VAN AL-ANDALUS TOT
KATHOLIEK SPANJE (2)
(© Herman De Ley)
hoofdstuk 1 - hoofdstuk 2 -
hoofdstuk 3 -
literatuurlijst
Hoofdstuk 2:
Filosofie van al-Andalus
1. Inleiding. Zoals gezegd, al-Andalus was in de 10de eeuw ongetwijfeld de rijkste en
hoogst ontwikkelde samenleving van heel West-Europa. De
wetenschappelijke en culturele ontwikkelingen beantwoordden aan de hoge
materiële civilisatie, en beide - materiële én geestelijke cultuur
oefenden een sterke aantrekkingskracht uit op christelijk West-Europa. Alleen op het vlak van de eigenlijke filosofie
was al-Andalus, merkwaardig genoeg, eerder een “laat-bloeier”; het kon
lange tijd de vergelijking met de oostelijke moslimwereld niet doorstaan.
Mogelijk speelden hierin een aantal maatschappelijke factoren een rol. In
tegenstelling tot het Midden-Oosten, waren de Arabieren bij hun
bliksemverovering van Visigothisch Spanje terecht gekomen in een land van
verregaande "geestelijke armoede" (ondanks Isidorus van Sevilla). De
helleens geďnspireerde filosofische
en theologische tradities dienden ze zelf uit het Oosten te importeren.
Dat gebeurde in eerste instantie voornamelijk bij middel van “tweedehands”
materiaal: hoofdzakelijk muctazilitisch (theologisch), de
(veeleer theosofische) shicitische encyclopedie: de “Brieven
van de Broeders der Oprechtheid” (Ikhwân as-Safâ’, opgesteld
aan het einde van de 10de eeuw; in al-Andalus geďntroduceerd door Maslama)
en een conglomeraat van overwegend gnostisch en neoplatonisch materiaal.
Alhoewel er in al-Andalus t.a.v. christenen en joden een grote mate van
tolerantie bestond, was het ideologische klimaat er binnen de
moslimgemeenschap, meer in het bijzonder wat de falsafa betreft,
over het algemeen minder gunstig dan in het Oosten[1].
Een veel grotere religieuze uniformiteit - gevolg van het soennitische monopolie -, een groter religieus
fanatisme van de volksmassa's, de striktheid van de
(mâlikitische) schriftgeleerden én de praktische moeilijkheid, zo niet
onmogelijkheid, om aan het gezag van de soeverein te ontsnappen: dat alles
maakte het beoefenen van de filosofie ook riskanter. Met het
uiteenvallen van het kalifaat en de tijdelijke opdeling van al-Andalus
onder de zgn. “Partijkoningen” (los Reyes de Taifas, in het
Spaans) werd die ideologische speelruimte groter; maar de groter wordende
druk van de christelijke zgn. reconquista leidde dan weer tot
de in aanzet religieus-radicale Berberdynastieën (eerst de Almoraviden,
vanaf 1086; vervolgens de Almohaden, midden van de 12de eeuw). Meer
dan één filosoof diende te verzaken aan zijn bezigheden; enkelen eindigden
zelfs op het schavot. Die algemene situatie kon weliswaar een krachtige
stimulans vormen voor filosofen om een oplossing te vinden voor het "Scholastische
Probleem": d.w.z. de kwestie van de verhouding tussen openbaring en filosofie. Maar
ze kon de filosoof eventueel ook een pessimistisch gevoelen van berusting
inprenten, de overtuiging m.a.w. dat hij zich beter kon terugtrekken
in zijn intellectuele "eenzaamheid"[2].
Het hiernavolgende overzicht beperkt zich tot de drie bekendste namen, en
is vooral gecentreerd op de grootste andalusische faylasuf: Ibn
Rushd.
2. IBN BÂJJA
Abű Bakr Muhammad b. Yahyâ b. al-Sâ'igh b. Bâjja (in het Latijn: Avempace)
geldt gewoonlijk als de eerste volwaardige andalusische filosoof[3].
Hij werd geboren op het einde van de 11de eeuw in Saragossa, en stierf,
vrij jong, in
1139 in Fez, Noord-Afrika. Hij was al vroeg politiek actief (als
wazîr van de Almoraviden) en belandde enkele malen in de gevangenis.
Men schrijft hem een uitgebreide kennis toe op het vlak van geneeskunde,
wiskunde, astronomie, botanica, muziek, en hij was tevens een vermaard
dichter.
Van Ibn Bâjja’s vele werken zijn er 37 bewaard. Daaronder
commentaren (parafrasen) op Aristoteles, Eukleides, Galenos en al-Fârâbî.
Zijn bekendste werk is het Tadbîr al-mutawahhid, "Het Regime van de
Eenzame"[4].
In de gebrekkige en zieke samenlevingen van onze tijd, zo luidt hier zijn
stelling, net zoals in de grote meerderheid van die uit het verleden,
moeten degenen die hun leven wijden aan de wijsheid, dus de filosofen,
zichzelf beschouwen als eenzame vreemdelingen; met het gewone volk mogen
ze enkel het hoogst nodige verkeer hebben[5]:
"Uit de situatie van
de eenzame is het duidelijk dat hij zich niet mag associëren met degenen
die het lichamelijke nastreven, en evenmin met degenen die het geestelijke
nastreven dat vervalst is met lichamelijkheid. Aangezien nu degenen die
de wetenschap beoefenen, in sommige levenswijzen weinig in aantal zijn en
in andere veel, en dat er zelfs levenswijzen zijn waarin ze helemaal niet
voorkomen, volgt daaruit dat in sommige levenswijzen de eenzame zich
zoveel als hij kan volledig ver moet houden van de mensen, en dat hij geen
contact met hen mag hebben, tenzij in zaken waar hij niet anders kan en in
de mate waarin het voor hem onvermijdelijk is om zo te handelen; ofwel
moet hij emigreren naar levenswijzen waarin de wetenschappen wel beoefend
worden - als er zulke te vinden zijn. Dat is niet in tegenspraak met wat
in de politieke wetenschap gezegd werd, en met wat uitgelegd werd in de
natuurwetenschap. Daar is namelijk uiteengezet dat de mens van nature politiek
is, en in de politieke wetenschap was uitgelegd dat elk isolement slecht
is. Maar het is enkel slecht op zichzelf genomen; accidenteel kan het goed
zijn - iets dat met vele dingen gebeurt die tot de natuur behoren. Brood
en vlees bv. zijn van nature gunstig en voedzaam, terwijl opium en
colocynth dodelijk vergif zijn. Maar het lichaam kan zekere onnatuurlijke
staten bezitten, waarin de laatste twee weldadig zijn..."[6].
Klaarblijkelijk in
bewuste tegenspraak met al-Fârâbî, door wie Ibn Bâjja sterk beďnvloed was,
en geschreven vanuit een gans verschillende maatschappelijke context,
lijkt het Tadbîr een programma van ontpolitisering van de
filosofie te verkondigen[7].
In werkelijkheid, aldus Ibn Bâjja, is ‘s mensen hoogste levensdoel niét
politiek van aard, maar bestaat het in de geestelijke “vereniging”
(of conjunctie, ittisâl) met het kosmische Actieve Intellect[8].
Die vereniging wordt niet religieus gedacht, of in het hiernamaals
geplaatst; ze is voor Ibn Bâjja de eindfase van een intellectuele
opklimming, door toenemende abstractie en via een hiërarchie van
“spirituele vormen”[8bis]. Zij brengt voor de mens de opperste gelukzaligheid
(die hij "goddelijk" durft te noemen). In
tegenstelling tot Ibn Sînâ is Ibn Bâjja van oordeel dat de individuele
ziel sterft bij de dood: het intellect dat overleeft, heeft géén
individuele kenmerken; alleen het universele in de mens overleeft (zo
reeds Aristoteles).
Vermeldenswaard hier is nog dat het pausiebel lijkt dat in
de "Dialoog tussen een Christen, een Jood en een Filosoof" van
Petrus Abaelardus (gest. 1142), de figuur van de "filosoof",
waarvan de beschrijving verwijst naar de moslimwereld, gemodelleerd zou
zijn naar Abélards tijdgenoot, Ibn Bâjja - d.w.z. naar de perceptie van Ibn
Bâjja's opvattingen in de Arabische literatuur. Abélards "filosoof"
pleit voor een natuurlijke, rationele religie die niet afgeleid is uit een
profetische openbaring.
Ibn Bâjja’s visie op de “eenzame wijze” heeft allicht inspirerend
gewerkt op:
3. IBN TUFAYL
Abű Bakr Muhammad Ibn Tufayl (Abubacer) werd geboren in Guadix, bij Granada,
enige jaren voor 1110. Hij oefende de geneeskunde uit in Granada, als
arts van de gouverneur en zijn faam voerde hem hogerop. Hij is één van de
weinige falâsifa die volledig gespaard is gebleven van politieke
repressie. Hij was lijfarts én vizier van de Almohadenheerser, Abű Jacqűb
Yűsuf, bij wie hij Ibn Rushd introduceerde. Hij overleed in Marrakech in
1185.
Ibn Tufayl schreef verschillende astronomische en medische werken, en was de
eerste andalusische denker om Ibn Sînâ te kennen en gebruiken. Hij
verwierf vooral bekendheid door zijn allegorische novelle (risâlat) Hayy
b. Yakzân, letterlijk vertaald: "De Levende, Zoon van de Wakende"
(d.w.z. de ziel, principe van het leven, als verwekt door het Actieve
Intellect). De titel (niet het verhaal) ervan is niet toevallig
ontleend aan Ibn Sînâ: Ibn Tufayl is de enige onder de drie andalusische
aristotelici die zich als een leerling van Ibn Sînâ bekend. De novelle heeft
trouwens de bedoeling om diens zgn. “philosophia orientalis” (al-hikma
al-mashriqiyya) - hier begrepen in de zin van verlichtings- of
“illuminatiefilosofie” - te onthullen. De tekst verwierf ook in het
christelijke Westen grote bekendheid: het Arabische origineel werd samen met
een Latijnse vertaling in 1671 uitgegeven door Edward Pococke en diens
gelijknamige zoon (die voor de vertaling zorgde), onder de Latijnse titel:
Philosophus Autodidactus, sive Epistola Abi Jaafar ebn Tophail de Hai ebn
Yokdan, quomodo ex Inferiorum contemplatione ad Superiorum notitiam Ratio
humana ascendere possit. Het kende vervolgens verschillende
Engelse vertalingen. Volgens sommigen heeft het verhaal model gestaan voor
Daniel Defoe’s Robinson Crusoe (1719).
Met deze novelle neemt Ibn Tufayl Ibn Sînâ’s methode over van “symbolische”
teksten. Dat was ongetwijfeld in overeenstemming met de politiek van
de Almohaden: namelijk om t.a.v. het gewone volk de traditionele religie in
alle striktheid te handhaven, maar voor de geleerden intellectuele vrijheid
toe te staan op voorwaarde dat zij hun opvattingen niet onder het volk
verspreidden of schandaal gaven. Die methode accordeerde natuurlijk
ook met de traditie van het filosofisch esoterisme; kennis werd voorbehouden
aan ingewijden en daarom minder of meer verhuld weergegeven[9].
De tekst bestaat uit twee delen die worden voorafgegaan door een korte
schets van de situatie van de filosofie in de islam aan het begin van de
12de eeuw. Ibn Bâjja’s visie op de filosofische gelukzaligheid wordt
weergegeven. Volgens Ibn Tufayl, nochtans, moet zij als
“wetenschap” worden aangevuld met, en
overstegen door Ibn Sînâ’s “(illuminatie)wijsheid”, en de extase die ermee gepaard gaat.
Het verhaal, vervolgens, dat ook veel elementen bevat uit de laat-antieke,
hellenistische novelle, vertelt hoe Hayy wordt geboren door
generatio spontanea op een eenzaam eiland in de Indische Oceaan
(alternatief: er aanspoelt in een houten kistje, ŕ la Mozes) en
opgekweekt wordt door een gazelle. Volledig op eigen, rationele kracht - “autodidactisch”,
m.a.w. -, en binnen de klassieke levensperiodes van telkens zeven jaar, leert hij geleidelijk aan de waarheid kennen m.b.t. de natuur,
in haar gradaties, en
de hemelsferen, en komt als maar “hoger” opklimmend tot het idee van het
Opperwezen. Dit spontane, of natuurlijke proces van
ascensio (binnen een neoplatonisch schema) wordt gevolgd door een
puur spirituele, mystieke visio Dei, voorbereid door ascese en andere
soefipraktijken; ze mondt uit in een extase met verlies van de eigen
persoonlijkheid (fanâ', in soefi-terminologie). Nadien daalt Hayy
terug neer, doorheen de hemelen tot in de ondermaanse wereld, waar het
Actief Intellect de stoffelijke wereld voorziet van vormen en zielen.
In het tweede deel van de allegorie ontwikkelt Ibn Tufayl het thema van de
verhouding tussen filosofie, theologie en religie: Hayy komt in contact met
twee bewoners van een (profetisch-) religieuze gemeenschap op een naburig
eiland: Absâl, de theoloog-filosoof, die Hayy leert spreken, en Salâmân,
de rechtvaardige heerser, gehecht aan de uitwendige, praktische
interpretatie van de religieuze Wet. Hayy leert hieruit dat de Wet, onder een
symbolische vorm, dezelfde fundamentele waarheid verkondigt als degene die
hij zelf autodidactisch verworven had en hij poogt,
geholpen door Absâl, aan het volk de verborgen betekenis van de profetische
openbaring bij te brengen. Dat mislukt echter. Hayy begrijpt dan
"dat het onmogelijk is
zich tot de massa's te richten door de zuivere waarheid te ontsluieren, en
dat het niet gepast is om hen taken op te leggen die de maat, vastgelegd
door hun boodschapper, te boven gaan; en verder, dat het grootste nut dat de
massa kon halen uit de religieuze Wet, enkel hun wereldlijk leven betreft,
zodat ze rechtschapen kunnen leven en niemand andermans eigendom zou
schenden. Enkel de uitzonderlijken en zeldzamen onder hen zouden de
zaligheid van het Hiernamaals bereiken".
Hayy en Absâl trekken zich
dan terug op Hayy's eiland. De “moraal” van het verhaal luidt dus dat de filosofische
waarheid slechts voor een intellectuele minderheid toegankelijk is (waartoe
klaarblijkelijk ook de theologen worden gerekend).
Het allegorische verhaal geeft Ibn Tufayl ook de gelegenheid om zijn
wetenschappelijke, in het bijzonder biologische theorieën uiteen te zetten,
alsook zijn visie op de psychische en spirituele ontwikkeling van de mens.
Zijn “filosofische novelle” vormt aldus
“een dialectische
expressie van vertrouwen in de (menselijke) ervaring en rede, (vertrouwen)
dat in de geschiedenis van de islamische filosofie slechts zelden
in die mate tot uitdrukking is gekomen”[10].
4.
IBN RUSHD (AVERROËS)
4.1. Leven.
Abű ‘l-Walîd Muhammad b. Ahmad b. Rushd (of: Roshd) werd in 1126 geboren
in Córdoba uit een belangrijke mâlikitische juristenfamilie (wellicht
van muwallad afkomst): grootvader en vader waren (opper)rechter (qâdî)
van de Grote Moskee, en ook Ibn Rushd zou dat ambt bekleden.
Binnen die familietraditie kreeg hij in de eerste plaats een opleiding in
de zgn. “religieuze wetenschappen": bovenal de fiqh (rechtsgeleerdheid),
maar natuurlijk ook de Koran, de Hadîth (Tradities), de kalâm
(theologie), taalkunde e.d. Vervolgens ging hij geneeskunde studeren bij
Ibn Zuhr en verwierf hij vrij spoedig zelf bekendheid als arts. Ook de
filosofie studeerde hij in eerste instantie bij zijn medische meesters
maar uit de talrijke verwijzingen in zijn latere werken blijkt toch dat
hij vooral beďnvloed is door Ibn Bâjja en Ibn Tufayl.
Geboren onder de Almoraviden, maakte Ibn Rushd, eens de twintig voorbij,
de opkomst mee van een nieuwe Berberdynastie, vanuit Zuid-Marokko, de Almohaden.
Zij werden gedreven door een religieus en theologisch hervormingsprogramma[11].
Hun afwijzing van de routinematige casuďstiek van de mâlikitische
wetgeleerden ten gunste van een terugkeer naar de “bronnen (of:
wortels) van het recht” (zij waren a.h.w. “fundamentalisten”),
en de ontwikkeling van een rationele
theologie (met beklemtoning van de
eenheid en enigheid van God) zijn van groot belang geweest voor Ibn Rushd.
Te meer omdat voornoemde elementen onder de tweede Almohade, Abű Jacqűb
Yűsuf, werden aangevuld met de filosofie (voor de elite).
In 1169 werd Ibn Rushd in Marrakech door Ibn Tufayl voorgesteld aan
voornoemde kalief. Die gaf hem de
opdracht de werken van Aristoteles te becommentariëren[12].
Nog datzelfde jaar werd hij aangesteld als qâdî van Sevilla; hij schreef
er zijn eerste commentaren (op twee biologische werken van Aristoteles)[13].
In 1182 volgde hij Ibn Tufayl op als lijfarts van de kalief; hij werd
aangesteld tot opperqâdî van Córdoba. Ook onder de volgende vorst,
Abű Yűsuf Yacqűb al-Mansűr, bleef Ibn Rushd in de gunst staan,
althans tot in 1195. Verwikkeld als hij was in een nieuwe oorlog tegen de
christelijke rijkjes, moest de kalief zwichten voor de orthodoxe wetgeleerden, die
een grote invloed hadden op het volk (en, in tegenstelling tot de
Almoraviden, de Almohaden niet gunstig gezind waren). Al-Mansűr verbande Ibn Rushd naar Lucena (bij
Córdoba) en beval de verbranding van diens boeken en teksten. Bij het
beëindigen van de oorlog en op zijn terugweg naar Marrakech herriep de
sultan zijn edicten en nodigde hij Ibn Rushd opnieuw uit aan zijn hof. Ibn
Rushd stierf korte tijd nadien, in 1198, in Marrakech. Zijn
stoffelijke resten werden verscheidene maanden later naar Córdoba gebracht
en begraven op de begraafplaats van de Banű cAbbâd.
4.2. Werken.
Ibn Rushds oeuvre is erg omvangrijk en bijzonder belangrijk. Het
betreft zowel werken van theologische en religieus-juridische als van
filosofische en medische aard[14].
Meer in het bijzonder zijn filosofische productie (in de brede zin van het
woord) is even volumineus als die van de grote moslimfilosofen van het
Oosten. Slechts een deel ervan weliswaar bleef bewaard in het Arabisch[15];
het merendeel is overgeleverd in een Hebreeuwse en/of Latijnse vertaling[16].
Dat via de vertaling ervan tal van vervormingen en adaptaties zijn
opgetreden, is evident; omzichtigheid bij het gebruik ervan, is bijgevolg
geboden[17].
Ibn Rushds filosofisch-literaire werkzaamheid onderscheidt zich door een
3-tal kenmerken van die van al-Fârâbî en Ibn Sînâ:
1) zijn
grote nauwgezetheid in het commentariëren van het aristotelische Corpus;
2) de
grondigheid en verbetenheid waarmee hij het beruchte "Scholastische
Probleem" aanpakt;
3)
zijn
religieus-juridische vorming: geen ander bekend faylasuf heeft de
officiële functie van rechter uitgeoefend, of heeft systematische traktaten
over de fiqh geschreven. Voor het "Scholastisch Probleem",
bijgevolg, kon hij binnen een islamitische context met vrucht ook een
juridische aanpak benutten. Zo heeft zijn bekende Fasl al-maqâl[18]
de vorm van een juridisch advies (fatwâ'), dat wil aantonen dat de
koranieke Wet de studie van de filosofie niet alleen niet verbiedt maar
zelfs oplegt, althans aan bevoegden.
Zijn productie (met
uitzondering van de medische werken) kan worden onderverdeeld in 3 groepen:
4.2.1.
Aristotelescommentaren:
Averroës' bekendheid in het christelijke middeleeuwse Westen was in eerste
instantie gebaseerd op zijn bedrijvigheid als Aristotelescommentator: hij
gold in de Scholastiek als "de Commentator", zonder meer[19].
In die commentaararbeid heeft Ibn Rushd zich niet beperkt tot de ook vóór
hem meestal beoefende genres van samenvattende compendia (zgn.
jawâmîc) en min of meer vrije parafrases van de klassieke
teksten (zgn. talkhîsât) - wat bv. de wijze was
waarop Ibn Sînâ de gehele aristotelische wetenschap had herschreven.
Van Ibn Rushd vermelden we in dat verband samenvattingen van Aristoteles’
Physica, De anima, Metaphysica en Ethica Nicomachea en van Platoons
Republiek; hij kan zich hier het meest persoonlijk uiten.
Daarnaast echter heeft hij zich ook gewijd aan de zgn. “grote”
of “letterlijke” commentaren (tafsîrât), in de traditie van
de laat-antieke commentatoren maar natuurlijk ook van de Korancommentaren.
Elke paragraaf van de klassieke tekst wordt voluit geciteerd en grondig,
term voor term, besproken en uitgelegd (met tevens tal van digressies
waarin Ibn Rushd de balans opmaakt van de gehele interpretatieve traditie,
sedert de oudheid). Ibn Rushd heeft de regels van dit soort van commentaar
a.h.w. (her)uitgevonden en definitief vastgelegd; ze werden overgenomen door
Thomas van Aquino, die ze tot de standaard maakte van de scholastische
hermeneutiek. Tot Ibn Rushds hoofdwerken behoren commentaren op
Aristoteles’ Analytica Posteriora, De anima, De Caelo et Mundo,
Metaphysica en Physica. Daarnaast zijn er, ten derde, nog zogenaamde
“midden” commentaren, die beknopter zijn. Het is verre van zeker
of hij de aristotelische teksten aldus systematisch twee- of driemaal
heeft bewerkt; wel heeft hij het gehele schriftencorpus van de
Stagiriet (met uitzondering echter van diens Politica) ten minste
éénmaal besproken.
We zouden Ibn Rushd nochtans onrecht aandoen, mochten we hem, zoals onze
middeleeuwers dat deden, als filosoof herleiden tot louter “commentator”.
4.2.2.
Filosofisch-theologische traktaten:
Zijn vooral
toegespitst op de relatie tussen openbaring en filosofie. De belangrijkste
zijn het al vermelde Fasl al-maqâl en zijn grondige weerlegging van
de invloedrijke kritiek op de falsafa (bovenal die van Ibn Sînâ)
door de beroemde theoloog-filosoof (mutakallim) uit het Oosten,
al-Ghazâlî (gest. 1111)[20].
Diens “Ineenstorting van de Filosofen” (Tahâfut al-falâsifa) werd
door Ibn Rushd frontaal beantwoord met de “Ineenstorting van de
Ineenstorting” (Tahâfut al-tahâfut). Deze uitvoerige en
systematische repliek werd geschreven ca 1180. Het is wellicht zijn
belangrijkste werk. Het combineert de resultaten van zijn
commentarenarbeid met zijn persoonlijke (aristotelische) basisideeën over
religieuze én filosofische kwesties. Het werk beoogt inderdaad de
reconstructie van de "ware" filosofie - de aristotelische
- in onderscheid met de gecorrumpeerde traditie, namelijk die van de neoplatonische
falâsifa, zoals al-Fârâbî en Ibn Sînâ. Zij hadden z.i.
Aristoteles' opvattingen verdraaid en verbasterd met hem vreemde (neoplatonische,
half-religieuze en gnostische) doctrines. Tegelijkertijd zet Ibn
Rushd
zich krachtig af tegen de theologische systemen en de theologen in het
algemeen binnen de islam. Het is alvast in dit werk dat men Ibn Rushds
oorspronkelijke filosofische doctrine op de meest levendige en kernachtige
manier geformuleerd vindt[21]
.
Wat het Fasl al-maqâl betreft, het traktaat start met de volgende
passus:
"Aldus sprak de
eminente wetgeleerde, rechter en enige geleerde, Abű ‘l-Walîd Muhammad Ibn
Ahmad Ibn Rushd: Lof zij de Heer, met al de lof die Hem toekomt, en een
gebed voor Muhammad, Zijn uitgelezen dienaar en apostel. Het doel van dit
traktaat is, te onderzoeken vanuit het standpunt van de studie van de Wet,
of de studie van filosofie en logica door de Wet is toegestaan, of
verboden, of geboden - hetzij bij wijze van aanbeveling, hetzij als
verplichtend"
.[22]
De aangestipte
categorieën - “toegestaan”, “verboden”, “geboden”, “aanbevolen”,
“verplichtend” - zijn de vijf hoofdcategorieën van het
juridisch-religieus-ethisch denken in de islam.
Het Fasl is
vooral een methodologisch werk. De problematiek ervan was en is die
van alle moslimintellectuelen, wetgeleerden, Korancommentatoren en
theologen: namelijk wanneer mogen, respectievelijk moeten we voor de
Koranteksten gebruik maken van de figuurlijke interpretatie (ta’wîl),
in plaats van de letterlijke. Zoals al gebleken is, hanteert
Ibn Rushd hier het technische vocabularium dat algemeen in zwang was onder
de traditionele rechtsgeleerden (fuqahâ’). Maar op een
bijzonder intelligente wijze verwerkt hij die ideeën binnen het kader van
de logica. Overgeërfd van de Grieken, kon dat logisch kader door hem
gemakkelijk aangewend worden voor zijn filosofische vragen.[22bis]
Ermee verbonden is een derde theologisch werkje. In verkorte
Arabische titel: het Kitâb al-Kashf can manâhij al adilla
- in volledige vertaling vormt de titel een hele paragraaf, namelijk
“Boek van de methodes
van bewijsvoering m.b.t. de dogma’s van de religie, en definiëring van de
dubbelzinnigheden en innovaties die erin verschijnen als
interpretatiemethodes, en die de wereld verdraaien of leiden tot
vergissingen”.
Het vertrekt van de
conclusies van het voorgaande en wil, in de omgekeerde richting, de
conformiteit aantonen van de religieuze Wet aan de filosofie. Dat gebeurt
rond vijf thema's: het bestaan van God, diens eenheid, attributen,
lichamelijkheid, en handelingen. Het werd door hem geschreven in 1179-80.
Met uitzondering van de Tahâfut[23],
zijn die teksten in het Westen onbekend gebleven - wat ongetwijfeld heeft
bijgedragen tot Ibn Rushds reputatie van extreme naturalist of rationalist.
Zijn theologische teksten zijn echter wel erg belangrijk geweest voor het
joodse denken (de “langue savante” van de joodse geletterden was
het Arabisch; zij hadden dus rechtstreekse toegang tot zijn
oeuvre).
4.2.3. Filosofische
traktaten:
Zijn gericht op het herstel van de "zuivere" Aristoteles en het
bekritiseren van de deviaties ervan bij al-Fârâbî en Ibn Sînâ (maar ook Ptolemaios en Galenos): bv. "De divergentie van al-Fârâbî's
benadering van de logica... met die van Aristoteles"; "Ibn Sînâ’s
onderscheid tussen het absoluut mogelijke, het mogelijke-in-zichzelf, het
noodzakelijke-door-een-ander en het noodzakelijke-in-zichzelf"; "Onderzoek
naar de problemen bediscussieerd in Ibn Sînâ's metafysica in de Shifâ’",
enz. Daarnaast zijn er in Latijnse vertaling ook kortere teksten
overgeleverd[24].
4.3. Filosofie.
4.3.1. Inleiding. Ibn Rushd was niet enkel een groot commentator maar ook
een oorspronkelijk denker. Toch - en dat was wellicht onvermijdelijk - heeft
zijn commentaaractiviteit zijn oorspronkelijke productie negatief
beďnvloed: zijn oorspronkelijke werken bestrijken inderdaad slechts
deelaspecten van het filosofisch terrein, in de eerste plaats de relatie
filosofie-religie en de intellectleer. Een omvattende synthese van zijn
systeem (zoals Ibn Sînâ's Shifâ) ontbreekt.
Het denken van Ibn Rushd wordt gemarkeerd door drie uitzonderlijke mijlpalen[25]:
(1) de bewuste en
geargumenteerde breuk met de traditionele neoplatonische synthese (nl.
tussen aristotelisme en platonisme); die synthese had sedert de late oudheid
het filosofische denken overheerst[26];
(2) zijn beklemtonen van
zijn naturalistische opleiding en van zijn persoonlijke en empirische
observaties;
(3) zijn breuk met wat het
traditionele filosofisch-religieuze reductionisme kan worden genoemd
(dat eveneens kenmerkend was voor de neoplatonische synthese): Ibn Rushd
weigert de religie te herleiden tot een substituut voor de filosofie, of de
filosofie tot een substituut voor de religie.
Het principiële uitgangspunt van Ibn Rushds filosoferen is zijn geloof in de
absolute prioriteit van Aristoteles - al-hakîm, “de Wijze” of “de
Filosoof” in persoon. De Stagiriet is voor hem het model van
intellectuele perfectie van de natuurlijke mens; als zodanig is hij ook de
auteur van het meest volledige en exacte filosofische corpus: een
faylasuf zijn, bijgevolg, betekent in de allereerste plaats dat je
Aristoteles’ geschriften leest, ze assimileert en vervolgens verder
ontwikkelt. “Verder ontwikkelt”, inderdaad, want het zich onderwerpen
aan deze methode betekent voor Ibn Rushd niét dat je als filosoof moet
verzaken aan je eigen scherpzinnigheid, of aan de empirische observatie van
de natuurlijke en maatschappelijke fenomenen, of aan het beheersen van de
cultuur van je eigen tijd of aan je eigen persoonlijkheid. Precies
omdat hij verder wenste te gaan dan Aristoteles, beoefende hij de “grote
commentaar”. Tegelijkertijd stond hij sceptisch t.a.v. de tegelijk
filosofische en religieuze alomvattende synthese door Ibn Sînâ van het
islamitisch wereldbeeld (uitgedrukt in het beeld van de éne, “great chain
of being”, binnen de dialectiek van de emanaties, zoals later ook
gebruikt door de christelijke Scholastiek).
Ibn Rushd’s “Aristotelescultus”, in elk geval, vinden we ondubbelzinnig
geformuleerd in zijn Woord Vooraf bij zijn bespreking van de Physica:
“De auteur van dit boek
is Aristoteles, zoon van Nikomachos en meest wijze van alle Grieken, de
stichter en voltooier van de logica, de fysica en de metafysica. Ik
zeg dat hij die wetenschappen gecreëerd heeft omdat alle werken die vóór hem
geschreven zijn, de moeite van het bespreken niet waard zijn, en in de
schaduw worden gesteld door zijn geschriften. Ik zeg dat hij ze
voltooid heeft, omdat niemand van degenen die na hem zijn gekomen tot aan
onze tijd, d.w.z. gedurende bijna 1500 jaar, iets aan zijn geschriften heeft
kunnen toevoegen of er een fout van enige importantie heeft kunnen in
ontdekken. Welnu, dat dit allemaal in één man verenigd is, is iets vreemds
en wonderbaarlijks. Het wezen dat op een dergelijke manier
geprivilegieerd is, verdient goddelijk eerder dan menselijk te worden
genoemd, en daarom noémden de Ouden hem ‘de goddelijke’”.[27]
4.3.2. Filosofie en
Religie.
Voor zijn religieus-juridische argumentatie in het Fasl kon Ibn Rush
o.m. een beroep doen op het Koranvers, soera 16.125:
“Roep op tot de weg van
uw Heer door wijsheid (hikma) en
door welwillende vermaningen, en als je redetwist,
gebruik dan het schoonste betoog”.
Gelezen in drie leden, is het voor Ibn Rushd evident dat
het eerste lid van het vers - "roep op... door wijsheid" - een (goddelijke) oproep is om aan filosofie te doen[28],
en dus om gebruik te maken van de meest volmaakte methodes van
kennisverwerving en -communicatie. Dat zijn die van de
wetenschappelijke, of “demonstratieve” bewijsvoering (apodictisch syllogisme, op
grond van het causaliteitsbeginsel) en van de Griekse, aristotelische logica
in het algemeen. Het is niet meer dan redelijk dat wij mensen
profiteren van de kennis en methodes die vroegere generaties ontwikkeld
hebben, zelfs als zij de ware religie nog niet kenden - het gaat immers om
een “werktuig” (in het Grieks: “organon”, wat de samenvattende
titel was die reeds in de late oudheid aan Aristoteles’ logische geschriften
was gegeven). Dezelfde argumentatie kan ook voor de filosofie in het
algemeen worden ontwikkeld, met als conclusie: “daaruit is het dus
evident dat de studie van de boeken der Ouden verplicht wordt door de Wet”.
Die conclusie (zoals gezegd, is “verplicht” een juridische categorie
uit de fiqh) wordt nochtans genuanceerd door Ibn Rushd: het gebod
geldt enkel voor mensen die bekwaam zijn rationele of wetenschappelijke
argumentaties (die als zodanig vertrekken van “ware” premissen) te
vatten en zelf te ontwikkelen. Aansluitend bij Aristoteles’
onderscheid[29]
tussen drie soorten van syllogismen - “wetenschappelijke” (of “demonstratieve”),
“dialectische” en “retorische” -, alsook bij een drievoudige
onderverdeling tussen de mensen die Ibn Bâjja al gemaakt had,
argumenteert Ibn Rushd dat “met betrekking tot de Schrift [en dus ook:
de Wet] de mensen zich in drie klassen onderverdelen”:
(1°) de
klasse van de mensen van de wetenschappelijke bewijsvoering, d.w.z. de
filosofen;
(2°) de
klasse van de mensen die van nature of door opleiding (beroep) dialectische
interpretaties ontwikkelen (“dialectische” syllogismen, aldus reeds
Aristoteles, vertrekken niet van “ware”, maar van “waarschijnlijke”
(cf. “schone”) premissen, en zijn louter gericht op discussies en het
overreden van anderen);
(3°) de
klasse van mensen (en zij vormen de overgrote meerderheid, het “gewone
volk”) die niet verder kunnen komen (door gebrek aan vorming of
opleiding) dan wat de
zintuiglijke ervaring, hun gevoelens en hun verbeeldingsvermogen hen leren -
en wat bijgevolg in de prediking (cf. “vermaning”), welsprekendheid,
poëzie, enz. wordt aangebracht.
Dit onderscheid is terecht
de centrale intuďtie genoemd van het filosofisch-politieke denken van Ibn
Rushd; datgene ook waarop zijn moderniteit gebaseerd is[30].
Het brengt hem vooreerst tot een theorie van meervoudige communicatie.
Meer in het bijzonder de religieuze waarheden dienen voor elk van deze drie
klassen op een verschillende wijze en en aangepast niveau te worden uiteengezet. En
dat is precies wat (God in) de Koran doet. Zoals Ibn Rushd schrijft in
het Fasl al-maqâl:
“Aangezien dit alles
aangetoond is, en aangezien wij, moslimgemeenschap, van mening zijn dat deze
goddelijke religie van ons de ware is, en dat het deze religie is die ons
aanspoort tot het geluk dat bestaat in de kennis van God, de Machtige en
Heerlijke, en van zijn Schepping; daarom is dat einddoel voor elke moslim
aangegeven op grond van de methode van instemming die zijn temperament en
karakter vereisen. Want de natuur der mensen kent verschillende
niveau’s wat hun weg naar de instemming betreft. De ene komt tot
instemming door middel van bewijsvoering; een ander (komt tot instemming)
door middel van dialectische argumenten, net zo vast als de demonstratieve
mens door bewijsvoering, aangezien zijn natuur geen grotere capaciteit bevat.
Een ander mens, tenslotte, komt tot instemming door middel van retorische
argumenten, nogmaals even vast als de demonstratieve mens door middel van
bewijsvoering”.
Maar die classificatie
vormt tevens de hoeksteen voor Ibn Rushds finale theorie over de relatie
tussen geloof (openbaring, Wet) en rede (filosofie). “Meervoudige
communicatie” betekent niét dat de Waarheid zelf meervoudig zou zijn: de
Waarheid is één, en dus kan er ook geen echte tegenstelling bestaan
tussen filosofie en religie; ze drukken beide, maar elk op hun
manier, die éne Waarheid uit. Anderzijds kunnen zij evenmin, ŕls
communicatievormen, tot
elkaar “herleid” worden. Dat blijkt uit het onderscheid dat
gemaakt dient te worden tussen de “letterlijke” en de overdrachtelijke, of
allegorische interpretaties van de Koran.
De Koran, als Gods Woord, heeft de dubbele bedoeling, zowel de ware kennis
te verkondigen (omtrent God en zijn schepping) als de ware praktijk, d.w.z.
de menselijke handelingen die voorwaarde voor zijn of haar latere
gelukzaligheid. Aangezien de openbaring zich tot de gehele mensheid
richt, dus in de eerste plaats tot het “volk”, bevat zij overwegend
dialectische en retorische argumenten en worden de nodige begrippen
aangeleerd via symbolen, beeldspraak, parabels, enz. Wat dan de
praktische (devotionele en andere) voorschriften betreft (de Wet), ten
minste indien er daaromtrent een consensus bestaat (ijma - een
basisbegrip in de islamitische rechtsleer) binnen de moslimgemeenschap,
zij dienen door iedereen letterlijk te worden begrepen, óók door de
filosofen (bv. de voorschriften omtrent het gebed, het vasten, enz.).
Anders is het gesteld met “theoretische” thema’s. Indien er hier een
tegenstelling lijkt te bestaan tussen de letterlijke betekenis van een
passus en de conclusies van de wetenschap, dan mag, of beter: moét de
passus figuurlijk geďnterpreteerd worden[31].
De Koran, inderdaad, wijst zelf aan de 'demonstratieven' dergelijke interpretatie
of verklaring toe,
zoals in soera 3.7:
“Hij is het die tot jou
het boek heeft neergezonden; een deel ervan bestaat uit eenduidige tekenen -
zij zijn de grondslag van het boek - en een ander deel uit meerduidige... de
verklaring ervan kent niemand behalve God en zij die een diepgewortelde
kennis hebben. Zij zeggen: wij geloven erin. Het komt alles van onze Heer”.[Maar PS: voor deze lezing stelt Ibn Rushd
voor (Fasl al-Maqâl, kap. 28) de
gebruikelijke pauze (komma) achter "God" te verwijderen en een pauze
- punt of komma - in te lassen achter "hebben"; zónder die ingreep is het enkel God
die de verklaring kent van de “meerduidige tekenen”].
Er zijn echter Koranteksten
waarvan de classificatie onzeker is (bv. over
het leven na de dood, de eeuwigheid van de wereld, de schepping uit het
niets, e.a.). Vergissingen
die hieromtrent eventueel door filosofen worden begaan, zijn pardonabel, tenminste
indien de figuurlijke interpretaties (in het algemeen, en deze in het
bijzonder) niet onthuld worden aan het volk. Want dat zou de gewone
mens tot twijfel en ongeloof brengen, en dus hem zijn kansen op de
gelukzaligheid ontnemen:
“Wie tot de
interpretatieve klasse behoort en een dergelijke interpretatie onthult aan
wie daartoe niet bekwaam is, spoort hem aan tot ongeloof; wie zulks doet, is
zelf een ongelovige. Daarom zouden allegorische interpretaties enkel
mogen uiteengezet worden in ‘demonstratieve’ boeken, omdat die enkel in de
handen komen van mensen van de demonstratieve klasse. Wanneer ze
evenwel worden neergeschreven in niet-demonstratieve boeken, en behandeld
worden met poëtische, retorische of dialectische methodes, zoals Abű Hamîd (al-Ghazâlî)
dat doet, pleegt hij een inbreuk tegen de Wet en tegen de filosofie, ook al
heeft hij het goed bedoeld”.
Ibn Rushd beklemtoont herhaaldelijk dat er maar één Waarheid is, en dat het
van kapitaal belang is dat iédere mens zich, op zijn niveau en met
zijn specifieke kwaliteiten, tot die ene Waarheid bekent. De
laatste passus geeft echter ook aan, wŕŕr volgens onze filosoof “het
schoentje wringt”: niét bij de filosofen, maar bij de... theologen (mutakalliműn),
als mensen van de “dialectische klasse”. Eén van de sterkste
thema’s, inderdaad, van het Fasl al-maqâl bestaat erin de
moslimtheologen (muctazilieten en ashcarieten) in de
positie te plaatsen van de uitgesloten derde. Tussen het volk en de
filosofen zouden er zich z.i. geen problemen stellen, aangezien de filosofen
zich houden aan de door de Wet opgelegde religieuze praxis en zich tegelijkertijd onthouden van
het “vulgariseren” van hun wetenschappelijke stellingen en uiteenzettingen.
De theologen echter gedroegen en gedragen zich op dit punt totaal
onverantwoord; het zijn zij, daarom, die schuld hebben aan het ontstaan van
de sekten (binnen de islam), en dus aan de haat, ruzie en oorlogen onder de
moslims:
“Het was te wijten aan
allegorische interpretaties - vooral de onware - en aan de veronderstelling
dat zulke interpretaties van de Schrift aan iedereen moesten meegedeeld
worden, dat de sekten van de islam ontstonden, met als resultaat dat
iedereen de anderen beschuldigde van ongeloof en ketterij. Zo
interpreteerden de muctazilieten
vele verzen en Tradities op een allegorische wijze
en deelden zij hun interpretaties mee aan de massa’s, en de ashcarieten
deden hetzelfde, hoewel zij zulke interpretatie minder frequent gebruiken.
Als gevolg daarvan stortten zij de mensen in haat, wederzijdse afschuw en
oorlogen; scheurden ze de Schrift aan stukken en brachten ze complete
verdeeldheid onder de mensen”.
Ibn Rushds zware aanval tegen de moslimtheologen is in het christelijke en
het moderne Westen lang verkeerd begrepen, namelijk als een aanval op de
religie zelf en een uiting van extreem, anti-godsdienstig
rationalisme, zo al niet van quasi moderne vrijzinnigheid[32].
Ibn Rushd echter was wel degelijk een overtuigd gelovige, en moest dat wel
zijn wou hij zijn functie van (opper)qâdî (wiens taak het is de
religieuze Wet te doen respecteren) treffelijk kunnen uitoefenen. De
vertekening die hieromtrent is opgetreden, was het gevolg van het (nog maar
eens) kleven van christelijke evidenties op de islam. In de
christelijke Scholastiek is de theologie de supreme, alle andere
wetenschappen overkoepelende wetenschap geworden[33];
op het vlak van de begrippen, daarom, heeft een soort van vereenzelviging
plaats gevonden tussen “godsdienst” en “theologie”. In de islam was en
is de situatie heel verschillend. Hoewel het aandeel van de mutakalliműn
in de uitbouw van een islamitisch mens- en wereldbeeld zeker niet mag
onderschat worden, heeft de kalâm[34]
nooit een met de christelijke theologie vergelijkbare status verworven[35].
De overkoepelende religieuze wetenschap was in de islam veeleer de fiqh,
of religieuze rechtswetenschap[36].
De verhouding tussen kalâm en falsafa in de islam mag
bijgevolg niet vereenzelvigd worden met die tussen theologia en
philosophia binnen het christendom, en evenmin met die tussen
godsdienst en filosofie.
In de hedendaagse Ibn-Rushd-interpretatie, daarom, wordt, mede op basis van
zijn andere teksten, de oprechte religiositeit
van onze moslimfilosoof
beklemtoond. Zo benadrukt hij bv. in een passage van zijn
Tahâfut al-Tahâfut de afhankelijkheid van de filosofenklasse van de
specifieke religie waarin zij is opgevoed (uit deze tekst komt ook een
grotere waardering voor de andere openbaringsgodsdiensten naar voor dan in
het Fasl):
“De religies streven
hetzelfde doel na als de filosofie, langs een weg die toegankelijk is voor
iedereen; bijgevolg zijn ze volgens de filosofen noodzakelijk. Want de
filosofie speelt haar rol van meesteres der gelukzaligheid slechts voor een
deel van de verstandige mensen, namelijk voor al wie de studie van de
filosofie als bezigheid heeft; de religies, daarentegen, hebben het
onderwijs van alle mensen zonder uitzondering op het oog... Aangezien de
particuliere klasse (sc. van de filosofen) niet kan bestaan en haar
geluk niet kan bereiken zonder de participatie van de algemene klasse, is
het algemene onderricht noodzakelijk voor het bestaan en het leven van de
particuliere klasse. Wat haar kindertijd en opvoeding betreft, twijfelt
niemand daaraan; wat de tijd betreft wanneer ze overgaat tot wat voor haar
particulier is, is het voor haar uitmuntendheid noodzakelijk dat ze niet
haar neus ophaalt voor datgene waarin ze is opgevoed en dat ze een beroep
doet op de beste interpretaties. Zij
[nog altijd: de klasse van de filosofen] moet beseffen dat het religieus
onderwijs gericht is aan de meerderheid en niet aan de élite. Indien
ze haar twijfel uitspreekt m.b.t. de principes van de religie waarin ze (zelf)
is opgekweekt, of als ze een interpretatie uitbrengt die strijdig is met wat
de Profeten onderwijzen, en die (mensen) van Hun weg doet afwijken, in dat
geval verdient degene die zulks doet, dat hij in de hoogste mate wordt
gebrandmerkt als ongelovige, en moet hij gestraft worden met de straf die in
zijn religie is voorbehouden aan al wie zich schuldig maakt aan
goddeloosheid”.
Toch betekent dat
natuurlijk niet dat Ibn Rushd te herleiden zou zijn tot een apologeet van de
openbaring of een... theoloog (in de christelijke zin). In zijn Aristotelescommentaren en
andere “demonstratieve” teksten manifesteert hij niet de minste bekommernis
om een inhoudelijk “akkoord” tot stand te brengen tussen geloof en
filosofie. Voor hem hadden beide hun eigen waarde en betekenis -
zonder dat hij daarom ook maar in enigerlei mate een aanhanger zou geweest
zijn van de beruchte “leer van de dubbele waarheid”. In onze
Scholastiek werd die leer althans door de kerkelijke en theologische
autoriteiten (al dan niet terecht) vereenzelvigd met het zgn.
“Latijnse averroďsme”[37].
Over die zgn. “averroďsten” (waartoe ook... Thomas werd
gerekend) lezen we in de proloog van de beruchte “Veroordeling van 219
Stellingen”, uitgesproken door de synode van 1277[38]:
“Ten einde niet de
indruk te wekken dat zij de stellingen ondersteunen die zij uiteenzetten,
camoufleren zij hun oplossingen op een dergelijke manier dat ze, terwijl ze
Scylla willen vermijden, in Charybdis vallen. Want ze zeggen dat deze
zaken waar zijn volgens de filosofie maar niet volgens het katholieke geloof,
alsof er twee tegengestelde waarheden zouden zijn...”.
Tot dat zgn.
“Latijnse averroďsme”[39]
behoorden ook een aantal inhoudelijke filosofische leerstellingen. De
bekendste ervan is wat doorgaans (sedert Leibniz) wordt aangeduid als het “monopsychisme”.
Wat ons weerom bij de filosofie van Ibn Rushd brengt.
4.3.3. Filosofie en
Universele Rede.
Vanuit zijn immens respect, of zeg maar: verering voor Aristoteles weerde
Ibn Rushd zich niet enkel tegen elke aanval op de filosofie (zoals vooral
vanwege al-Ghazâlî). Hij bestreed ook alle theorieën die z.i. een
verkeerde interpretatie of deviatie van de aristotelische filosofie
brachten, ook wanneer het vanuit modern oogpunt ging om
positieve ontwikkelingen binnen de wetenschappen - wat hem op een
wetenschappelijk “reactionaire” positie kon plaatsen[40].
Op het eigenlijke filosofische en metafysische vlak, echter, polemiseerde
hij vooral met Ibn Sînâ (en in mindere mate ook met diens voorganger
al-Fârâbî), omwille van de neoplatonische elementen in diens totaalsysteem.
De tijd ontbreekt om deze
(vrij technische) argumenten uitvoerig te behandelen. Ze betreffen
thema’s zoals
-
Ibn
Sînâ’s onderscheid tussen essentie en existentie, met prioriteit voor de
eerste; Ibn Rushd stelt, goed-aristotelisch, dat de individuele concrete
wezenheid primair is;
-
het
onderscheid tussen
“mogelijk-in-zichzelf-maar-noodzakelijk-door-een-ander” en
“noodzakelijk-op-zich” - wat Ibn Rushd als volkomen gratuit afwijst;
-
Ibn
Sînâ’s onmiddellijke intuďtie van het eigen zelf, zonder dat lichaam en
zintuigen, enerzijds, en de buitenwereld, anderzijds, daarin een
noodzakelijke rol spelen; Ibn Rushd richt zijn aandacht exclusief op de
empirische buitenwereld; z.i. is de kennis van het eigen zelf maar
mogelijk door de kennis van het andere;
-
de
schepping: Ibn Rushd verwerpt de emanatietheorie; wat hem frappeert is de
statische orde van de schepping; de “schepping” is voor hem de causale
structuur van die wereld, niét haar emanatie uit één zijnsbeginsel;
God is voor Ibn Rushd niet het absolute startpunt van een eeuwig
emanatieproces, maar is reële schepper middels zijn eigenmachtige wil; de
wereld is “noodzakelijk” als het resultaat van de wisselwerking
tussen de oorzaken en Gods bevelvoering. Ibn Rushd sluit hier dus
aan bij de islamitische orthodoxie; hij wijkt er nochtans van af door vast
te houden aan de eeuwigheid van de wereld;
-
centraal
in Ibn Rushds natuurfilosofie en wetenschapsbegrip in het algemeen staat
het begrip van de causaliteit: de visie van Ibn Sînâ, dat scheppen
of verwekken het van buitenaf “inbrengen” betekent van een vorm (nl.
door het Actief Intellect, als zgn. “Schenker der Vormen”) in
de stof of materie (daartoe klaar gemaakt door de hemellichamen), wordt
door hem verworpen voor de goed-aristotelische opvatting dat de vorm
reeds vooraf, namelijk “in aanleg”, aanwezig is in de stof; de
oorzaak, of agent, die zelf “in act” is, zorgt voor de
verwerkelijking of actualisering van die aanleg (wat aan het natuurproces
dus een mate van autonomie garandeert)[41].
Enz.
Maar de bekendste, zo niet belangrijkste, inhoudelijke bijdrage van Ibn
Rushd tot de (aristotelische) filosofie betreft de theorie van de zgn.
“eenheid van het intellect”.
Hij mengt zich hier in een bijzonder technische discussie binnen de filosofische
traditie sedert de late oudheid, meer in het bijzonder m.b.t. de
cognitieve psychologie. Het theorema van de verschillende
“intellecten” (“actief”, “passief”, “materieel”, “mogelijk”, “verworven”,
"demonstratief", enz.) had als uitgangspunt een vrij duistere passus in
Aristoteles’ psychologisch hoofdwerk, De anima (het beruchte
“III.5”), en het heeft binnen de Arabische filosofie (reeds vanaf al-Kindî),
en van daaruit ook in de christelijke Scholastiek een belangrijke rol
gespeeld[42].
Wat Ibn Rushds positie betreft, uitgewerkt doorheen zijn commentaren, binnen het
kader van een confrontatie met de filosofische traditie, zij is moeilijk
als systeem exact te vatten, en heeft in de loop van de eeuwen, tot op vandaag,
aanleiding gegeven tot de meest uiteenlopende interpretaties. In
haar techniciteit is ze hoe dan ook mijlen ver verwijderd van de moderne
kennispsychologie. De enkele, volgende algemeenheden mogen
daarom volstaan[43].
Zoals gezegd, voor Ibn Rushd bezit de ganse kosmos een causale structuur
en orde. Zij betreft de hemellichamen, de aparte astrale
intelligenties, de ondermaanse of aardse wereld, de levende (natuur)wezens
en de mens zelf. Zoals Aristoteles reeds uitdrukkelijk stelde: wat
de mens onderscheidt van de overige levende wezens, is zijn denk- en
kennisvermogen (in het Grieks: het bezit van de logos); en
per definitie betreft die (wetenschappelijke) kennis
universalia, geen particularia (kenobject is bv. de immateriële wezensvorm “mens”, niét de
stoffelijke en vergankelijke, individuele mens, Sokrates). De vraag die
zich dan stelt, is welke de voorwaarden zijn voor het totstandkomen van
die kennis? PS Dŕt de mens tot zulke "ware" kennis kan komen, geldt als
evident, binnen deze traditie.
In de hoger vermelde passus in De anima onderscheidt Aristoteles
twee “oorzaken” of principes, daarbij vertrekkende vanuit de vaststelling
dat bij al wat bestaat twee aspecten kunnen worden onderscheiden: namelijk
(actieve) vorm en stof (= aanleg). Toegepast op de ziel, betekent het:
het ene is intellect omdat het “alles maakt” (intellectus agens),
het andere omdat het “alles wordt” (materieel intellect).
Tegelijkertijd maakt Aristoteles (in navolging van Platoon) een
vergelijking tussen het actieve intellect en het licht: kleuren bv.
“worden” (zichtbaar) dank zij het zonnelicht, en zij verschijnen dan in
het diafane medium waarmee (aldus Ibn Rushd in zijn Grote Commentaar)
met het receptieve, materiële intellect vergeleken kan worden. In een
passus in een biologisch werk had Aristoteles nog héél summier opgemerkt
dat het (eerste, immateriële) intellect “van buiten komt” – wat voor
alle latere commentaren een supplementair handvat gaf om de goddelijkheid
en zelfstandigheid te bevestigen van het “actieve intellect”, al dan niet
in het kader van een hiërarchie van kosmische intelligenties en
intelligibilia.
Komen we dan terug naar Ibn Rushd. Nauw aansluitend bij Ibn Bâjja,
vertrekt hij, voor zijn analyse, van het menselijke verbeeldingsvermogen
(phantasia, imaginatio). Dwz dat het beeldmateriaal dat, vanuit de
zintuiglijke gewaarwordingen, hierin opgeslagen en verwerkt is het
noodzakelijke startpunt vormt voor het denkproces. De rol van het actieve
intellect in onze ziel bestaat er dan in, de intelligibele vormen, die
potentieel of in aanleg gegeven zijn in het beeldmateriaal, te
actualiseren (dwz te helpen abstraheren van hun zintuiglijke aspecten).
Die actualisering als zodanig – dus het denkproces, als zijnde in de
eerste plaats het denken of aanschouwen van de intelligibilia – vindt
plaats in het materiële intellect, dat aldus zelf geactualiseerd wordt (en
verbonden wordt met het intellectus agens).
PS We zouden kunnen stellen dat (in premoderne kennistheorieën) in het
kennen/denken twéé “subjecten” optreden: (1) de constitutieve wezensvorm
in de werkelijkheid (bv. wat een bepaald dier tot een “paard” maakt); (2)
dezelfde vorm “paard”, maar dan als geactualiseerd intelligibele in onze
geest (in de scholastiek werd met betrekking tot de mentale vorm het Latijnse
woordje
“intentio” gebruikt als vertaling van de Arabische term, al-macnâ).
Het materiële intellect is, van hieruit bekeken, het menselijke intellect
dat de immateriële en eeuwige, intelligibele vormen (als “intenties”)
metterdaad denkt. Als zodanig mag het niet vereenzelvigd worden met het
(nog lichamelijke en zintuiglijke) verbeeldingsvermogen en zijn onderdelen
(herinnering, voorstelling, enz.) – wat Ibn Bâjja volgens Ibn Rushd ten
onrechte wel had gedaan. De verklaring hiervoor is te vinden in
Aristoteles’ opmerking dat het materiële intellect “ŕlles wordt”.
Opdŕt zulks mogelijk zou zijn, zo merkt Ibn Rushd op, mag het materiële
intellect zelf niet... materieel of stoffelijk zijn (dat zou de alomvattendheid ervan
onvermijdelijk beperken). Het is dus immaterieel of: niet met het
lichamelijke vermengd. Maar er is meer. Hoewel het materiële intellect het
(eigenlijke) menselijke intellect is, wordt het door een individueel mens
niet onophoudelijk of continu gebruikt. Omdat het intellect nochtans
altijd denkt, en “niet nu eens wel en dan weer niet” (cf.
Aristoteles), concludeert Ibn Rushd dat het niet numeriek gebonden is aan
individuele mensen maar integendeel het bezit is van de
gehéle mensheid: in het verleden, heden en de toekomst (cf. de mensheid
als soort is eeuwig, zoals alle soorten).
In onderscheid dus met de aan hem voorafgaande traditie (hij voert ook
systematisch het debat met de oud-Griekse Aristotelescommentatoren, zoals,
vooral, Alexander van Aphrodisias en Themistios), beklemtoont Ibn Rushd de eenheid, en dus universaliteit en perpetuďteit, niet enkel van het
kosmisch Actief Intellect, maar ook van het voor de menselijke soort
unieke “materiële” intellect, of rede. Wat daartegenover strikt
particulier en individueel is, is ieders persoonlijk cogitatief of oordeelsvermogen. Hij
spreekt in dat verband, verwijzend naar Aristoteles’ tekst, van een
“passief” intellect dat individueel is en vergankelijk [PS bij
Aristoteles vermeld als zijnde identiek aan het materiële
intellect, en niet als een derde intellect].
In de christelijke Scholastiek werd deze visie bekend en begrepen als de
leer van de “eenheid van het intellect”, en als een negatie van de
individualiteit en eeuwigheid van iedere individuele menselijke ziel (en dus
als in strijd met de openbaring). Dat is alvast niet wat Ibn Rushd
bedoelde. Wat hij alleszins wél bedoelde is dat de rede of geest van
alle mensen op dezelfde wijze functioneert. Het persoonlijke
perspectief van “onze waarheid” zal sterven met onze lichamen, maar
de waarheid ervan zal eeuwig voortbestaan, want verenigd met het
goddelijke intellect.
Bovendien, wat hij bovenal wou beklemtonen, was de continuďteit en
gemeenzaamheid van het menselijke denken - in de mate namelijk dat
er steeds mensen zijn die aan filosofie en wetenschap doen, en dus de
“conjunctie” (ittisâl) realiseren met het Actief Intellect.
Wat dit “transcendentale” aspect betreft (om, wat anachronistisch,
de term van Immanuel Kant te gebruiken), Ibn Rushd beklemtoont dat de
mensen daartoe kunnen samenwerken met elkaar. Dat brengt,
alleszins in aanzet, een belangrijke wijziging in optiek, alvast in
vergelijking met de vroegere falâsifa: bij al-Fârâbî en Ibn Sînâ
was het zogenaamd "materieel intellect" (dat de conjunctie met het Actieve
moest realiseren) nog individueel, en, incluis met de gelukzaligheid
verbonden aan de conjunctie, voorbehouden aan een kleine
filosofische élite. Ibn Rushds toewijzing ervan, niet aan enkele
begenadigde individuen, maar aan de mensheid als zodanig, maakt dat het
filosofisch weten én geluk althans in beginsel voor alle mensen is
weggelegd - in zoverre ze de nodige filosofische vorming krijgen (zodat ze
dus niet langer behoren tot de “dialectische” of de “retorisch”
klasse). Filosofie en wetenschap kunnen van hieruit worden
uitgeroepen tot de opdracht van de gehele mensheid, in de tijd en de
ruimte.
De filosofie, hoe dan ook, is nooit volledig afwezig van het aardoppervlak:
altijd zijn er wel érgens mensen die aan filosofie en wetenschap doen.
Het Denken, de Rede is dus zonder ophouden werkzaam, en iedere mens
ontvangt er een deel van. Met Ibn Rushd krijgen we dus voor de
eerste maal een werkelijk universele Rede, die in principe
toegankelijk is voor ŕlle mensen. De “prijs”, weliswaar, die hij
daarvoor moest betalen, is dat het niet zozeer de (individuele) mens is
die denkt: het intellect “denkt in ons”[44].
Epiloog.
Wellicht géén andere filosoof is meer misbegrepen of meer belasterd dan
Ibn Rushd. Maar geen andere moslimdenker ook heeft een grotere invloed
uitgeoefend op de Europese cultuur. Want de ironie van de geschiedenis
heeft gewild dat Ibn Rushd, die zich méér dan wie ook inzette om het
vreedzaam samen-gaan tussen religie en filosofie mogelijk te maken, in de
eigen moslimwereld nauwelijks weerklank heeft gevonden. Ook voor de Roomse
Kerk gold hij als dé exemplarische vijand van alle godsdienst, maar, zoals
gezegd, vanaf de 13de eeuw was er ook een "heterodoxe" stroming die zijn
opvattingen, met name ook zijn radicaal aristotelisme, huldigde. Ook al
berustte het vooral op een reeks misverstanden (zoals Renan voor het eerst
heeft aangetoond), dit “averroďsme” heeft een belangrijke rol gespeeld in
de Europese filosofische en wetenschappelijke ontwikkeling; in Italië,
meer in het bijzonder in Padua, zou men nog (scholastieke) "averroďsten"
vinden tot in de 17de eeuw. Maar bovenal zou Ibn Rushd in de Europese
Renaissance (en nadien ook Reformatie) aanwezig zijn dank zij zijn ideeën
over een strict rationele filosofie en een rationele theologie gebaseerd op de
Schriftuur.
HOOFDSTUK 3 |