparatus of the Turkish state", zoals geformuleerd in een
rapport van de International Crisis Group, over
"Islam and Identity in
Germany"). Zo bedroeg het totaal aantal
imams en andere religieuze functionarissen dat per 1 januari 1989 in het
buitenland verbleef, 688 (in België bv. waren dat twee centrale
personeelsleden en 83 imams; in de Duitse Bondsrepubliek: 15 centraal, en
343 lokaal); in 1995 bedroeg het aantal door Turkije gestuurde en betaalde
imams 750 imams. Belangrijk om weten is dat moskeeën die zich
tot de Diyanet "bekenden", juridisch eigendom werden van de nationale stichting
(ook al worden de materiële kosten gedragen door de lokale gemeenschappen). De Diyanet oefent op
deze manier de controle uit over de helft van de Turkse moskeeën in
Europa, d.w.z. een totaal van ongeveer 1.100 moskeeën, waarvan meer dan
700 moskeeverenigingen in Duitsland.
In Belgïe
vallen sedert 1982 een 62-tal van de meer dan
100 Turkse moskeeën onder de Belçika
Türk İslam Diyanet Vakfı (BTİDV,met een groot cultureel centrum op de Haechtsesteenweg
67, in Schaarbeek); zij wordt, zoals gezegd, geleid door een bijzondere
attaché van de Turkse ambassade. Een opvallend gegeven in de actuele
situatie was de zeer actieve manier waarop vanuit de BTİDV
de verkiezingen van maart 2005 werden voorbereid, voor de aanduiding van
een nieuwe Executieve van Moslims
van België (met de organisatie van 8 regionale, zgn. "islamtafels"). Bij
de vorige verkiezingen, eind 1998, had de Diyanet zich nog volledig
afzijdig gehouden. De laatste regeringswissel in Turkije, met het aan de macht
komen van de moslimdemocratische AKP onder premier Erdoğan, en
de komende
onderhandelingen over een Turkse toetreding tot de EU speelden wellicht een rol
in dit opvallend interventionisme vanwege de Turkse overheid in een
Belgische, binnenlandse aangelegenheid.
De
Brusselse socioloog, drs Ural Manço (FUSL; zie zijn teksten
op deze site), geeft het volgende
genuanceerde antwoord op de rol van de Diyanet in West-Europa (in
een emailreactie op een erg negatief standpunt erover):
“Il ne faut pas trop tirer sur les ambulances. Si des structures comme
la Diyanet existent c'est à cause de l'incurie et du désintérêt hautain des
gouvernements européens. Depuis bientôt 40 ans, les musulmans d'Europe
s'organisent tant ‘mal que bien’. Avec la Diyanet, la Turquie comme pays
d'origine remplit un vide: celui de l' ‘islam européen’, qui comme Godot
est attendu mais ne vient pas. Si des instituts de formation théologique
avaient vu le jour en Europe, on n'aurait pas eu besoin d'imams et de
professeurs de religion islamique venus d'ailleurs. Si des cimetières
musulmans existaient, on n'aurait pas eu besoin de constituer des
assurances-rapatriement. Si les mosquées étaient reconnues et subsidiées,
les Turcs l'auraient certainement préféré au contrôle du gouvernement d'
Ankara, etc.
N' oublions pas que la très grande partie du financement du culte
islamique en Europe (la construction, l'entretien des mosquées, le salaire
des imams, rapatriement des corps, etc.) - toutes origines confondues -
sort de la poche des musulmans d' Europe, qui sont pourtant des
contribuables sur ce continent et ils ne sont généralement pas parmi les
plus riches de ses habitants.
En ce qui concerne le contenu idéologique de l'islam de la Diyanet et son
apport à l' ‘intégration’ des Turcs en Europe, ta réflexion me paraît
acceptable. Bien qu'il vaut mieux être plus nuancé. La Diyanet a fait des
progrès ces dernières années. Son personnel est qualifié même si on
préférerait des imams d'Europe formés en Europe. S'il faut poser un choix
dans la situation actuelle, il va de soi que je préfère infiniment de fois
plus l'islam national de l' "église musulmane turque" à l' obscurantisme
saoudien dopé aux pétro-dollars.
Par ailleurs, tu fais bien de souligner l'exploitation honteuse des
immigrés turcs et de leur descendants par l' Etat turc qui n' a jamais
rien vu d' autre en ses émigrés que des vaches à lait (ou à Deutsche
Marks, puis à Euros) ou une populace paysanne ‘non civilisée’, qui
‘représente mal la Turquie à l'étranger’, à contrôler de près car soit
trop ‘islamiste’, soit trop ‘gauchiste’, soit trop ‘kurdiste’, etc. Il en
va de même des organisations politiques, politico-ethniques ou
politico-religieuses de Turquie (comme Milli Görüs, les ‘Loups gris’
nationalistes, l'extrême gauche turque, les organisations kurdes, etc.) qui
ont toutes pignon sur rue en Europe et ce depuis longtemps. L'objectif de
la présence de ces partis politiques et/ou organisations a toujours été de
pomper dans les poches des émigrés le plus d'argent possible pour financer
leur combat en Turquie. Même pauvre, un Turc d' Europe est en moyen six
fois plus riche qu' un Turc de Turquie! Les originaires de Turquie et
leurs descendants n'ont réellement vu que rarement une vraie assistance,
un vrai soutien moral, social, politique, matériel, etc. de la part des
élites de Turquie”.
P.S.
Merken we volledigheidshalve nog op dat ook Marokko
- het zij
(voorlopig) op een minder
opvallende, en alleszins veel minder gestructureerde, wijze - invloed poogt uit
te oefenen op “haar” emigrantenbevolking, meer in
het bijzonder via de “Marokkaanse” moskeeën in de EU-landen (volgens
cijfers van 2003 wordt het aantal Marokkaanse emigranten in Europa geschat
op 2.185.894). Zo kunnen leden
van moskeebesturen lid zijn van de uitgesproken
koningsgezinde organisatie van de zgn. Amicales (volledige
naam: "Amicales des ouvriers et commerçants", vanaf 1973 opgericht
in Frankrijk) en
op die manier in contact staan met ambassade of plaatselijk consulaat (in
recente jaren weliswaar is het belang ervan sterk afgenomen). In
het algemeen, is er vaak nog altijd sprake van mate van loyauteit in het kader van de zgn. Makhzen - i.e. de
typisch Marokkaanse vorm van staatsorganisatie, macht en autoriteit
gebaseerd op gehoorzaamheid aan het koningshuis. De
mate van afhankelijkheid van een moskee kan bv. blijken uit het feit of tijdens het
vrijdagmiddaggebed al dan niet het officiële gebed wordt gebeden voor de koning van
Marokko, als “Aanvoerder der Gelovigen” (Amîr el-Mou'minîn). Verder
kunnen vanuit het Marokkaans ministerie voor Religieuze Zaken ook de
officiële teksten voor de vrijdagpreken toegestuurd worden aan de imams
(die imams evenwel worden door de moskeebesturen zelf aangeduid en
betaald); tijdens de maand Ramadan worden door het ministerie ook
predikers naar Europa gestuurd, enz. In vergelijking, echter, met de
Turkse gemeenschap, staat althans de Vlaamse 'Marokkaanse' gemeenschap
(die overwegend van Berberse afkomst is) veeleer kritisch of zelfs
afwijzend tegenover het Marokkaanse regime.
Na de hervorming van het islamitisch familierecht, de Mudaw(w)anah,
heeft de jonge koning, Mohammed VI, in een speech van 30 april 2004 ook een grondige hervorming
en modernisering aangekondigd van het beheer en de organisatie van de religieuze aangelegenheden
(cf. vanuit zijn hierboven geciteerde titel en zijn veronderstelde afstamming van de familie
van de Profeet, beschikt de Marokkaanse koning traditioneel ook over religieuze
prerogatieven).
[Over de nieuwe Mudaw(w)anah, zie de twee artikels op deze site:
* van de hand van Fauzaya Talhaoui, "De nieuwe Marokkaanse
familiewetgeving: de Moudawana gedesacraliseerd, de Shari'a dichter bij de
moderniteit en gendergelijkheid", klik
hier, en
* van de hand van Abied Alsulaiman, "De Hervorming van de Mudawwanah:
Correcte toepassing of contextualisering van de Sharia?",
klik hier .
De Franstalige versie van de nieuwe familiecode, kan
hier gedownloaded worden
(pdf).]
Zoals reeds het geval is met de vernieuwing van de Mudaw(w)anah, zo
zullen uit een
hervorming van de religieuze aangelegenheden ook belangrijke (positieve en
negatieve) effecten ressorteren voor de
Marokkaanse emigratie, vergelijkbaar wellicht met de gestructureerde werking in de
Europese landen van de Turkse Diyanet (cf. beide landen, zowel
Marokko als Turkije, handhaven de dubbele nationaliteit voor hun 'expatriates') Zie nu al de nieuwe website van het ministerie "des Habous [religieuze
stichtingen] et des Affaires Islamiques", URL:
http://www.islam-maroc.ma/ , en
van de "Conseil Supérieur des Oulama",
http://www.almajlis-alilmi.org.ma/fr/index.aspx . Voor België was alvast opvallend dat (ook) de Marokkaanse minister voor
Religieuze Zaken in Brussel tussenkwam, in het kader van de voorbereiding van de
meest recente verkiezingen voor de Belgische Moslimexecutieve (20 maart
2005).
6.1.2. De Râbita: dwz de
Islamitische Wereld Liga (in het Arabisch: Râbita al-calâm
al-islâmî). Is vandaag de belangrijkste islamitische wereldorganisatie.
Ze werd
opgericht in 1962, met zetel in Mekka, en wordt geleid en gefinancierd
door
Saoedi-Arabië (de secretaris-generaal is een saoedisch minister). Zij
heeft, zoals in de rest van de wereld, ook in tal van westerse hoofdsteden grootschalige moskeeën en aangehechte islamitische instituten opgericht
of althans gepland (in de literatuur wordt wel eens gesproken van
"kathedraalmoskeeën"). Zo bv. in Brussel (het Islamitisch
en Cultureel Centrum, in het Jubelpark - weliswaar, zoals hoger
gezegd, een bewaard gebouw uit een wereldtentoonstelling, begin 20ste eeuw), Kopenhagen, Madrid, Rome, enz., alsook in andere belangrijke steden:
bv. Lyon, Milaan, Barcelona ... In 1982 heeft de Rabita de Hoge Raad van
Moskeeën in Europa opgericht, met het oog op het subsidiëren van de
bouw of restauratie van moskeeën en het promoten van hun activiteiten door
het opleiden van predikanten. De raden van beheer van die Europese
R-instituten bestaan gewoonlijk uit de ambassadeurs van de moslimlanden.
Naast allerlei activiteiten op het vlak van religie, onderwijs en cultuur
(bv. het massaal en gratis ter beschikking stellen van in S-A gedrukte Korans en
andere religieuze publicaties; het aanbieden van studiebeurzen voor de
islamitische universiteit van Medina, enz.), pogen die
instellingen ook erkend te worden, door de Europese overheden, als
officiële woordvoerders van de moslims in de betreffende
landen. Als zodanig kunnen zij beschouwd worden als een (onrechtstreeks) instrument van de
vele moslimmogendheden die de controle trachten te behouden
over hun geëmigreerde onderdanen.
6.1.2.1. Religieus-ideologisch,
dragen de Râbita en haar instituten en propagandisten (opgeleid aan
de speciaal daartoe opgerichte universiteit van Medina), de principes uit
van de extreem-conservatieve en typisch saoedische variant uit van
islam(isme), namelijk het wahhabisme.
Het gaat
hier om een in oorsprong 18de eeuwse revival beweging. Zij werd, binnen
de hanbalitische rechtsschool, gelanceerd
werd door Muhammad bin Abd al-Wahhab
(1703-ca 1787) tegen de zijns
inziens gedegenereerde Osmaanse islam (die zelf de meer soepele
hanafitische rechtsschool volgde). Ibn Abd Al-Wahhab was de eerste
"fundamentalist": z.i. moest alles wat na de 3de eeuw in de islamitische
jaartelling (ca 950) aan de islam was "toegevoegd", afgewezen worden als
ketterij. De klemtoon diende volledig gelegd op de absolute eenheid-en-enigheid van God
(de zgn. tawhîd), zodanig dat alle andere vormen van aanbidding dan
die van de ene God uitgesloten waren; geweld tegen andersdenkende moslims
werd daarbij uitdrukkelijk goedgekeurd. Veroordeeld door de
Sunni-godgeleerden en vervolgd door de Osmanen, sloot Ibn Abd al-Wahhab in 1744 een succesvol pact
of 'concordaat' met het clanhoofd Muhammad ben Saoed (koninkrijkje
al-Dir'iya, in de centrale Najd-regio op het
schiereiland). In het begin van de 19de eeuw (1803) volgde onder Saoed de Grote zelfs de tijdelijke verovering (en verwoesting)
van de heilige plaatsen, Mekka en Medina. Spoedig erna (1818) werd het
koninkrijkje opgedoekt door de Osmanen.
[Onder de vele conspiratietheorieën die in het M-O ook vandaag nog de
ronde doen, is er ook één die in het optreden van Ibn Abd al-Wahhab, i.c.
de creatie van het 'wahhabisme', een duivels plan ziet van... de Britten.
Men beroept zich daarbij op een Arabische (!) tekst, de "Mudhakkirat
Mister Hempher", i.e. de "Mémoirs of Mr. Hempher" (in
de 20ste eeuw vertaald in het Turks). Voor een weerlegging van de
beweringen ervan en de ontmaskering van de tekst als een hoax of
vervalsing,
klik hier. ]
In de 20ste eeuw, bij de
westers geïnstigeerde ineenstorting van het Osmaanse rijk, werd het pact nieuw leven in
geblazen. Bewapend door de Britten, heroverde Ibn Saoeds tribaal legertje
op bloedige en verwoestende wijze (de graven van de Gezellen in Medina
werden verwoest; dat van de Profeet kon
op het nippertje gevrijwaard worden) het Arabische schiereiland en
in 1932 werd het "Saoedi-Arabisch" koninkrijk geherinstalleerd.
Vrijwel onmiddellijk nadien,
in 1933, kende Ibn Saoed de eerste
olieconcessie toe aan... een Amerikaanse maatschappij (Aramco) . Het
olierijke koninkrijk - d.w.z. de macht van de Saoed dynastie
- steunt vandaag nog altijd op 4 pijlers: (1) de grote stammen; (2) het
religieuze establishment; (3) het leger; (4) het wijd vertakte
koningshuis.
Vooral sedert 1975 (het aan de macht komen van prins Faisal ibn Musa, na het
vermoorden van zijn broer), bezet de wahhabitische geestelijkheid
sleutelposities in religieuze zaken, onderwijs, cultuur, dagelijks leven
en openbare orde en de media. Haar ideologische greep op de samenleving wordt
mede intact gehouden bij middel van een overal aanwezige "religieuze politie" (de
mutawwicah). Op religieus vlak is het nog steeds de betrachting de islam te zuiveren van alle vormen van lokaal en volks "bijgeloof"
(heiligenverering, grafcultus, mystiek, waarzeggerij, magie, e.d.), die
onder de officiële oppervlakte nog altijd bestaan, ten gunste
van een sterk gereduceerd, ééndimensionaal en geüniformiseerd geloof. Het is gebaseerd op een
eenzijdige
lectuur en strikte toepassing van de
(traditionalistische) religieuze
bronnen: Koran en Sunna, met o.m. een klemtoon op het strafrecht: de zgn.
hudûd, of lijfstraffen, zoals onthoofdingen (dit jaar reeds 102,
waarvan de helft buitenlanders), zonder behoorlijke rechtsgang
overeenkomstig de internationaal geldende normen. Behalve
christenen, joden en andersgelovigen - als het land van de twee meest
heilige steden van de islam: Mekka en Medina, waarvan de Saoedi's zich als
de "hoeder" beschouwen, is elke andere cultus bij wet verboden -
geldt de verregaande, religieuze intolerantie ook de "eigen" shi'ieten,
met hun imâmverering (er leven enkele honderdduizenden shi'ieten als
minderheid in de oostelijke, olieproducerende provincie van het koninkrijk).
De
belangrijkste theologische autoriteit voor het wahhabisme (maar ook voor de rest van het
hedendaagse, radicale islamisme)
was en is de middeleeuwse, hanbalitische theoloog, Ibn Taymiyya (1268-1323).
Beslissend voor diens visie was de verovering en verwoesting van Bagdad,
in 1258, door de Mongolen en de dood van de laatste (Abbasidische) kalief. Ibn Taymiyya was één van de eersten om te pleiten voor
takfîr, d.w.z. de excommunicatie
van "apostaten", in dit geval van de Mongoolse heersers
(die zich vrij snel tot de islam bekeerd hadden).
Samen met die van Ibn Abd al-Wahhab, worden zijn teksten vandaag op ruime
schaal verspreid en onderwezen door de Râbita missionarissen.
[De
verdediging van het wahhabisme wordt opgenomen op de website, "The
Wahhabi Myth", ondertitel: "Dispelling Prevalent Fallacies and the
Fictitious Link with Bin Laden", op basis van het gelijknamige boek
van Haneef James Oliver, URL:
http://www.thewahhabimyth.com/index.htm . Ook Natana DeLong-Bas,
docente aan o.m. de Brandeis University (Mass., US), in haar doctoraat
gepubliceerd in 2004 door Oxford UP, "Wahhabi Islam: From Revival and
Reform to Global Jihad", bestrijdt de gangbare visie op Abd al-Wahhab
en het wahhabisme. Zie het interview met haar in de Londense krant, Al-Sharq
Al-Awsat, 21/12/2006; online geplaatst door MEMRI, op URL:
http://www.memri.org/bin/opener_latest.cgi?ID=SD140607. Voor een
beknopte, kritische bespreking van het Saoedische regime ("the Saudi
kleptocracy") en zijn banden met het Westen, op basis van enkele
recente publicaties, zie Tariq Ali, "In Princes’ Pockets", in: The
London Review of Books, Vol. 29 No. 14, 19 July 2007, URL:
http://www.lrb.co.uk/v29/n14/ali_01_.html ].
Tegelijkertijd, echter, en in tegenspraak met de sterk anti-westerse,
religieuze ideologie die gepropageerd wordt, werd en wordt door de Saoedi
machthebbers op politiek, economisch en financieel vlak een pro-westerse
- d.w.z. pro-Amerikaanse, kapitalistische
koers gevaren [pas recentelijk, met de Amerikaanse bezetting van Irak en
het uitblijvan van een oplossing voor de Palestijnen, lijkt een verkoeling
op te treden in die houding; 2/4/07]. Men zou hierbij kunnen gewagen van een
'scheiding der
machten', teruggaand op het pakt tussen de Saoeds en Muhammad bin Abd
al-Wahhab, waarbij de eerstgenoemden de controle hielden en houden over
economie, defensie en buitenlandse politiek van het koninkrijk (zie
G.Achcar, 2006:49-50). Maar vandaag heeft niet iedereen het zo
begrepen: de door het wahhabisme gesanctioneerde principes van jihâd en takfîr
(zie ook
verder) worden door dissidente, radicale ulamâ' binnen het
koninkrijk nu gericht tégen het
regime en diens Amerikaanse beschermheren (met uitingen van openlijke
rebellie in 1979, 1992 en 1994, bv.). In deze radicalisering spelen
ook de - door de de CIA (!) - tegen de Sovjetunie bewapende en opgeleide ex-Afghanistanstrijders, zoals bekend, een belangrijke rol (zie ook verder, over het
hedendaagse, militante salafisme, kap.
6.5.2.1). Meer in het bijzonder Osama bin Laden (in 1991 moest
hij Saoedi-Arabië definitief verlaten) kan in dit verband gezien worden
als kampioen van de meest extreme vorm van de reactionaire, wahhabitische
ideologie (G.Achcar, 2006:69). De toenemende werkloosheid en armoede (!),
tenslotte, onder de saoedische bevolking bieden een sociale voedingsbodem
voor religieus extremisme en terrorisme (in Medina, bv., leeft 14,2% van
de families onder de armoedegrens; de werkloosheidsgraad onder mannen
bedraagt 16,7%, onder vrouwen 28,8%: informatie uit de Oostenrijkse krant,
Der Standard, 2 April
2007, p. 3).
De hegemonische positie van de
Râbita, en dus van Saoedi-Arabië, in de
gehele moslimwereld is maar mogelijk geworden door het failliet van het
seculiere, Arabische
nationalisme (cf. vooral de nederlaag tegen Israël in 1967, en Nassers
dood in 1970) én dank zij de schier onbegrensde
financiële middelen die sedert de "oliecrisis" van 1973 (de 4de
Arabisch-Israëlische oorlog, in oktober) en de enorme prijsstijgingen na
de Iraanse revolutie (1979) verstrekt
werden door de olie-exploitatie: de zgn. petro-
of oliedollars. Wegens haar typische combinatie van streng-islamitisch puritanisme met een kapitalistisch,
American-style consumptiegedrag bij de saoedische elite, krijgt deze vorm van islam in de literatuur ook
wel de naam van
“petro-islam”. In combinatie
(1) met de politieke controle die het Saoedi
koningshuis sedert 1924-25 veroverd heeft over de twee meest heilige plaatsen in de
islam, nl. Mekka en Medina (de jaarlijkse hajj, of bedevaart, trekt
gemiddeld tussen 1,5 en 2 miljoen gelovigen van over de hele wereld en is
eveneens een belangrijke inkomstenbron);
(2) tweedens, dank zij de
toevloed naar Saoedi-Arabië en de Golfstaten, vanaf 1975, van miljoenen
tijdelijke gastarbeiders uit de andere, vooral Aziatische moslimlanden [in
2007 geschat op 5,6 miljoen, voor een indogene bevolking van 22 miljoen] -
waardoor, tussen haakjes, de vorming van een indogene arbeidersbevolking
wordt vermeden (Achcar, 2006:63);
(3) ten derde, een
uiterst gul systeem van beurzen voor studieverblijven in Saoedi-Arabië, t.g.v.
onbemiddelde moslimjongeren
over de gehele wereld (ten nadele van de oude centra,
zoals de al-Azhar, in Egypte); en
(4) ten vierde, de nauwe
samenwerking met de oudere netwerken van de Egyptische MoslimBroeders (het kaderpersoneel van de Râbita
bestaat in belangrijke mate uit MB-leden; zie over
de MB verder, onder § 6.5.1), de Indo-Pakistaanse
Deobandi's (zie verder, § 6.3.1) en de Pakistaanse
Jamâ’at-e-Islâmî
(zie
§ 6.5.1), en
(5) tenslotte, niet te vergeten: het al vermelde, verregaande politieke en economische
verbond met de westerse, in het bijzonder Amerikaanse, mogendheden;
konden de Saoedi's hun
rigoristische en ééndimensionale islam
gedurende de laatste decennia ongehinderd verspreiden over de
gehele moslimwereld alsook daarbuiten, naar de moslimminderheden toe in het
Westen.
Pas met "11 september" en het
terroristisch optreden van (de Saoedi) Osama Bin Laden en het al-Qa'ida
netwerk, ook in Saoedi-Arabië zelf, is daarin enige
verandering opgetreden. Ondanks de bewezen financiële steun, nochtans, aan
allerlei radicale groepen in andere landen, blijft het saoedische
koningshuis, dat de belangrijkste oliereserves van de wereld controleert,
nog altijd een hogelijks gewaardeerd bondgenoot van de VS . De persoonlijke banden tussen de Bush-dynastie
en de saoedi prinsen zijn bekend (cf. de bekende foto's van 1993 waarop de huidige
Amerikaanse president Bush hand-in-hand loopt met kroonprins - nu koning -
Abdullah, zie een voorbeeld op deze
site). Op algemeen financieel en economisch vlak echter wordt de voor de VS
vitale uitvoer van saoedische olie (bijna) in evenwicht gehouden door
de... extravagante wapenaankopen in de VS van de Saoedi's en de aanleg van grote (o.m.)
militaire infrastructuurwerken door Amerikaanse firma's (luchthavens,
havens, wegen, uitrusting...). Met de eerste Golfoorlog (1990-91) konden
de VS er dankbaar gebruik van maken (zie G.Achcar, "The Clash of
Barbarisms", 2006², p. 39v.). [Voor een politieke analyse van het
saoedische regime en de
toekomstige ontwikkeling ervan, zie nu het boek van Hichem Karoui, "Où
va l'Arabie Saoudite?", l'Harmattan, Paris 2006, presentatie ervan
URL:
http://arabie-saoudite.phoenix-magazine.info/index.html ].
6.1.2.2. Wat België
betreft, zoals hoger al kort aangegeven, zijn de pogingen van het ICC om
een monopoliepositie te behouden inzake vertegenwoordiging
van de Belgische moslims, finaal negatief uitgedraaid, mede door het
verzet ertegen vanwege de
(voornamelijk Marokkaanse en Turkse) moslimbasis. Dat belet niet dat het wel
degelijk een grote invloed blijft uitoefenen, vooral op het vlak van de
theologie/rechtsgeleerdheid (de huidige Mufti van het ICC, die weliswaar
geen Saoedi is, zit de theologische commissie voor van de Moslimexecutieve
en geldt officieus als de "Grote Imam" van België) en dus ook op dat van de
religieuze en theologische opleiding. [Zie de website van
het Centre Islamique et Culturel de Belgique:
http://www.centreislamique.be/
].
Wat meer in het algemeen Europa betreft, moet gewezen worden op het
bijzondere geval van Bosnië.
Tijdens en na de wreedaardige oorlog, in de eerste helft van de jaren '90, heeft
het wahhabisme in de traditionele, 'Osmaanse' moslimcultuur van het
voormalige Joegoslavië een opvallende, activistische aanwezigheid
ontwikkeld (cf. de internationale vrijwilligers die meegevochten hebben
tegen de Serviërs en Kroaten, getrouwd zijn met Bosnische vrouwen en zich
vooral op het platteland hebben gevestigd). Volgens een peiling zou
nu 12,9% van de Bosnische moslims de wahhabitische islam steunen. Terwijl de
officiële islamvertegenwoordigers (onder leiding van de 'reisu-l-ulema') het probleem
relativeren, wordt o.m. vanuit academische en intellectuele middens (bv.
professoren van de universiteit van Sarajevo) gewaarschuwd
voor de politieke oogmerken van de "wahhabieten" (i.e. niet enkel alle
sporen te willen vernietigen van de oude, osmaanse cultuur en islam, maar tevens
van Bosnië een 'islamitische staat' te willen maken, gebaseerd op de sharî'a).
Er is ook steeds vaker sprake van incidenten en spanningen tussen wahhabitische en 'gewone' moslims;
laatstgenoemden zien de wahhabieten als fanatiekelingen die hun strenge
religieuze gebruiken willen opleggen aan de meer tolerante Bosnische
moslims. Zie hierover het dossier (9 april 2007) in Le
Courier des Balkans, met o.m. het artikel van Nidzara Ahmetasevic,
"Bosnie: le wahhabisme, une menace bien réelle", URL:
http://balkans.courriers.info/article8076.html . Ook de VS, echter,
spelen hierbij een politieke rol, in het kader van hun "war on terror";
sedert "9/11" eisen zij dat de ex-soldaten (die na de oorlog het
Bosnische burgerschap hebben gekregen), zouden uitgedreven worden.
Zie nu: 12 april 2007 (MO*):
"De Bosnische regering heeft het burgerschap ingetrokken van 367
buitenlandse islamitische ex-soldaten, die vrijwillig meevochten in de
Bosnische burgeroorlog van 1992 tot 1995. De maatregel kwam er na een
onderzoek dat gericht was op buitenlandse soldaten die zich na de oorlog
in het land vestigden. De Bosnische media zien het onderzoek als onderdeel
van 'de oorlog tegen terrorisme', die vooral door bondgenoot Amerika
gevoerd wordt... Verschillende mensenrechtenorganisaties hebben de
beslissing van de commissie veroordeeld. Ze zeggen dat de regering de
rechten van de oud-soldaten schendt door ze te scheiden van hun Bosnische
familie en vrienden", URL:
http://mo.be/index.php?id=61&no_cache=1&tx_uwnews_pi2[art_id]=17898 ]
6.1.2.3. Aansluitend, kan op het
gebied van internationale organisaties ook nog verwezen worden naar:
(a) het Islamitisch Wereld Congres (Mu’tamar al-‘Alam al-Islami),
opgericht in 1927, in Jeruzalem, in reactie op de afschaffing van het
kalifaat. Het Congres is er nooit in geslaagd de koepelorganisatie te
worden van de mondiale islam. Het is vooral actief in zogenaamde
“inter-faith”
projecten. In Europa beschikt het over een actieve afdeling in
Duitsland.
(b) De Organization of the Islamic Conference (OIC),
met een secretariaat-generaal in Jeddah (Saoedi-Arabië). Werd opgericht in
1969, eveneens als een soort van alternatief voor het verdwenen kalifaat.
De oprichting was een triomf voor de toenmalige buitenlandpolitiek van
Saoedi-Arabië (na het failliet van het seculiere Arabische nationalisme à
la Nasser). Het OIC groepeert nu 57 lidstaten, niet uitsluitend landen waar de islam majoritair is,
maar ook een land als bv. Oeganda, dat overwegend niet-moslim is. De grote politieke verdeeldheid onder de lidstaten maakt
het OIC in de praktijk tot een vrij machteloze, formele structuur (zie bv.
de bijeenkomst ervan in Qatar, in 2002, met de dreigende oorlog tegen Irak).
Website: http://www.oic-oci.org/
(c) Het OIC heeft in het verleden ook een aantal gespecialiseerde organismen
in het leven geroepen. Zo was er de oprichting, eind 1973 - dwz toen de olieprijs zijn
hoogste piek bereikte -, van de Islamic Development Bank,
met zijn hoofdkwartier eveneens in Jeddah. De bank werd operationeel in 1975 en
ging ontwikkelingsprojecten financieren in de armste moslimlanden. Het
gaat overwegend om fondsen van de Golfstaten, die aangewend worden binnen
het kader van een "islamitisch bankwezen" (cf. het koranieke verbod op "woeker"
- begrepen als een verbod op een vaste interest op ont-/uitgeleend geld).
Voor een kritische bespreking, zie het artikel in Le Monde Diplomatique,
september 2001, "Paradoxes de la finance islamique", van
Ibrahim Warde, URL:
http://www.monde-diplomatique.fr/2001/09/WARDE/15584 Dezelfde auteur
heeft ook een website, The Islamic Banking and Finance in the Global
Economy Website, URL:
http://www.islamicbanking-finance.com/
(d) Een belangrijk
initiatief op het gebied van onderwijs, wetenschap en cultuur was de
oprichting van ISESCO: Islamic Educational, Scientific and Cultural
Organization (voor de doelstellingen zie URL
http://www.oic-oci.org/english/main/isesco.htm ). Opgericht als een
instituut binnen het OIC, vond de stichtingsconferentie ervan plaats in
mei 1982, in Fès, Marokko. Hoofdkwartier ervan is in Rabat. Website
(Engelse versie):
http://www.isesco.org.ma/IndexEng.asp. Illustratief is bv. de recente
bijdrage van ISESCO aan de oprichting van een leerstoel, "Islam and the
West", aan de Islamitische Universiteit van Rotterdam (
http://www.iur.nl ), met ingang van het
academiejaar 2005-2006.
6.2. Mystieke Broederschappen
6.2.1. Inleiding.
De islamitische mystiek - ook
soefisme
(Ar.:
tasawwuf) genoemd - stamt
in aanzet vermoedelijk al
uit de tijd van de Profeet, maar ze kwam vooral tot bloei vanaf de 10
de
eeuw. Er werden handboeken geschreven en de beoefening
van de mystiek ging in toenemende mate in groepsverband gebeuren. Vooral in de loop van de 12
de en 13
de
eeuw, kwam het
tot een vorm van institutionalisering van verschillende
“wegen” (tarîq, "weg", sc. naar God),
in de vorm van ordes, broederschappen of confrerieën (
tarîqat-s,
Turks:
tarikat).
Dat gemeenschapsleven
(in zogenaamde conventen:
khânaqâh-s, tekke-s of
zâwiya-s, genaamd)
stond en staat onder de spirituele en praktische leiding van een
sheykh
(of
pîr, in het Indische subcontinent), die van zijn volgelingen
een absolute gehoorzaamheid kon eisen. Let op: affiliatie bij een
soeficonvent impliceert niet noodzakelijk een monastieke levenswijze,
integendeel: de volgelingen waren en zijn meestal sociaal en professioneel
geïntegreerd in de omringende samenleving (er was vaak een nauwe
associatie met ambachtelijke gildes). Van daaruit vonden en vinden de ordes
gemakkelijk aansluiting bij alle lagen van de bevolking (onder meer in tijden
van crisis: bv. de invallen van de Mongolen, in de 13
de eeuw).
De soefi
tarîqat-s werden op die manier ideale instrumenten voor de
verbreiding van het islamitisch geloof. Zo zijn grote gebieden van Indië,
Indonesië en Sub-Saharisch Afrika bekeerd door soefi-predikers. Een troef
daarin was ook hun grote soepelheid t.a.v. pre-islamitische lokale tradities
en praktijken, met inbegrip van het gebruik van de volkstaal. De graven van soefi sheykhs
(in Afrika:
marabouts), met hun concentratie aan
baraka, of
goddelijke kracht, gingen vaak het centrum vormen van een heiligendevotie,
ook vanwege gewone moslims (en niet-moslims) die in de buurt van een convent woonden.
Anderzijds moet vermeld worden dat confréries, die, via biologische
opvolging, vaak onder de controle bleven van religieuze dynastieën,
in de loop van de jaren of eeuwen ook heel veel rijkdom en/of macht konden
accumuleren. Zo vormen bv. de (Afrikaanse) ordes van de
Moeriden of
de
Tijâni vandaag een reële economische en politieke macht in een
land als Senegal. In Turkije en Centraal-Azië speelt de
Naqshbandiyya
dan weer een belangrijke politieke rol.
De soefi
mystiek streeft, bij middel van geëigende, voor elke orde specifieke
rituelen die worden overgeleverd van generatie op generatie, naar een
ervaring van unio mystica, d.w.z. "râbita
of (intieme) "band" met God. In die intense ervaring wordt de geformaliseerde religieuze
kennis (cilm), op traditionele wijze onderwezen in de medrese-s door de culemâ', aldus aangevuld door een
esoterische gnosis, of "(ervarings)kennis" (macrifa).
Elke sheykh treedt daarbij op als charismatische bemiddelaar en spirituele leider (Ar.: murshid)
voor de novice (Ar.: murid). Soefisme, nochtans, herleidt zich
niet tot (het nastreven van) mystieke ervaring: het omvat ook een
hele levenswijze en moraal voor het leven van elke dag. De verhouding
tussen beide componenten varieert naar gelang van de tarikat.
Een vast onderdeel
van de groepsrituelen, naast Koranrecitaties en gebeden, vormt de zgn.
dhikr (Turks: zikr; betekent letterlijk “gedenken, sc. van God”, zie
Koran 33:41): ze bestaat uit het
onbeperkt herhalen van bepaalde woorden of formules (bv. de eerste helft van de shahâda,
namen van God, Koranverzen, gebedsformules, e.a), met aandacht voor ademhaling
en concentratietechnieken. Naargelang van de orde, gebeurt
de dhikr ofwel luidop,
eventueel begeleid door muziek (samâ’)
en dans (raqs); ofwel in stilte, in je binnenste. Het bekendste
voorbeeld van de eerste, ook in het Westen, zijn de “draaiende derwishen” van de
Mevleviye. Zij voeren hun tradities terug op de grote
(Perzische) mysticus en dichter, Mevlânâ - "Onze Heer" - Jalâl ad-Dîn Rûmî
(Turks: Mevlana Celaleddin Rumi), geb. in 1207 in Balkh (het huidige
Afghanistan) en gest. 1273, in het Turkse Konya (een kopie van de
overgeleverde afbeelding van Rumi op deze site). Hoewel de orde, samen
met andere broederschappen, in 1925 door de Turkse republiek ontbonden
werd, is zijn grafmonument in Konya ook vandaag nog een
belangrijke centrum en bedevaartplaats [zie de website
van de Celebi, de opvolgers van de Mevlana:
http://www.mevlana.org/ , met heel
veel informatie, vertalingen van poëzie, enz.;
zie ook de Amerikaanse stichting, "The Threshold Society":
http://www.sufism.org/ ]. Ook het
gezang van de Marokkaanse Gnawa kan hier vermeld worden. De stille,
innerlijke dhirk is veelal karakteristiek voor de Naqshbandiyya
(zie verder), hoewel ook de luide dhikr er beoefend wordt. Iedere orde
(eventueel suborde of vertakking) heeft a.h.w. haar eigen, typische dhikr-
en andere gebedsrituelen alsook technieken.
Algemeen, maakt men een onderscheid tussen ordes waarvan de rituelen gericht zijn op
vormen van geestvervoering: extase (gepaard gaande met extatische
uitlatingen: shạṭh, meervoud: shạtạhât) en mystieke
dronkenschap (cfr het belang van "wijn" en "dronkenschap",
als metaforen in de klassieke, mystieke poëzie); en andere, zoals nogmaals de Naqshbandiyya,
die integendeel de klemtoon leggen op nuchterheid, zelfcontrole en
ingetogenheid.
De ordes zijn
doorgaans genoemd naar de (al dan niet legendarische) stichter
ervan en ze funderen hun authenticiteit in de zgn. silsila, letterlijk:
"keten", d.w.z. hun
geestelijke genealogie of stamboom. Behalve door hun dhikr, anders gezegd, wordt de identiteit van een soefi orde
of convent voornamelijk bepaald door die "keten", die de opeenvolgende orde-hoofden
achterwaarts verbindt met de stichter en naamgever, en deze laatste
via-via met de
profeet Muhammad.In de orde-conventen hangt er daarom, als een
soort van "diploma", steeds een visuele weergave van
de eigen silsila. Bij middel van de "lichten" van die silsila
(startend bij de eigen sheykh) en met de geëigende rituelen, zoals gezegd,
leren soefi's zich volledig te concentreren op God. Opstijgend via
een aantal "staties" (waarvan het aantal en de aard
beschreven staan in de klassieke handboeken), pogen ze te komen tot een
unio mystica, d.w.z. een intense en intieme ervaring, van God of de
absolute "Waarheid" (hagîqa), waarin de verwarrende veelheid
van de leefwereld (ook van de wetenschappen) kan opgaan in de "eenheid van het zijn" (wạhdat al-wujûd,
uitspraak: woedjoed).
Voor de contradictorische effecten van de mystieke ervaring wordt in de soefi-literatuur gebruik gemaakt
van het begrippenpaar fanâ'
("vernietiging", of verlies van de eigen identiteit) én baqâ', d.w.z.
"(her)bevestiging" van (het bestaan van) het eigen zelf.
Een interessant aspect, tenslotte, aan de soefi
mystiek is de rol die vrouwen er vaak in gespeeld hebben: als
asceten en mysticae, als shaykha-s, als echtgenotes en moeders van
soefi's, als schoolhoofden. Eén van de eerste en van de meest beroemde
mystici, was Rabi'a al-Adawiyya, van Basra (gest. 801), auteur van
mystieke liefdespoëzie. Vrouwen hebben zich ook in conventen verenigd:
reeds in de 12de eeuw telden Caïro, Aleppo en Bagdad verscheidene
vrouwenconventen. Gemengde conventen, echter, kwamen niet voor. Nochtans
mag hieruit niet veralgemeend worden dat "soefi-islam" de vrouwenreligie
par excellence zou zijn.
6.2.2.
We moeten
er ons voor hoeden, uit te gaan van "katholieke" evidenties, wat de
islamitische, mystieke "ordes" betreft. Het gaat zelden of nooit om
hiërarchische, centraal geleide (transnationale) organisaties. De
verschillende conventen van een bepaalde orde zijn in beginsel autonoom. De meeste
van de talloze soefi-groepen verzamelen zich op informele wijze met een erg
beperkt aantal leden, zoals de Darqâwi, Tijâni, Shâdhili...
Wellicht de oudste en één van de belangrijkste ordes is de Qâdiriyya,
die haar ontstaan terugvoert tot ‘Abd al-Qâdir al-Jîlânî (werkzaam in Baghdâd, gestorven 1166).
Ook wegens haar vele vertakkingen, is ze nu over omzeggens de gehele soennitische moslimwereld verspreid.
Ze verkondigt een conservatieve visie, met klemtoon op de sharî’a en de vijf
pijlers. De
Turkse tak (Kadiri, in Turkse schrijfwijze) heeft ook een convent, of tekke, in Gent,
nl. de İslam Hizmet Vakfı /
Islamitische Stichting Fonds, of IH-VAK, in Nieuwland 12-14.
Zo mogelijk nog belangrijker is de Naqsh(i)bandiyya,
genoemd naar Khwâja Bahâ’ ad-Dîn Naqshband (Bukhara, 1318-1389; "naqshband"
betekent "schilder"). Ontstaan
in Centraal-Azië, vanuit Turkse handelaarsmiddens (in contrast met de
Perzische, aristocratische milieus, en daarom met een nadruk op soberheid
en nuchterheid), verspreidde de orde zich vanaf de 14de eeuw
vooral over de niet-Arabische regio's: oostwaarts naar Indië (met het
huidige Pakistan) en China; en westwaarts naar het Ottomaanse rijk,
waarvan ze de geschiedenis diepgaand beïnvloed heeft.
Het Indische Delhi zou eeuwenlang het hoofdcentrum van de orde vormen. Een
heel belangrijke vertakking van de N. was daar die van de
zogenaamde Mujaddidî-s, zo genoemd naar al-mujaddid, "de vernieuwer",
d.w.z. Ahmad Sirhindî (1564-1624). Hij gold als de "vernieuwer van het 2de millennium"
(cf.
in 1621 eindigde het eerste islamitische millennium).
Sirhindî heeft
de zoektocht naar God nog sterker dan voorheen verankerd in de strikte en
oprechte, wettische levensvoering (ikhlâs-i sharî'a), met de
imitatio Muhammadi, de nabootsing van het leven van de Profeet, als
ideaal. Fundamenteel inderdaad voor het
ethos van de N-orde, in het algemeen, is haar minutieus
vasthouden aan de sharî’a, als geheel van Gods verplichtingen, en de
grote klemtoon op zelfdiscipline.
Precies dergelijk formaliseren van het dagelijkse leven, geleid door de
juiste, innerlijke intentie, en het overwinnen van (de passies van) het Ik
of Zelf (nafs), stellen de gelovige in staat bestendig in het besef
te leven van de transcendentie. Tegelijkertijd werd van bij de aanvang de
tajdîd [uitspraak: tadjdied], of geestelijke
"vernieuwing", centraal gesteld - wat echter op
verschillende manieren kon worden ingevuld. Sirhindî begreep het niet in
de zin van verandering of aanpassing, maar integendeel in de (conservatieve) zin
van herbeleving van het innerlijke geloof of religieuze
herbronning, sc.
van het reeds geopenbaarde (de Koran). Tenslotte
werd in de N.-orde - die ook wel "de zwijgende orde" wordt genoemd - de
sheykh of charismatische leermeester verheven tot de onmisbare bemiddelaar tussen leerling en God.
In de bekende terminologie, diende de
leerling te leren zich, zwijgend, te "verliezen" in zijn liefde tot zijn sheykh (de
zgn. fanâ' fi-sh-shaykh). Die institutie van de zgn. râbita,
d.w.z. de geestelijke "band" of verbondenheid met, en overgave aan de leermeester, leverde Sirhindî ("de
schaduw van de sheykh is belangrijker dan de dhikr voor God",
luidde
één van zijn uitspraken) vanuit de orthodoxie een
beschuldiging van ketterij op, maar zij bleef ook nadien de hoeksteen van de orde
en ze maakte de orde feitelijk tot een mannenbond.
Tijdens de Britse
overheersing van Indië, zou de N. zich opsplitsen tussen een conservatieve, quiëtistische richting,
die zich ver hield van alle politiek, en een hervormingsgezinde en sociaal en
politiek geëngageerde richting (deze laatste zou nog een actieve rol
spelen bij de creatie van Pakistan). In het laat-Osmaanse rijk verwierven
de nakşibendi's een dominante plaats (van de ongeveer 140 conventen in Istanbul
waren er een 60-tal van N.-signatuur). Na de oprichting van de Turkse republiek en de
ontbinding van staatswege van de soefi-ordes, zouden de nakşibendi's
vooraan staan in het verzet tegen de kemalistische laiklik. Onder
meer het doorbreken van het traditionele gendersysteem
en de emancipatie van de vrouw vormden daarbij een belangrijke steen des
aanstoots.
Desalniettemin hebben de
nakşibendi's
zich weten aan te passen aan de Turkse moderniteit (zie hierover Ural
Manço, "Discours et
identité Nakshibendi Contemporains: de la mystique à la statistique?",
op deze site).
Vandaag zijn er in Turkije een verschillende N.-takken actief. Eén van de
bekendste, die in het verleden ook zeer nauwe banden had met (rechtse)
politici, wordt geleid door prof.dr. Mahmud Es'ad Cosan (deze tarika wordt
soms vergeleken met de Moslim Broederschap,
zie verder). Voor meer info (met Engelse vertaling van sommige van
Cosans teksten), zie bv.
http://www.haqq.com.au/~salam/cosan/ .
De N. heeft tal van moderne, neo-soefi of reformistische bewegingen geïnspireerd (zoals, voor de Turkse
tak: de Süleymanli’s, de Nurcu’s en Millî Görüş;
zie daarover verder).
Vandaag is de "familie" van N.-tarikats verspreid over de hele wereld. Wat West-Europa betreft, is ze vooral aanwezig in Duitsland (in
1992 waren 55 moskeeën ermee verbonden); terwijl ook in het UK
verschillende tendensen zich erop beroepen. N. groepen komen ook voor in
Frankrijk en de Benelux: in België gaat het om een 8-tal tekke's, onder de naam van "cultuurhuizen";
sedert 2000 zijn ze verenigd in de stichting, Sema Vakfı,
in Beringen. De "morele" en ideologische invloed van de N. overtreft
ruimschoots haar fysieke omvang.
In Afrika,
anderzijds,
heeft een volks soefisme oudere, animistische rituelen weten te integreren.
Een product ervan is de zogenaamde "marabout" (murâbit), van de
Berbers, de "heilige man" (cf. de pre-islamitische cultus van heilige
mannen en tovenaars). Een eerder recente (West-)Afrikaanse orde is de
Tîjâniyya, opgericht rond 1781, die vandaag vele miljoenen
aanhangers telt. Het ritueel werd hierin sterk
gereduceerd, met veeleer de klemtoon op goede intentie en goede daden (met
bv. strijd tegen het alcoholgebruik). Voor
België zijn nog te vermelden: de Afrikaanse Murîdiyya broederschap,
ontstaan uit de Senegalese tak van de Qâdiriyya, en met banden met de
Tijâniyya (Senegal wordt wel eens "het paradijs van de broederschappen"
genoemd). Ze wordt beschouwd als een typisch Afrikaanse reactie tegen de
geest van een "vreemde" islam; fundamentele zaken als het gebed en de
vasten werden terzijde geschoven, terwijl een typische arbeidsmystiek
ontwikkeld werd ("arbeiden is bidden"). De stichter ervan was shaykh Ahmadou Bamba (einde 19e
eeuw), die begraven ligt in de heilige stad Touba; zie de website
Touba-Internet.com. Zij telt onder haar
leden tal van universitairen alsook een belangrijke diaspora van
rondreizende handelaars. In Europa is ze aanwezig in Frankrijk
(belangrijkste centrum: Marseille), Italië, Spanje en ook in België; maar
het bijzonder succesvolle netwerk ervan (dat uitsluitend uit Senegalezen
bestaat en waarin religieuze en handelspraktijken nauw met elkaar verwezen
zijn) strekt zich ook uit tot Noord-Amerika.
Tenslotte vermelden we nog de ‘Alawiyya,
opgericht in 1915 en
voortgekomen uit de Darqâwi traditie in Algerije. Zij ontwikkelde een
moderne en geïndividualiseerde mystiek, die gericht is op de persoonlijke
godsdienstbeleving. In Europa (Frankrijk, in de eerste plaats) nam ze de naam
aan van Les Amis de l’Islam, enis als zodanig ook aanwezig in Nederland, Duitsland, Italië en België.
Ze staat open voor vrouwen en heeft een gemengde dhikr - "ce qui
est assez exceptionnel" (Dassetto, 2004:38). Vermeldenswaard is nog dat vormen van volkse, "geleefde"
islam, met ruimte ook voor typische, zogenaamde "vrouwendevoties"
(zoals bedevaarten naar heiligengraven), in
onderscheid met de (masculiene) formele, "wettische" of geleerdenislam,
zich al eeuwenlang geënt hebben op de mystieke of contemplatieve
ontwikkelingen [voor dat onderscheid tussen "l'islam vécu" en
"l'islam construit", zie Leïla Babès, L'Islam Intérieur, 2000].
6.2.3. Soefisme en "wettische", islamitische orthodoxie hebben altijd op
gespannen voet met elkaar geleefd (dat geldt zelfs, zoals gezien, voor een
conservatieve orde als de Naqshbandiyya). Toch werden een aantal ordes in de traditie uitdrukkelijk
als "heterodox" veroordeeld. Voor het Ottomaanse rijk
(nu: Zuidoost-Europa en Turkije) geldt
dat vooral voor de Bektâşi-s,
al dan niet in combinatie met de Alevi-s.
Historisch
werd het Turkse Alevisme (Alevilik)
opgesplitst in twee groepen:
(a) de Bektâşi-orde, en (b) de zgn. “Kızılbaşlar”
(letterlijk: “Roodkoppen”, naar hun oorspronkelijke,
rode bonnet, of tâdj, maar al vlug met de pejoratieve connotatie
van zindik, d.w.z. ketterse rebel, of mens van losse zeden), nadien
“Alevi” genoemd. Beide strekkingen beroepen zich, als hun
legendarische stichter, op dezelfde mysticus-volksheilige: Hacı
Bektâş Veli (13de eeuw). Zijn grafmonument, of türbe, bevindt zich in de Turkse
stad Hacıbektaş en is het trefpunt voor
een groot jaarlijks festival dat is uitgegroeid tot de belangrijkste
manifestatie van het Turkse Alevisme vandaag.
De eerste
groep, de Bektâşi-orde
(gevestigd vanaf de 15de eeuw), was altijd goed georganiseerd, met vaste rituelen, en
was traditioneel zeer nauw verbonden met het Osmaanse leger, d.w.z. met
het elitecorps van de (van
oorsprong christene) Janitsaren; de bijzonder gewelddadige ontbinding van dat korps, in 1826,
ging niet toevallig gepaard met de officiële opheffing van de B.-orde. Vanuit hun lokale tekke-s, of kloosters, onder leiding van een
baba, onderhielden
de Bektâşi-derwishes de religieuze ijver van deze bekeerlingen bij middel van typische
zikr-s
en andere rituelen. De B.-ideologie is erg syncretistisch (met elementen uit het
shi'isme: de 12 Imâms;
het christendom: de
drievuldigheid van God, Muhammad en 'Alî; het gnosticisme; het centraal-aziatisch
shamanisme,...) en non-conformistisch: ze
wijden ook vrouwen in en passen een zgn. "verticale lectuur" toe van de Koran,
die een grotere vrijheid geeft t.a.v. de islamitische geboden en verboden, bv. op het wijn-drinken.
De orde
stelde zich, anders gezegd, heel afstandelijk op t.a.v. de religieuze wet
(sheriat);
ze werd dan ook vaak als ketters veroordeeld. In de tweede helft van de
19de eeuw, speelden de Bektâşi’s
een belangrijke rol in de Ottomaanse moderniseringsbeweging;
tal van hen
lieten zich ook inwijden in de toenmalige (vanuit West-Europa
geïmporteerde) vrijmetselarij. In het huidige Turkije, echter, zijn
ook de B. de nationalistische toer opgegaan;
Hacı
Bektâş is daarbij tot een soort van patroonheilige van Turkije
gemaakt (hij zou zelfs Mohammad en 'Ali tot "Turken" verklaard hebben).
De B.'s zijn
van oudsher sterk
ingeplant in de Balkan. Einde 19de en begin 20ste eeuw stond de orde aan
de wieg van het Albanese nationalisme, zodat ze bij de Albanezen zowat het karakter kreeg van een nationale religie.
In de meer recente geschiedenis, echter, heeft het Bektâşi-soefisme
er
zwaar te lijden gehad onder het stalinistische Enver Hoca regime. Vandaag is de orde heropgericht in Albanië
(maar haar aanhang zou geslonken zijn tot ca 20% van de moslimpopulatie).
Ook in Kosovo en Macedonië worden de
tekke-s en de heiligengraven (türbe-s)
volop heropgebouwd. [Zie: Jean-Arnault
Dérens, Les derviches mystiques au coeur de l'identité albanaise, URL:
http://www.balkans.eu.org/article533.html ]
De tweede
groep, de Alevilik, was van oorsprong (half-)nomadisch (met verwante gemeenschappen in
Syrië, Irak en Iran), en is zich nadien in autonome dorpen gaan vestigen;
ze was eerder tribaal dan esoterisch (je kan geen Alevi ‘worden’: je moet
als Alevi geboren zijn). Ze was en is bijgevolg veel minder strak
georganiseerd (onder leiding van zgn. dede-s, of "grootvaders",
die er zich in principe op beroepen afstammelingen te zijn van de familie
van de Profeet). Het
religieus-etnische zwaartepunt ervan lag en ligt nog overwegend in
oostelijk Anatolië. Zonder moskee (de dorpen zijn, of waren, daardoor visueel
erkenbaar), is het centrale ritueel, waaraan mannen én vrouwen deelnemen,
dat van de cem (uitspraak: [djem]). Zij beoogt de onderlinge
verzoening en 'gemeenschap der harten' (muhabbet), en gaat
gepaard met zang en dans; ze wordt gewoonlijk
gehouden in een zogenaamd cemevi (letterlijk: “cem-huis”).
Samen met de druzen (Libanon) en de alawiten (Syrië), worden de aleviten
gewoonlijk tot de shi'a gerekend, meer in het bijzonder de zogenaamde "ghulat"
of "extreme" shi'a (cf. de speciale aanbidding van Ali).
[Informatie ook in: De Ley, De Brug van Mostar,
§ 4.2.]
In Turkije
worden de Alevi's (Turken en Koerden) tussen de 20 à 25 miljoen geschat (20 tot 30%
van de bevolking).
Met de
grote migratie uit Oost-Anatolië sedert de jaren ‘ 50, zowel naar het
westen van Turkije als naar Europa, is ook de traditionele ‘clan’
structuur van de landelijke Alevi-gemeenschappen sterk verzwakt.
Tegelijkertijd, werden de aleviten, die de Turkse lekenstaat steunden en
zich politiek doorgaans links opstelden, vaak het slachtoffer van
sektarisch geweld vanwege fundamentalistische (dus: anti-shi'itische) soennitische groepen.
De bekendste tragedie, in dit verband, was ongetwijfeld het drama in Sivas,
2 juli 1993: het hotel waarin een congres plaats vond ter herdenking
van Pir Sultan Abdal (dichter uit de 15de eeuw, die werd terecht gesteld
in Sivas), werd in brand gestoken door soennitische fundamentalisten,
onder passief toekijken van de ordestrijdkrachten: 33 mensen - overwegend
intellectuelen en kunstenaars, alsook twee kinderen - werden levend
verbrand. [Zie URL
http://en.wikipedia.org/wiki/Sivas_massacre ]
De
laatste decennia, desondanks, was er een sterke heropleving van de
Alevilik, vooreerst als een culturele beweging (cf. een hoogstaande,
o.m. muzikale kunstproductie), zowel in stedelijk
Turkije als onder de emigratiegemeenschappen in West-Europa.
Door een aantal ontwikkelingen, echter, binnen Turkije (zoals de
"islamisering" van de Turkse staat, sedert de jaren '80, met de
introductie van verplicht soennitisch godsdienstonderricht in de staatsscholen) is er
ook een beweging op gang
gekomen om zich tot een religieuze gemeenschap om te vormen en als
zodanig religieuze rechten af te dwingen van de Turkse
overheid (in tegenstelling tot judaïsme en christendom, wordt de Alevilik
door de Turkse wetgeving niét erkend als een religieuze minderheid en Alevi
kinderen zijn bv. verplicht het soennitisch
godsdienstonderricht te volgen). Recentelijk werd daartoe een petitie met
1 miljoen handtekeningen overhandigd aan de overheid, met de dreiging dat men zich tot het Europese Hof van de Rechten
van de Mens zou wenden
[cf. artikel "Alevis issue an ultimatum",
22/6/05, in de Turkish Daily News:
http://www.turkishdailynews.com.tr/article.php?enewsid=16413 ].
De Alevi diaspora telt meer dan 1 miljoen mensen in Europa, Australië en de VS.
Ongeveer de helft ervan leeft in Duitsland. Ze vormen er ongeveer 20% van de immigranten van Turkse origine; in
een aantal Länder wordt nu een specifiek alevitisch godsdienstonderricht
op school gevraagd. In Nederland zijn de ongeveer 15 alevitische
organisaties verenigd in de Federatie van Alevitische Gemeenschappen
Nederland (of: Hak-Der); de organisatie afficheert zich als
humanistisch, cf. URL: www.hakder.nl. In
België zijn er ongeveer 16.000 Alevi's. Organisatorisch, zijn de Alevi
verenigingen hier gegroepeerd binnen de Belgische Federatie van Alevi
Verenigingen (Belçika Alevi Birlikleri Federasyonu).
Op Europees niveau is sprake van een Europese Confederatie (Avrupa Alevi
Birlikleri Konfederasyonu), maar wie de website ervan aanklikt (www.alevi.com
), krijgt voornamelijk de Duitse federatie (Almanya Alevi Birlikleri
Federasyonu) gepresenteerd.
Wat de religieus-ideologische continuïteit betreft, in de Europese
emigratie zijn er te weinig dede's om die degelijk te onderhouden. Vandaar
dat er in Duitsland voor het eerst verkiezingen zijn gehouden om dede's
aan te stellen; tegelijk werd ook een academie opgericht voor de vorming
van toekomstige dede's. In België, daarentegen, volstaat men alsnog met
het een of tweemaal per jaar uitnodigen van dede's vanuit Turkije of
vanuit Duitsland.
Internet: zie vooral de tweetalige (EN-TR) site "Alevilik-Bektaşilik":
http://www.alevibektasi.org/index1.html
. Hierop kan heel wat materiaal (ook academische bijdragen) en documentatie
worden gevonden. Rijk aan informatie is ook het themanummer, "Au pays
des Alévis", van het Brusselse tijdschrift, agenda interculturel,
nr. 249, Janvier 2007.
6.2.4. Epiloog.
Wat de maatschappelijke
positionering betreft van soefi's, naar gelang van de verschillende
klemtonen die gelegd werden, tussen de ordes maar vaak ook binnen
verschillende takken van dezelfde orde,
werd door de enen geopteerd voor een vorm van quiëtisme en
terughoudendheid; door anderen voor een gerichtheid op de wereld en
interventie in het sociaal-politieke gebeuren; door nog anderen voor
gewapend geweld om de eigen belangen te verdedigen. In de koloniale periode
leidde de "soepelheid" van de soefi broederschappen vaak tot vormen van
collaboratie, vanwege de sheykhs, met de koloniale overheerser (bv. in
Marokko, Algerije...), en werden ze vandaar geweerd door de nationalisten
(zie bv. de ontbinding van de ordes na de oprichting van de Turkse
republiek).
Vandaag ervaren de ordes de negatieve effecten van de verbreiding
van de ééndimensionale, rigoristische islamvariant van het saoedische
wahhabisme.
Zowel,
trouwens,
vanuit milieu's van de traditionele schriftgeleerden, de islamisten als vanwege
moderne moslimintellectuelen pleegt er heel wat kritiek te komen op het soefisme
[een bekend, "liberaal" denker als bv. Fazlur Rahman, in zijn bekende boek,
Islam (1979²), p. 244, heeft het over "the colossal moral and
spiritual débris which is the legacy of Sûfism", en op p. 245,
bestempelt hij de soefi spiritualiteit als "no better than a
form of spiritual delinquency often exploited by the clever Sûfî leaders
for their own ends"]; met hun vormen van bijgeloof en
wereldvreemdheid, de kwalijke rol van tal van soefi leiders, enz., zouden
de ordes verantwoordelijk zijn voor de stagnatie en achterlijkheid van de
moslimwereld. Dat belet niet dat, gelijktijdig met
het op de voorgrond treden van islamistische bewegingen, in de tweede helft van
de 20ste eeuw (vooral na de Arabische nederlaag tegen Israël, in 1967, en met
de Iraanse revolutie, in 1979), ook het soefisme klaarblijkelijk een
revival kent - zowel de klassieke ordes als uiteenlopende,
reformistische bewegingen die er een aantal praktijken van devotie en
discipline mee delen (zie verder). In de literatuur wordt aangestipt dat,
terwijl hedendaagse soefi groepen het hele spectrum bestrijken, van strikt sharî'a-georiënteerde tot heterodoxe, er geen strikte grens kan worden
getrokken tussen dergelijke groepen en bewegingen van het New Age
type [zie Martin van Bruinessen, "Sufism and the 'Modern' in Islam",
in: ISIM-NL, 13/03, p. 62,
http://www.isim.nl]. Tegelijkertijd
worden de soefi-broederschappen binnen de brede moslimwereld (m.i.v. het
Westen) geconfronteerd met "nieuwe", radicale vijanden, namelijk in de
vorm van het hedendaagse salafisme (zie verder, kap.
6.6.2).
De
spirituele inslag van het soefisme beantwoordt ongetwijfeld aan een diepe behoefte van
vele moslims en maakt deel uit van de manier waarop islam in het leven
van alledag daadwerkelijk beleefd wordt. In vrijwel alle
moslimlanden (belangrijkste uitzondering: het wahhabitische Saoedi-Arabië) zijn soefi-gemeenschappen actief
gebleven; maar nog belangrijker misschien
is de indirecte betrokkenheid van vele moslims bij het soefisme: vele
gelovigen
putten inspiratie en kracht uit een regelmatig bezoek aan een soefi convent of
aan het graf van een (al dan niet legendarische) soefi-heilige. Dat geldt ook voor Turkije, waar na de
stichting van de Republiek, in 1925, de soefi-ordes nochtans formeel opgeheven
en de conventen gesloten werden (de naqshbandi's hebben zich daaraan weten aan te passen door hun organisatie
en praktijken te moderniseren: van tarikat naar vereniging en
stichting; samenkomsten heten nu "seminaries", enz.).
Tenslotte mag misschien nog worden opgemerkt dat het "soefisme", als de
spirituele en mystieke gedaante van de islam, vooral dan in zijn moderne
gedaantes (met beklemtoning van het individu) op veel sympathie en
belangstelling kan rekenen buiten de islam.
Dat drukt zich ook uit in het
feit dat in het Westen heel wat bekeringen tot de
islam via (een of andere vorm van) het soefisme gebeuren. Al dan niet in
combinatie met de overgang van broederschap naar sekte (als een meer
algemene vorm van godsdienstigheid) - wat "ook een vorm van
'modernisering' (is) van het soefisme" (Roy 2005²:120) -, bestaan sommige gemeenschappen in Europa en de VS
vrijwel uitsluitend uit bekeerlingen [bv. de zgn. Murabitûn
tarîqa, in Andalusië (maar nu ook actief aanwezig in Mexico en andere landen
van Latijns-Amerika), opgericht en autoritair geleid door de Schot Ian
Dallas, onder diens zelfgekozen naam van Shaykh Abdalqadir As-Sufi, zie de website:
http://www.shaykhabdalqadir.com/phtml/index.php?newlang=english ].
Tegelijkertijd is er ook een tendens
tot ontwikkeling van een universeel soefisme,
als een spirituele levensvisie
over de grenzen van de broederschappen, en zelfs van de religies, heen. Zie bv. de International
Association of Sufism, http://www.ias.org
, en de vrouwelijke vertakking ervan, Sufi Women Organization: an
international humanitarian organization promoting universal human rights,
http://www.sufiwomen.org/ . De
veranderingen die met name gepaard gaan met de vestiging van
broederschappen in het Westen, buiten de oorspronkelijke
immigrantenkringen, hebben tevens geleid tot de intrede van het "New
Age-soefisme"; het gebed wordt hierin gewaardeerd als
ademhalingstechniek ter bevordering van... een goede gezondheid. Tenslotte
biedt het toenemend gebruik van het
internet een ideale mogelijkheid voor de creatie van een soefisme
nieuwe stijl: de traditionele, complexe en bemiddelde contactname met de
wijsheid van de meester (sheykh), binnen een concrete groep, wordt er vervangen
door een "'direct', maar kunstmatig contact met de meester"; de
volgeling vindt niet langer enig sociaal of fysiek houvast in een fysieke
groep. Het gaat dan om een "nieuwe broederschap", of
misschien beter: nieuwe religieuze beweging, die als maar meer
leden werft, zoals andere New Age sekten, "en die alleen nog in naam
een band met de islam heeft" (Roy 2005²:168-169).Op
deze en andere manieren kan het soefisme "dus ook helemaal van deze
tijd zijn" -
al was het maar als een soort van "meditatieclub" (zo Roy, 2005²:120-121).
[Het belangrijkste "handboek" over de geschiedenis en
ontplooiing van de mystieke ordes
is: Alexandre Popovic & Gilles Veinstein (dir.), Les Voies d'Allah. Les
ordres mystiques dans le monde musulman des origines à aujourd'hui,
1996.
Voor een algemeen overzicht van het soefisme en de belangrijkste ordes, op het internet, zie
de informatieve website van dr Alan Godlas (Univ. of Georgia), "Sufism,
Sufis and Sufi Orders":
http://www.uga.edu/islam/Sufism.html ; ook: "Islamic Sufi Orders on the World Wide Web" (met tal van links, die
helaas niet allemaal werken):
http://www.haqq.com.au/~salam/sufilinks/ ]
6.3. Reformistische (neo)mystieke
bewegingen:
In het kielzog van de westerse kolonisatie werd de moslimwereld, vanaf de 19de
eeuw, niet enkel geconfronteerd met de militair-politieke en economische
overheersing door West-Europese landen, maar ook met een vaak agressieve,
ideologische en religieuze penetratie (cf. het georganiseerd en politiek
ondersteund optreden van
christelijke missionarissen). Eerder uitzonderlijk, zoals met de oprichting
van de Turkse Republiek, was het de eigen staat die op een autoritaire en
repressieve wijze een vorm van verwestersing poogde op te leggen. In hun
verweer hiertegen concentreerden tal van moslimintellectuelen zich op de
eigen tekortkomingen, d.w.z. op wat zij ervoeren als (1) de verregaande
staat van ontislamisering en religieuze onwetendheid van hun samenlevingen,
en (2) het onvermogen van de traditionele islamitische instellingen
om daartegen weerwerk te bieden. De hier en ook hierna besproken
hervormingsbewegingen zijn ontstaan vanuit die dubbele vaststelling. Zij
zijn daarom gericht op een of andere vorm van
herislamisering, als
een noodzakelijke voorwaarde, huns inziens, om de moslimwereld opnieuw "competitief" te maken t.a.v. het dominante, christelijke (of
seculiere) Westen. De concrete programma's ervan laten zich o.m. daardoor
van elkaar onderscheiden, dat de ene beweging zich veeleer toespitst op de vorming
en opleiding van religieuze "kaders" (vandaar eerder "elitair"
lijkt), de andere op prediking en missionering (da'wa, letterlijk: "uitnodiging", sc. om de
islam te hervervoegen). Een ander verschilpunt betreft de basishouding ten
aanzien van de moderniteit: d.w.z. dat kan gepoogd worden die moderniteit
(wetenschappen, e.d.) te integreren in een islamitisch kader (vgl. de
Nurcu's), ofwel dat men
ervoor opteert zich terug te plooien op de oudere, islamitische tradities,
d.w.z. wat men als zodanig beschouwt (zie de Süleymanli's). Ook in dit laatste geval, echter, zijn
er redenen om te spreken van een vorm van "modernisering" (cf.
individuele ledenwerving, op basis van vrijwilligheid). Dat geldt met
name ook voor de hedendaagse, zogenaamde "(neo)fundamentalistische"
ontwikkelingen: zij lijken in belangrijke mate een product van de (westerse)
"identity politics", of van individualiseringsprocessen [zie hierover nu het boek van Olivier Roy,
Globalised Islam: The Search for a
New Ummah, publ. C.Hurst & Co, 2004; bespreking op URL:
http://www.spiked-online.com/Printable/0000000CA816.htm ;
oorspronkelijke Franse versie 2002; voor de Nederlandse vertaling, 2005²,
zie onze literatuurlijst]
In deze
rubriek bespreken we enkele dergelijke hervormingsbewegingen, opgericht in
de moderne tijd, die direct of indirect geïnspireerd zijn vanuit het
soefisme. Twee ervan zijn ontstaan op het Indische subcontinent en zijn
daarom vooral van belang zijn voor Groot-Brittannië; de derde is een
transnationale Turkse stroming die ook aanwezig is in ons land en in Gent.
6.3.1. De Deobandi’s:
Beweging
opgericht door reformisten en godgeleerden (‘ulamâ) die nauwe banden
hadden met de elitaire traditie van het soefisme en een strikte en
conservatieve soennitische
orthodoxie wilden propageren. De naam ervan is afgeleid van de stad Deoband,
in de buurt van Delhi, die onder het Moghulrijk een centrum was van
traditionele islamitische geleerdheid. Na de mislukte Indische opstand
tegen de Britten, in 1857, en de val van de laatste moslimheerser kwamen de
Indische moslims terecht in een vrij unieke situatie: niet alleen waren ze beroofd
van de politieke macht, maar ze bevonden zich tevens in de positie van een
religieuze minderheid (van 1 op 3) ten aanzien van de Hindu-bevolking die ze tien
eeuwen lang overheerst hadden. In die context werd er in 1867 in Deoband een islamitisch college (dâr
al-‘ulum) opgericht voor toekomstige ‘ulamâ; de stichters ervan
waren Muhammad Qasim Nanautawi en Rashid Ahmad Gangohi.
Het onderwijs vond plaats op basis van een vast
curriculum, met examens - naar Brits model, dus -; alle Engelse of westerse
vakken, echter, werden geweerd. De onderwijs- en publiceertaal was
het Urdu: het Urdu is een schrijftaal afgeleid uit het Sanskriet maar in Arabisch
schrift en met veel Arabische en Perzische leenwoorden, die in de 19de eeuw
het Perzisch verdrong als de lingua franca voor
moslimgeletterdheid in het hele Indische subcontinent. Rond de eerste school
ging zich een breed, informeel schoolnet ontwikkelen (een eeuw na oprichting
van de eerste school zouden er ruim 9.000 madrasas actief zijn geweest). In een
kolonialistische en minoritaire context, was het er de leidende deobandi's
bovenal om te doen, middels het heropwaarderen van de islamitische wetenschappen (met, naast de Koran, de sharî’a en, in mindere mate, logica en filosofie, vooral de studie van de
Hadith in het centrum), in een veranderende wereld een islamitische
identiteit te bewaren en promoten.
De leidende kaders van de deobandi's beschouwden
zich niet, zoals de meer populaire soefi shaykhs, als religieuze bemiddelaars
(sc. tussen gelovige en God), maar wel als modellen voor hun leerlingen; en
als reformistische soefi's namen ze hun spirituele verantwoordelijkheid
t.a.v. hun leerlingen zeer ernstig. Ze verwierpen echter alle niet-orthodoxe
(onder meer vanuit het hindoeïsme binnengedrongen), lokale en volkse gebruiken zoals de heiligen-
en gravencultus. De
klemtoon werd gelegd op de individuele, spirituele discipline; inwijding in verschillende soefi-broederschappen tegelijkertijd
werd aangemoedigd (bv. in de Suhrawardiyya, de Qadiriyya en de Naqshbandiyya; van deze laatste
werd de stilzwijgende dhikr of meditatie sterk aanbevolen). Tenslotte
speelde de deobandi ook in op het wegvallen, onder het Britse koloniale bewind, van
het islamitisch establishment en de als maar groeiende vraag, vanwege de
moslimgelovigen, naar religieus-juridische adviezen of richtlijnen (fatâwa, of fatwa-s) voor het leven van
elke dag. Hun ‘ulamâ verwierven hierbij een grote reputatie; hun
fatwa’s, in het kader van de hanafitische rechtsschool, werden regelmatig verzameld en
gepubliceerd.
In de jaren
'80 van de 20ste eeuw, onder de militaire dictatuur van generaal Zia ul-Haq, werd de
soennitische (hanafitische) islam in Pakistan opgelegd als de nationale norm.
Met de revolte hiertegen van de shi'itische minderheid (15 à 20 % van de bevolking), zou
het deobandi militantisme, dat ook de vorm aannam van een Pakistaanse
politieke partij, de strijd tegen het shi'isme tot een
belangrijk actiepunt maken (daarin mede aangemoedigd door de geopolitieke rivaliteit tussen Iran
en Saoedi-Arabië).
Wegens hun
elitarisme, zijn de deobandi’s er niet in geslaagd de islamitische eenheid
die ze op het oog hadden, daadwerkelijk te realiseren. Waar hun puritanisme
en reformisme vooral gericht was op het geloof en de praktijken van de plattelandsbewoners, zouden zij in de 20ste eeuw nuttig aangevuld worden
door de revivalist beweging van de Tablîghî Jamâ’at (zie
verder, § 6.4.1). In
het Verenigd Koninkrijk, vandaag, vormen de deobandi een netwerk dat geactiveerd
wordt vanuit hun seminaries in Bury en Dewsbury. Die onderwijsinstellingen
profiteren van de recruteringen verricht door de informele netwerken van de
Tablîghî Jamâ’at. De deobandi's werken ook nauw samen met de
saoedische Râbita.
Vele Afghaanse Talibân (of "Studenten"),
tenslotte, hadden eerder jaren school gelopen in de deobandi madrasas in Pakistan;
zij
zouden de conservatieve deobandi-principes (bv. wat de status van de vrouw
betreft) op een extreme manier opleggen aan de gehele Afghaanse samenleving.
6.3.2. De B(a)relwi’s:
De stichter
ervan, Ahmad Riza Khan Barelwi (1856-1921) was lid van de Qâdiriyya en was afkomstig
van het stadje Bareilly, in Uttar Pradesh. Riza Khan wendde zijn grote
geleerdheid aan om, tegen de literalistische tendensen in van o.m. de
deobandi’s, de legitimiteit te verdedigen van de volkse soefiwereld van
heiligenschrijnen, waar de gelovigen de tussenkomst komen vragen van (levende
en dode) pirs. De B. beweging echter onderscheidt zich vooral door de
intense devotie voor de Profeet (overeenkomstig de traditie die spreekt van
“het licht van Muhammad”), met bijvoorbeeld een centrale plaats
voor het (volks)feest van de verjaardag van de Profeet (mawlud). Door
hun opponenten worden ze ervan beschuldigd Muhammad te vergoddelijken. Met
als Europees centrum de stad Bradford in Engeland, speelden de barelwi’s een
belangrijke rol in de Salman Rushdie affaire.
In de
beginjaren van de 20ste eeuw voerden barelwi's en deobandi’s een fatwa
oorlog tegen elkaar, waarbij ze elkaar als niet-moslim of kâfir excommuniceerden. Ook vandaag is de wederzijdse antipathie nog altijd groot
tussen de barelwi's, enerzijds, en de deobandi’s en Tablîgh, anderzijds.
Vandaag, in het kader van het neofundamentalisme en het groeiend succes van
het "salafisme" (zie verder, kap. 6.6.1 en
6.6.2), is er onder Britse moslimjongeren
een beweging weg van de barwelwi naar de deobandi.
Eén van de belangrijke figuren in
de B. vandaag is Pir Maroof Hussain Shah (gevestigd in Bradford). Hij komt
elk jaar een maand naar België, Nederland, Frankrijk en Duitsland, voor zijn
volgelingen onder de Pakistaanse diaspora en de Hindoestani, uit Suriname,
in Nederland.
6.3.3. De Nurcu-s
([uitspraak: noerdjoe], in het Turks: de Nurcular, Nurculuk, of Cemaat-i Nur, “Gemeenschap van het
Licht”, of Nur-beweging; PS "nur" betekent "licht",
in het Arabisch zowel als in het Turks):
6.3.3.1.Turkse,
modernistische “faith movement”, gebaseerd op de religieuze
geschriften van Bediüzzaman (letterlijk: "Wonder van de Tijd")
Said Nursi (1876-1960).
Van Koerdische afkomst (cf. het plaatsje Nurs), was Nursi terdege opgeleid in de
islamitische zowel als de moderne wetenschappen. Een spirituele crisis
bracht hem tot het inzicht dat enkel een geestelijke herbronning (en dus:
herislamisering) de moslimwereld in staat zou stellen met succes de confrontatie
aan te gaan met het Westen. Onder zijn 130
geschriften verdient vooral de verzameling Risale-i-Nur (letterlijk: “Brief van het Licht”), vermelding:
deze verzameling teksten wil de koranieke boodschap uiteenzetten op een
manier die aangepast is aan de moderne vereisten, op het vlak van taal en
terminologie, wetenschappelijkheid, enz. Zij ging de basis vormen
voor Nursi's onderwijs. De organisatie die daartoe werd uitgebouwd, noemde
hij zelf "school", in plaats van tarikat, of "broederschap". Nursi stond
inderdaad afwijzend t.a.v. de traditionele, wereldvreemde soefi-mystiek (tassawuf) en de ermee gepaard gaande hiërarchie van de
inwijding. Toch
kan de Nurcu een "getransformeerde broederschap" worden genoemd: cf.
de charismatische leiding en interne hiërarchie; het centrale rituaal van de
"ayın", d.w.z. een meditatieve contemplatie op
basis van Nursi's geschriften, dat als een structureel equivalent wordt
beschouwd van de dhikr, maar niet langer als een doel op zich wordt
beschouwd; een spiritualiteit die geworteld is in het pantheïsme van de
mystieke islam (God wordt gereflecteerd in alle natuurfenomenen); tenslotte
verwerkte Nursi in zijn geschriften tal van ideeën van nakşibendi
en kadiri, met inbegrip van
een
conservatieve visie zowel op het gezin als op de traditionele rolpatronen.
[Zie de website (met een uitvoerige,
hagiografische biografie):
http://www.bediuzzaman.org/ ; alsook
de Engelstalige biografie op:
http://www.risale-inur.com.tr/rnk/eng/tarihce/bsn.htm ]
Zoals ook
het geval is, dus, voor de andere, moderne hervormingsbewegingen in de
moslimwereld, moeten ontstaan en ontwikkeling van de N.-beweging gesitueerd
worden in een context van confrontatie met de moderniteit, en bijgevolg
"in een situatie van cultuurverlies en veranderende traditionele
samenlevingen" (Roy 2005²:119-120). Voor Turkse
moslimdenkers, echter, in de jaren '20 van de 20ste eeuw, nam die "westerse" moderniteit de
concrete, politiek-institutionele gedaante aan van
een
"eigen", Turkse republiek,
autoritair geleid door Mustafa Kemal (hij liet zich later "Atatürk", "Vader der Turken",
noemen). Net zoals zijn land- en
tijdgenoot, Süleyman Hilmi Tunahan (zie verder, §
6.4.2), daarom, beoogde Nursi in de eerste plaats een vorm van religieus-ideologisch verzet (Nursi sprak zelf van een
"jihad") tegen de kemalistische
laiklik (zie ook hoger), met als ultiem doel de
herinvoering van de sharî'a. Nogmaals, net
zoals Süleyman, werd ook Nursi meer dan eens het slachtoffer
van repressie van staatswege; in zijn geval zelfs nog na zijn dood: zijn stoffelijk overschot werd door
de Turkse overheid ontvreemd en begraven op een onbekende plaats, om te
vermijden dat zijn graf een bedevaartsoord werd voor zijn aanhangers.
Inhoudelijk,
echter, koos Nursi voor een, in vergelijking met Süleyman, gans verschillend
antwoord op de uitdagingen van de moderniteit: geen
"fundamentalistische" of misschien beter: ultra-orthodoxe terugplooiing op de (onveranderlijk
geachte) geloofsbronnen
en -idealen (de zgn. imitatio Muhammadi), maar een flexibele en eigentijdse interpretatie van de religieuze traditie.
Dat moest het mogelijk maken het geloof te cultiveren zonder openlijk in conflict
te komen met de moderniteit. De "brug" die aldus geslagen wordt tussen, meer
in het bijzonder, islam en moderne wetenschap, blijft weliswaar religieus-ideologisch van aard: een belangrijk thema in Nursi’s teksten vormt
de harmonie tussen het geloof in de Schepper en de resultaten
van de moderne wetenschap, met ontwikkeling van het ideologische concept van een
“islamitische wetenschap”; de moderniteit moest op die wijze
geïslamiseerd worden. Daarbij werd, en wordt, vooral de strijd aangebonden
tegen het westerse atheïsme en het darwinisme (met het principe, immers, van de natuurlijke
selectie is het ontstaan van de mens niet langer te danken aan een speciale
creatie door God).
Met haar
typische combinatie
van mystiek en rationalisme, is de Nur revivalist- en
hervormingsbeweging de belangrijkste beweging van
die aard in Turkije (het aantal aanhangers ervan wordt geschat op 5 miljoen). Nursi’s
geschriften hebben, na de wettelijke ontbinding van de broederschappen (in 1925), een soort neo-
of postsoefisme helpen vestigen. Het
kennismonopolie van de traditionele godgeleerden en sheykhs werd doorbroken en de islamitische
wetenschappen werden a.h.w. gedemocratiseerd; tegelijkertijd werden ook de wetenschappen
gepopulariseerd, weliswaar binnen
een islamitisch denkkader. Kenmerkend voor het modernisme
van de Nur is de nadruk op
de religieuze en morele bewustwording van het individu, als
voorwaarde voor een (eventuele) transformatie van de maatschappij (cf. de
leden worden rechtstreeks geworven, d.w.z. op individuele basis, zonder
tussenkomst van een groep, zoals familie, corporatie, clan..., en zonder
inwijdingsproces). Daartoe werden en
worden rond de sleutelteksten van onder meer de Risale leeskringen of seminaries
ingericht, de zgn. dershane's
(letterlijk:
“leshuizen”, of leesclubs) - men zou ook van "loges" kunnen
spreken,wegens de mate van geheimhouding of althans discretie die in acht wordt genomen
-, als een moderne vorm van socialisatie, op
basis van vrijwilligheid. De nurcu’s komen er regelmatig (viermaal
per week) samen om te mediteren over de
Koran (die in het Arabisch wordt gelezen), de Risale en andere geschriften van Nursi.
Die
netwerken, echter, hebben behalve spirituele, ook meer algemene, educatieve, sociale en zelfs commerciële
(business) functies gekregen. De N.-elite die eruit is voortgekomen,
gaf grotere zichtbaarheid aan de nieuwe, Anatolische bourgeoisie (in
onderscheid met de traditionele, West-Turkse élite, die de sociale basis
vormt van het kemalisme). Als
(leken)beweging is de N. tegelijkertijd open naar de buitenwereld én missionerend
in opstelling. Zoals de Tablîgh, tracht men politieke betrokkenheid en
conflict zoveel mogelijk te vermijden: d.w.z. dat men zich 'boven' de
politiek probeert te houden (wat niet belet heeft dat ook de nurcu's in de jaren
‘70 en '80 in Turkije betrokken waren bij gewelddadige acties tegen links).
6.3.3.2. Na Nursi’s
dood is de beweging opgesplitst in een achttal
subrichtingen, op basis van een aantal breuklijnen (politieke, sociale,
etnische en culturele). Vermoedelijk de belangrijkste ervan, vandaag, is de "neonurcu"
tak die geleid wordt door
Fethullah Gülen (geb. 1938). Deze internationaal bekende moslimintellectueel is de auteur van reeds meer dan 40
boeken, die o.m. ook in het Engels verspreid worden (zie de website:
http://www.fgulen.org/ of, alternatief
URL,
http://www.fethullahgulen.org/, met teksten in een
10-tal talen). Gülen
besteedt, behalve aan religieuze en spirituele thema's (bv. over het
soefisme), opvallend veel energie aan de strijd tegen Darwins
evolutieleer en het propageren van een creationistisch
wetenschapsmodel, vaak in samenwerking met conservatieve katholieken en protestanten.
De bekendste auteursnaam, echter, op het terrein
van het Turks-islamitisch creationisme
is die van Harun Yahya. De naam is het schrijverspseudoniem van Adnan Oktar
(geb. 1956),
geestelijke leider van de zgn. Stichting voor Wetenschap en Onderzoek (Bilim
Araştırma Vakfı).
Ze werd
opgericht in 1990 met als doel: "het uitroeien van de evolutietheorie
en het materialisme in de Turkse samenleving" ; tweede belangrijk doelwit
van HY is... de strijd tegen de vrijmetselarij (en, tot voor kort, de joden,
zie hieronder). De islamitisch-ideologische productie van
"Harun Yahya" - een 180-tal titels in velerlei talen (sedert kort
gedeeltelijk ook in het
"Hollands"): boeken, artikels, documentaires, video's, CD's, DVD's en, niet
op de laatste plaats, wat de creatie betreft van zijn internationale
reputatie, een uitgebreide website,
www.hyahya.org,
waar alle teksten vrij online beschikbaar zijn
- is dermate groot dat commentatoren veronderstellen dat achter de naam de
arbeid schuil gaat van een gans team: "Harun Yahya is niet
echt een persoon maar de vlag waaronder de meest prominente Turkse
creationistische activiteiten plaats vinden", aldus de Turkse journalist,
Taner Edis; over de organisatie achter het project of de oorsprong van de
uitgebreide financiële middelen waarover het kan beschikken, is zo goed als
niets bekend (zie Edis' kritische bijdrage, URL:
http://www2.truman.edu/~edis/writings/articles/hyahya.html).
De Engelse
versie van Yahya's populairste boek draagt als titel: "The Evolution
Deceit. The Scientific Collapse of Darwinism and Its Ideological Background"
(London 1999). HY's ideologische kruistocht tegen het
"darwinisme" (en voor de "islam") wordt, met behulp van de
massa aan beschikbaar propagandamateriaal, over de hele wereld gevoerd (bv.
in Oekraïne, Azerbeïdjan, Kazakhstan, Pakistan, Indonesië, Maleisië, VS, UK,
Hongarije, Servië, Kroatië, Bulgarije...), vaak ook via de officiële media
(zendtijd op TV-stations, enz.). Op de website wordt ook een oproep
verspreid voor de vorming van een "Islamic Union", weliswaar onder
leiding van... Turkije. Ook andere actuele onderwerpen komen
in de publicaties volop aan bod. Zo bijvoorbeeld het terrorisme in het algemeen,
en de 11/9 aanslagen in het bijzonder: terwijl "Darwinisme en
Materialisme" worden aangeklaagd als de ware schuldigen ervoor (zie
http://www.harunyahya.com/32terrorism_darwinism_soc07.php), wordt de
islam als "de oplossing" ervoor aangeprezen (zie: "Islam is not the source
of terrorism, but its solution", URL:
http://www.harunyahya.com/32terrorism_main_soc05.php) . De mate waarin
het darwinisme inderdaad wordt opgevoerd als bron voor alle kwaad, in de
moderne tijd, blijkt ook uit het boek "Fascism: The Bloody Ideology of
Darwinism" (Istanbul, 2002). Overeenkomsten met
het protestants creationisme, in
de VS (cf. in de jaren 1920 brandmerkten fundamentalisten er de evolutieleer
als de oorzaak voor W.O. I) zijn niet toevallig: de opkomst van het
creationisme in Turkije, in de jaren '80 van de 20ste eeuw, volgde op de
vertaling in het Turks van de geschriften van een nieuwe generatie van
Amerikaanse fundamentalisten; heel wat materialen van HY zijn gewoon
overgenomen, met minimale aanpassingen, uit westerse literatuur, onder meer
van het Amerikaanse Institute for Creation Research (ICR) . Het feit dat de
creationistische ideologie precies in een moslimland als Turkije vaste voet
aan de grond heeft gekregen, cf. HY en FG, is niet toevallig: terwijl het
land het meest (van bovenaf) gemoderniseerde en geseculariseerde moslimland
is, kende het sedert de tweede helft van de 20ste eeuw een revival van de
islamitische tradities, met het op de voorgrond treden van nieuwe,
zogenaamde "moslimintellectuelen". [Zie ook de bijdrage van Martin Riexinger, "The
Islamic Creationism of Harun Yahya", in
ISIM-Newsletter,
11/2002,
p.5;
http://www.isim.nl; voor nuttige hyperlinks
omtrent het hedendaagse, vooral Turks-islamitische creationisme, zie de
kritische, Duitse website:
http://wwwuser.gwdg.de/~mriexin/EvolutionIslam.html ]
PS Tot voor kort, stond Harun Yahya ook "vooraan" in... het
antisemitisch revisionisme: cf. het in 1995 verschenen boek "De Holocaust
Leugen" (Soykırım Yalanı); op de website,
weliswaar, 'verborg' het zich onder de titel "Holocaust Violence"
(klikken opende dan "The Holocaust Hoax"). Het
boek is ondertussen teruggetrokken en antisemitische passages zijn ook uit
andere teksten verwijderd. Zie het artikel van: Ernst Haffmans,
"Antisemitisme: het best bewaarde geheim in Turkije", in: De Koerden,
ts. van het Koerdisch Instituut, jg. 5, nr. 27, nov-dec 2005, p. 12. In
voetnoot 12 verwijst de auteur voor de voormalige aankondigings- en downloadpagina van
"Holocaust Violence" naar
het cache van Google. In 2003 is een Turkstalig boek
op de website
geplaatst, "Soykırım Vahşeti"
("Holocaust Gruwel"), dat effectief aan de judeocide gewijd is; wel
behouden is een uitvoerig hoofdstuk over de nauwe samenwerking tussen Nazisme en
Zionisme.
6.3.3.3. Tegen Gülen, die
zelf sedert 1999 in de Verenigde Staten leeft, werd onder druk van de legerleiding in 2000 in Turkije een proces aangespannen
wegens ondermijning van de seculiere staatsorde (Gülen had
nochtans de militaire staatsgreep van 1980 gesteund); in 2003 werd hij,
onder een amnestie, vrijgesproken. Tegelijkertijd geniet
hij grote steun van tal van Turkse politici, bv. van voormalig
(sociaaldemocratisch) premier Ecevit en nu
van premier Erdoğan en de AKP-leiding. Dat bleek reeds bij de opening, in 1996, van een private universiteit, de Fatih
Universiteit, in Istanbul, door een door FG geleide private stichting. In nog
hogere mate, inderdaad, dan bij Nursi het geval was, is Gülens aandacht en
inzet toegespitst op onderwijs en intellectuele vorming. Deze laatste worden
in een veel bredere zin begrepen dan louter religieus: dus met inbegrip van de
"seculiere" wetenschappen. FG-scholen (in Turkije een 500-tal) zijn, typisch, geen "islamitische"
scholen; het gaat er vooral om een goed opgeleide elite of kaderpersoneel te vormen. Dat belet natuurlijk niet dat het ideologisch project op de
achtergrond wel degelijk speelt. De modernistische ideologie die aldus door Fethullah Gülen verspreid wordt, kan worden samengevat
onder drie noemers:
(1) islamisering van het Turkse nationalisme,
waarbij dat laatste tegelijkertijd veel sterker speelt dan in de
oorspronkelijke Nurculuk; daarmee samenhangend:
(2) uitbouw van een
"Turkse islam", die in (superieur) contrast wordt gesteld met de "Arabische
islam",
en wiens eigenheid o.m. toegeschreven wordt aan de historische inbreng van het "Anatolische
soefisme"; opmerkelijk: van contacten of samenwerking met instituties of
bewegingen in de Arabische landen lijkt geen sprake te zijn; en
(3) islamisering van de moderniteit:
deze laatste staat voor Gülen, in positieve zin, ook voor vrije-markteconomie (meer in het
bijzonder in de zin van de neoliberale economische politiek), parlementaire
democratie, het "Vrije Westen" (in het bijzonder: de VS),
mensenrechten, e.d.
Fethullah
Gülens "volgelingen",
de “Fethullahcılar” (ze worden ook wel eens de "jezuïeten
van de Turkse islam" genoemd), worden op ca 3 miljoen geschat.
Centraal in hun regelmatige samenkomsten (het
onderscheidt hen van de "gewone" nurcular) staan lectuur en studie van de
geschriften van Gülen, en niet zozeer die van Nursi. Van een hiërarchisch
uitgebouwde organisatie, echter, is geen sprake: het gaat veeleer om een
(horizontale) netwerken, verbonden aan een aantal concentrische
cirkels rond Gülen (cf. de afwijzing van meer traditionele termen, zoals
tarikat of cema'at, om de eigen beweging aan te duiden; de
voorkeur gaat naar het moderne "birlik", dat gewoonlijk gebruikt
wordt voor een culturele "vereniging"). In Turkije beschikt de FG-beweging, behalve over tal van
(private) scholen en hogescholen, ook over hospitalen, financiële
instellingen, eigen kranten (vooral de bekende krant Zaman, "De Tijd"),
een TV-station (Samanyolu "De Melkweg"), een (internationaal)
nieuwsagentschap (Cihan News Agency), een 6-tal radiostations, enz.
Zoals de
bredere Nur-beweging, nochtans, is ook de FG-tak internationaal breed uitgewaaierd: naar Europa en, misschien méér nog, de VS, in
de eerste plaats onder
Turkse studenten; cf. het theologisch instituut in Berkeley, en het internationale magazine, “The Fountain, A Magazine of Critical, Scientific,
and Spiritual Thought” (website:
http://www.fountainmagazine.com/index.php ). In 2003 werd Gülen door de
University of Texas (Austin) opgenomen in een erelijst van "Helden van de
Vrede" ("Peaceful Heroes"), naast Martin Luther King, Mandela, Gandhi,
de Dalai Lama... Maar ze is ook aanwezig in Oost-Europa (bv. Albanië), Afrika, Australië,
Zuid-Azië (bv. Bangladesh), Mongolië, China en Rusland (verschillende Russisch-Turkse scholen). Bijzonder vermeldenswaard is ook, na het verdwijnen van
de Sovjet-Unie, de actieve FG-aanwezigheid in alle republieken van “Turks” Centraal-Azië. De beweging
meet er zich religieus weliswaar een low profile aan en concentreert
zich op educatieve functies, met oprichting van tal van scholen en
hogescholen, internaten en opleidingscentra. De leerkrachten ervoor komen uit Turkije
en de scholen promoten in de eerste plaats Turkije en de Turkse cultuur. Statistieken
van januari 2001 geven bv. voor Kazakhstan: 30 hogescholen en 1 universiteit;
580 leerkrachten (uit Turkije) bedienen er 5.664 leerlingen; Kirghizistan:
11 hogescholen en 1 universiteit; Turkmenistan: 14 hogescholen, 1
universiteit; Uzbekistan: 17 hogescholen, enz. [Zie Bayram Balci, Fethullah Gülen’s Missionary Schools,
ISIM-Newsletter,
9 (January 2002), p. 31;
http://www.isim.nl ; nu ook zijn boek: "Missionaires
de l'Islam en Asie centrale. Les écoles turques de Fethullah Gülen", (Institut
Français d'Etudes Anatoliennes), 303 blz., Paris 2003]. In totaal is er
sprake van reeds meer dan 300 onderwijsinstellingen, over de hele wereld.
Wat West-Europa
betreft, onder FG's inspiratie zijn in Duitsland een 30-tal seminaries of
centra, en enkele in Zwitserland, Nederland en België. Ze vervullen
uiteenlopende functies waarbij ze zich vooral richten naar de vorming en/of
educatieve begeleiding van scholieren en studenten; in vele landen,
trouwens, werden en worden scholen opgericht. Ook hier kan gesproken worden
van een bewuste politiek van low profile, zowel wat de "moslim"- als
wat de "Turkse" achtergrond betreft. Wat daarentegen gezocht of beoogd
wordt, is een erkenbaarheid op basis van educatieve en pedagogische
kwaliteiten (met bv. bijzondere aandacht voor de achterstand, bij allochtone
leerlingen, t.a.v. de landstaal). Of deze grote omzichtigheid op
termijn succesvol zal zijn (cf. met het heersende, negatieve islambeeld, in
het Westen, loopt men het reële risico hoe dan ook verdacht te worden van
een "verborgen agenda"), zal alleen de toekomst kunnen uitmaken. Vanuit de
FG-beweging, tenslotte, wordt ook sterk geïnvesteerd in de interreligieuze dialoog
(Fethullah Gülen werd in 1998 ontvangen door de paus). Zie, voor Vlaanderen,
vooral het Islamitisch Dialoog- en Informatiecentrum vzw, met centra in
Hasselt en Gent; website:
www.islam-info.be.
De
dershane’s of nurcu-loges verbreiden zich dus over Europa, maar in vergelijking met
het succes ervan in Turkije
blijft de nurcu-beweging, wegens een zeker elitarisme, toch eerder zwak
vertegenwoordigd in de emigratie.
[zie o.m. Hakan Yavuz, “Being Modern in the Nurcu Way”,
ISIM-NL 6/00, p. 7].
[Over Fethullah Gülen verscheen enkele jaren geleden in de VS een bundel
(veeleer positieve) bijdragen: M. Hakan Yavuz and John L.
Esposito (eds.), Turkish Islam and the Secular State: The Gülen Movement, Syracuse
(New York), 2003, XXXIV+280 pp. Zie het interview met Hakan Yavuz:
http://religion.info/english/interviews/article_74.shtml, en de
boekbespreking
door een journalist van de FG-krant, Zaman. ]
Deel 3
Deel 1
Literatuur