VAN AL-ANDALUS TOT
KATHOLIEK SPANJE (1)
door Herman De Ley
(© H.De Ley)*
hoofdstuk 1 - hoofdstuk 2 -
hoofdstuk 3 -
literatuurlijst |
Inhoudstafel:
Hoofdstuk 1: Al-Andalus: Maatschappij & Civilisatie
1. Brug tussen Europa en Afrika/Azië
1.1. Inleiding:
1.2. 'Verovering' of 'revolutie'?
1.3. Al-Andalus
2. Ibn Hazm en "Het Halssnoer van de
Duif"
Hoofdstuk 2:
Andalusische filosofie
1. Inleiding
2. Ibn Bâjja
3. Ibn Tufayl
4. Ibn Rushd
4.1. Leven
4.2. Werken
4.2.1. Aristotelescommentaren
4.2.2. Filosofisch-theologische traktaten
4.2.3. Filosofische traktaten
4.3. Filosofie
4.3.1. Inleiding
4.3.2. Filosofie en religie
4.3.3. Filosofie en universele rede
5. Epiloog
Hoofdstuk 3: Moslims in Katholiek Spanje
1. De Mudéjares
2. De Moriscos
3. Epiloog
|
Hoofdstuk 1:
Al-Andalus: Maatschappij & Civilisatie
1. Brug tussen Europa en Afrika/Azië
1.1. Inleiding.
West-Europeanen mogen
de realiteit ervan vergeten of verdrongen hebben, maar de islam is wel
degelijk van oudsher inheems in Europa - zowel in het westen als
in het (zuid-)oostelijke en centrale deel ervan.
[1]
Wat West-Europa betreft: vanaf het begin
van de 8ste tot
het einde van de 15de eeuw - dus ruim 800 jaar - waren er vooreerst de
gebieden die een autonoom moslimregime kenden. De islam bekleedde er m.a.w.
een dominante positie, terwijl christenen en joden de religieus-juridische status
hadden van dhimmî-s, of "beschermden". Anderzijds waren er ook
gebieden waar moslimpopulaties als onderworpen minderheid leefden -
vooreerst openlijk, onder de bescherming van een of ander politiek verdrag:
de zgn. mudéjares; nadien, na een gedwongen collectieve bekering, als
crypto-moslims: de zgn. moriscos. In de tijd reikt de periode van
die onderworpen Europese islam nog (minstens) twee eeuwen verder, namelijk tot
in de eerste decennia van de 17de eeuw. Globaal moeten
we dus spreken van (minstens) een millennium van pre-moderne, West-Europese
islam.
De eerste, en zowel vanuit politiek- als vanuit
cultuur-historisch oogpunt meest belangrijke moslimstaat op het Europese
continent was vanzelfsprekend al-Andalus, op het Iberische
schiereiland.[2]
Met die benaming, "al-Andalus",[3]
hebben de klassieke Arabische auteurs steeds dat deel van het schiereiland
aangeduid dat politiek en religieus georganiseerd was als een onderdeel van de dâr al-islâm,
d.w.z. als moslimstaat (eventueel: als een conglomeraat van moslimstaatjes)
- welke ook de concrete territoriale omvang of versplintering ervan mocht zijn (in de laatste faze van de zgn. Reconquista was het moslimterritorium, zoals bekend,
beperkt tot het Nasridenkoninkrijkje van Granada).
1.2. "Verovering" of "revolutie"?
De militaire actie die de
creatie van al-Andalus mogelijk maakte in het begin van de 8ste eeuw, heeft
amper enkele veldslagen gevergd, en in enkele tientallen maanden tijd
(tussen 710 en 714) was ze een feit, voor een grondgebied dat van Gibraltar
tot in Zuid-Frankrijk reikte. Op de verschillende factoren die dit politieke
"mirakel" kunnen helpen verklaren,[4]
kan hier niet worden ingegaan.[5]
Wel moge in deze context even het belang aangestipt worden van de scherpe
religieuze controversen en vervolgingen die de pre-islamitische,
visigothische
samenleving ondermijnden.
Vooreerst, binnen het christendom zelf, was er het
conflict tussen de zgn. "unitariërs" (of arianen) en de katholieke of Roomse
"trinitariërs".[6]
De felle strijd tussen beide strekkingen manifesteerde zich op het Iberische
schiereiland, behalve in dynastieke conflicten, ook in regionale revoltes
tegen de voortaan (vanaf 587, met de bekering van de koning) katholieke rijksorde. Het belang daarvan wordt
vandaag door een aantal moslimauteurs sterk beklemtoond. Met verwijzing naar o.m. steunoproepen vanwege ariaanse gemeenschappen, met name in het huidige
Andalusië, gericht aan geloofsgenoten én moslims in Noord-Afrika, begrijpen
zij de gebeurtenissen in 710 en volgende jaren niet zozeer als een
"vreemde", militaire agressie en verovering,[7]
dan wel als een soort van bevrijding, of (binnenlandse) "revolutie".[8]
Een tweede belangrijke factor was ongetwijfeld de zware repressie
waaronder de (omvangrijke) joodse gemeenschappen in het katholieke
koninkrijk te lijden hadden. Reeds in 613 had koning Sisebut
de verplichte bekering gedecreteerd van alle joden tot het christendom; wie
zich niet bekeerde, moest het land verlaten.
Hoewel nadien verworpen door het (4e) Concilie van Toledo (633), legde die
politiek toch de grondslag voor het probleem waarmee de Spaanse Kerk later
zo fel zou te kampen hebben, namelijk dat van de conversos en het
crypto-judaïsme.[9]
Zo werden de eerdere verbodsbepalingen inzake het bekleden van officiële
functies door joden reeds in 633 uitgebreid tot de bekeerlingen. De
vervolgingen volgden elkaar in de 7de eeuw in snel tempo op, met 694 als
triest hoogtepunt,[10]
en de katholieke Kerk speelde hierin een vooraanstaande rol.[11]
Op het tijdstip van de Arabische verovering bestonden er als gevolg daarvan
geen openlijk belijdende joodse gemeenschappen meer in het visigothische
rijk.
De berichten, daarom, dat de moslims op hun veroveringstocht met open armen
ontvangen werden door de (crypto-)joodse gemeenschappen, en dat zij bij hun
verdere opmars de gewonnen steden toevertrouwden aan joodse
garnizoenen, lijken van hieruit geloofwaardig.
1.3. Al-Andalus . De andalusische cultuur verwierf,
in vergelijking met de oostelijke moslimwereld waarvan ze in den beginne
sterk afhankelijk was, een heel eigen karakter. Ze
kwam tot ontplooiing in de klassieke periode van het Emiraat (756-928) en
vervolgens, vooral, het Kalifaat (929-1031) van Cordoba,[12]
en was het resultaat van de versmelting van een unieke "pot-pourri" van
uiteenlopende - Afrikaanse, Aziatische en Europese - etnische en
religieus-culturele bevolkingscomponenten. Volgende groepen laten zich
onderscheiden:
a) "allochtone" groepen, zoals de minderheden van
Arabische en Berberse "immigranten", zwarte Soedanezen (cabîd,
mannen en vrouwen, ingevoerd via de slavenhandel) en Slaven (aqâliba),
afkomstig, via de slavenhandel die vaak in handen was van joodse
handelaars, uit Midden-Europa en vooral Joegoslavië; zoals de Soedanezen
vooral gezocht als huurlingen;
b) "autochtone": in de eerste plaats de meerderheid van
Iberische neo-moslims, of muwalladûn. Over een periode van ca 3
eeuwen werd de overgrote meerderheid van de autochtone bevolking diepgaand
geïslamiseerd en gearabiseerd; in het dagelijkse leven weliswaar heerste
er een algemene tweetaligheid, namelijk van Arabisch en Romaans.
c) De niet-moslimse gemeenschappen die, als dhimmî-s,
een relatieve autonomie en bescherming genoten:[13]
het betrof hier (1) de gearabiseerde christenen, of Mozaraben,[14]
maar (2) ook (althans tot aan de Almohaden) een belangrijke joodse
gemeenschap. Dank zij de bijzonder gunstige omstandigheden waarvan
de joden genoten (ondanks de dominante, malikitische rechtsschool) en
geïnspireerd door het Arabisch-islamitisch humanisme, slaagde deze
laatste erin een hoogstaande andalusisch-joodse cultuur te creëren, met de
studie en heropleving van het oude Hebreeuws (voor het eerst werd een
grammatica opgesteld), de bloei van de religieus-juridische studies (onder
het kalifaat zou de joodse academie van Cordoba het leiderschap overnemen
van de oude academies van Baghdâd), de bloei van een o.m. ook profane Hebreeuwse
poëzie, enz.[15]
We moeten ons vanzelfsprekend hoeden voor naïeve mythevorming, ook al kan de mythe van het "multiculturele al-Andalus"
vandaag ongetwijfeld een positieve, inspirerende rol spelen:[16]
al-Andalus was niét het paradijs-op-aarde, en de reële verhoudingen binnen
en tussen al deze groepen waren vaak erg gespannen, zo al niet conflictvol
en gewelddadig. Dat gold ook en vooral binnen de moslimmeerderheid zelf: hoewel zij o.m.
door gemengde huwelijken vanuit cultureel en zelfs etnisch oogpunt
betrekkelijk homogeen werd, bleef zij verdeeld langs tribale
scheidingslijnen (tussen Noord-Arabische en Zuid-Arabische), tussen
Arabieren en Berbers, en vooral
langs klasse- en statuslijnen, namelijk tussen de gegoeden, al-khâssa, i.e.
adellijke families en gegoede middenklassen (handelaars en kleine
landeigenaars), [17]
enerzijds, en het plebs, of el-câmma, in de steden en op
het platteland, anderzijds.
Maar het is tegelijk onloochenbaar dat er, bóven
of ondanks alle diversiteit en tegenstellingen, één verregaand gemeenschappelijke,
andalusische cultuur en way of life tot stand kwam. Precies dank zij haar pluriculturele en
pluri-etnische basis, was al-Andalus bij machte te fungeren als een unieke "brug"
(qantara) tussen Azië, Afrika en Europa. Met name ook als de brug
waarlangs de superieure Arabisch-islamitische cultuur, met tevens haar
kostbaar Helleens (alsook Perzisch en Indisch) erfgoed, kon doorgegeven
worden aan een West-Europa dat, als gevolg van de Germaanse invallen en de
ineenstorting van het Romeinse imperium, nog altijd in een toestand van verregaande
barbarij verkeerde.
Wat de
materiële cultuur betreft van al-Andalus, Cordoba
(Qurtuba), ook door christenen verheerlijkt als het "Sieraad van de Wereld",
[18] telde in haar bloeiperiode ca 300.000 inwoners en beschikte over honderden
moskeeën en badhuizen, tientallen bibliotheken - Cordoba was "de stad van
de boeken" -, hospitalen, enz.[18b]; het bezat waterleiding, straatverlichting, geplaveide
straten, enz. Op het hoogtepunt van het andalusische kalifaat, onder cAbd
al-Rahmân III en al-Hakam II (10de eeuw), was Cordoba zelfs de belangrijkste
politieke hoofdstad van de islam en tegelijkertijd de meest geciviliseerde
stad van Europa[18c].
Behalve de intellectuele en wetenschappelijke, zou ook de andalusische levenscultuur voor christelijk West-Europa inspirerend zijn.
Er is hier alvast één naam die niet mag ontbreken, namelijk die van Ziryâb
(is eigenlijk een bijnaam: "de Merel"),
die in de latere Arabische literatuur als een soort van andalusische cultuurheld
wordt beschreven. Geboren in Irak, in 789, ontvluchtte hij Baghdâd en werd
in 822 met alle égards ontvangen aan het hof van Cordoba (onder
cAbd
al-Rahmân II). Ziryâb,
die een geniaal musicus was (hij vernieuwde de bouw van de cûd,
onze latere luit), alsook dichter en zanger (hij zou "10.000" liederen
hebben gecomponeerd), richtte een
muziekconservatorium op, dat de grondslag legde voor de andalusische
muziekcultuur. Als een waar "arbiter elegantiae" (Eng.: "arbiter
of taste, style and manners") vernieuwde hij ook... de tafelkunsten (onderverdeling
van het menu in een vaste volgorde van "gangen", zoals ook nu nog bij ons
gebruikelijk; lichtere couverts, glazen en tafelgerei...) en de gastronomie
(introductie van nieuwe groenten, zoals de asperge; creatie van nieuwe
desserts...); het persoonlijk toilet en wasmiddelen (introductie van de
eerste tandpasta, populariseren van het scheren, bij mannen; gebruik van
zout voor het wassen van klederen, in plaats van louter rozenwater); de
schoonheidsbehandeling (opening van een "schoonheidssalon", met gedurfde
haarstijlen voor vrouwen, gebruik van epileertuigjes, vormgeving van de
wenkbrauwen, nieuwe parfums en cosmetica...); de mode (moderichtlijnen
naargelang van de seizoenen)... Ziryâb introduceerde ook het schaakspel in
het Westen, en populariseerde sterrenkijken en astrologie (met astrologen
uit Indië); hij was een bevlogen mysticus, enz. Hij stierf in 857. [overgenomen
uit: Q-News, n° 350, oktober 2003, pp. 28-29]. De toewijzing, in de
overlevering, van zovele creaties, kundigheden en uitvindingen aan één
persoon moge dan al enig wantrouwen wekken, het lijstje ervan geeft hoe dan
ook een
beeld van het rijke patrimonium aan "savoir vivre", dat al-Andalus
aan Europa zou nalaten.
Wat de geestescultuur betreft,
vanaf de tweede helft van de 9de eeuw werden Cordoba en de andere steden van al-Andalus ware kolonies
van wetenschapsmensen, juristen, artsen, geleerden en dichters. Uit heel
christelijk Europa kwamen leken en clerici naar Cordoba, Toledo en Sevilla
om er colleges te volgen aan de moslimuniversiteiten en zich Hebreeuwse of
Latijnse vertalingen aan te schaffen. Grote bekendheid verwierf in Cordoba
de school van Maslama (van Madrid, gest. rond 1007), wiens discipelen o.m.
wiskunde, astronomie en geneeskunde studeerden. Abû Qâsim (Abulcasis, gest.
1013), lijfarts van cAbd al-Rahmân III (die in 929 het Kalifaat
uitriep), doceerde chirurgie in Cordoba en ontdekte nieuwe chirurgische
methodes; uit geheel Europa, om zo te zeggen, kwam men zich bij hem laten
opereren. Nog op het gebied van de geneeskunde verwierf in Sevilla de
familie Ibn Zuhr (Avenzoar) grote faam; de beroemdste vertegenwoordiger
ervan had de latere filosoof Ibn Rushd als leerling. Over de filosofie
hebben we het verder, in hfst. 2.
Na de val, weliswaar, van Toledo (in 1085) kwam
al-Andalus onder toenemende druk te staan van de zogeheten "Reconquista"
door christelijke vorsten en moest de steun worden ingeroepen van
Noord-Afrikaanse Berberdynastieën. [19]
Volledigheidshalve moet erop gewezen worden dat, weze het
voor een kortere periode, ook Sicilië[20]
en enkele andere Mediterrane eilanden,[21]
alsook kleine enclaves in Zuid-Frankrijk en Zuid-Italië[22]
een moslimbewind hebben gekend.
2. Ibn Hazm en "Het Halssnoer van de Duif".
Ten einde de zeer algemeen gehouden schets hierboven wat kleur te geven bij
middel van een meer individueel portret, volgt hier een
(beknopte en erg selectieve) voorstelling van één van de grootste
moslimintellectuelen uit de klassieke periode, namelijk Ibn Hazm, bij ons vooral
bekend voor zijn "Halssnoer van de Duif".
Ibn Hazm (zijn meer volledige naam luidt: Abû Muhammad
cAlî b. Ahmad b. Sacîd b. Hazm al-Andalusî) werd
geboren in Cordoba in 994 - mogelijk, langs grootvaderszijde, uit een
Iberisch geslacht van bekeerlingen (muwalladûn).[23]
Zijn familie behoorde hoe dan ook tot de hoge Cordobaanse aristocratie. Dank
zij de grote rijkdom die onder het krachtige bewind van de hâjib, of
hofmeier, Ibn Abî cAmir, bijgenaamd al-Mansûr
(976-981), naar de stad toevloeide, kon die aristocratie een luxueuze,
verfijnde en elegante levenswijze voeren, in een milieu dat ook het decor
zou zijn van Ibn Hazms erotisch traktaat, Het Halssnoer van de Duif.
Ibn Hazms eigen leven, echter, zou samenvallen met één van de meest
dramatische en tragische periodes van Moslim-Spanje. In 1009, na de moord op
al-Mansûrs
tweede zoon, brak een bloedige burgeroorlog (fitna) uit; in 1031
leidde die tot de opheffing van het kalifaat en werd het fatale proces in
gang gezet dat op termijn zou leiden tot de zogenaamde "Herovering" (Renconquista),
beter: verovering, van al-Andalus door de noordelijke,
christelijke koninkrijkjes.
Ibn Hazm was vijftien jaar oud toen de fitna ("burgeroorlog") uitbrak: aan een
zorgeloos en luxueus bestaan kwam definitief een einde. In zijn bewogen maar
korte politieke loopbaan zou zijn loyauteit steeds de Omayyadendynastie en
haar pretendenten gelden. In 1027, na o.m. gestreden te hebben voor de muren
van Granada en na verschillende malen gevangenschap te hebben gekend, trok
hij zich in Játiva definitief terug uit de politiek. Voortaan, tot aan
zijn dood, in 1064, zou zijn leven gewijd zijn aan de wetenschappelijke
studie: geschiedenis, recht, taalkunde, filosofie en theologie.[24]
Zijn scherpe polemische pen maakte hem vele vijanden.[25]
Deze "eerste filosoof van Cordoba" (zoals hij wel
eens genoemd wordt)[26]
en tevens onvervaard bekamper van de heersende, Malikitische rechtsschool[27]
was nochtans óók de auteur van een verrukkelijk boek over de liefde: het
Tawq al-Hamâma, of "Het Halssnoer van de Duif".[28]
Ibn Hazm schreef het rond 1022, na zijn tweede
gevangenschap, ofwel in 1027, na zijn derde, in een periode dat hij zijn
groot verlies moest verwerken.
Zoals vele Arabische teksten, bleef Het Halssnoer
(of: De Ring) van de Duif slechts door een mirakuleus toeval bewaard.
Het enige bewaarde handschrift (van 1338) werd midden 19de eeuw herontdekt in
de Leidense Universiteitsbibliotheek (door de grote oriëntalist Reinhart
Dozy). Sedertdien is dit literaire meesterwerk - het opent ons een
betoverend en uniek venster op dagelijks leven en cultuur van al-Andalus -
verschillende malen vertaald: o.m. in het Engels (tweemaal), het Frans
(tweemaal), het Duits, het Spaans, het Italiaans, het Russisch en gelukkig ook in het Nederlands.[29]
Het Halssnoer van de Duif oefent op de hedendaagse
lezer een grote aantrekkingskracht uit. In 1991 leverde het boek tevens de
inspiratie voor de sprookjesachtige film van Nacer Khemir: "Le Collier
Perdu de la Colombe". De film is opgedragen aan al-Andalus, of beter,
zoals de begingeneriek luidt:
"aux ‘Andalousies toujours recommencées, dont nous
portons en nous
à
la fois les décombres amoncelés et l'inlassable espérance' (J.Berque)".
De jonge held ervan, de kalligrafiestudent Hasan, poogt
de 60 Arabische uitdrukkingen voor "liefde" te verzamelen en wordt
verliefd op de heldin - de "prinses van Samarkand" - uit een boek
waarvan hij slechts één bladzijde uit een brand heeft weten te redden .[30]
Die aantrekkingskracht van Ibn Hazms geschrift heeft ongetwijfeld
veel te maken met de tijdloosheid van het onderwerp ervan, namelijk de liefde.
Maar zij wordt nog vergroot doordat - in contrast met de vele andere
Arabische traktaten over de liefde (er zijn er meer dan twintig bekend, uit
de periode van de 9de tot de 17de eeuw) - Ibn Hazm verkozen heeft de
traditionele behandeling ervan niet blindelings te volgen. Zijn analyses van
de liefde (hetero- en homoseksueel) in haar vele verschillende vormen en
aspecten - liefdesgeluk en liefdespijn, trouw en trouweloosheid, vereniging
en scheiding, vervulling en dood - illustreert hij niet, schrijft hij in
zijn inleiding, met "de verhalen van de Bedoeïenen en de oude
Arabieren..., want hun levenswijze was een andere dan de onze", maar wel
met kleurrijke en levendige, soms grappige, vaak ontroerende anecdotes over
hemzelf en zijn mede-Andalusiërs. Het Halssnoer van de Duif vormt
daarom ook een boeiend historisch en maatschappelijk document, waarin het
Cordoba van weleer a.h.w. opnieuw voor ons geestesoog verrijst. Eén
voorbeeld moge volstaan; het komt uit het hoofdstuk, "Liefde op het
eerste gezicht":
Onze vriend Abu Bakr Muhammad ibn Ishaq vertelde me op
gezag van een betrouwbare zegsman, wiens naam me ontschoten is (ik geloof
dat het de rechter Ibn al-Hadhdha' was), dat de dichter Yusuf ibn Harun,
bekend als al-Ramadi, eens door de poort van de parfumeurs in Cordoba liep. Dat is de plaats waar de vrouwen elkaar treffen. Zijn oog viel op
een meisje en liefde voor haar vervulde zijn hart en maakte zijn ledematen
als verlamd. Hij liep langs de moskee en begon haar te volgen. Zij begaf
zich naar de brug en ging die over, naar de plaats die bekend staat als
al-Rabad. Toen ze op de begraafplaats van al-Rabad aan de overzijde van de
rivier liep, tussen de mausolea die gebouwd zijn op de graven van de Banu
Marwan (God hebbe hun ziel) zag ze dat hij zich van de andere mensen had
afgezonderd en uitsluitend oog had voor haar. Ze ging naar hem toe en
vroeg: 'Waarom loopt u achter mij aan?' Hij vertelde haar over de hevige
emoties, waaraan hij om harentwille ten prooi was, maar zij zei: 'Zet dat
uit uw hoofd en probeer mij niet te schande te maken, want ge hebt niets
van mij te hopen en er is geen enkele kans dat u bereikt wat u wenst.' Hij
antwoordde: 'Ik ben al tevreden als ik naar u mag kijken,' en zij zei:
'Dat is toegestaan.' Toen zei hij: 'Bent u een vrije vrouw of een slavin?'
en zij antwoordde: 'Ik ben een slavin.' Hij vroeg haar hoe ze heette. 'Khalwa,'
zei ze en hij vroeg: 'Aan wie behoort u toe?' Maar zij antwoordde: 'Bij
God, u zult eerder te weten komen wat zich in de zevende hemel bevindt dan
het antwoord op wat u daar vraagt. Probeer toch niet het onmogelijke te
bereiken!' Toen zei hij: 'Waar kan ik u een volgende keer zien?' 'Waar u
mij vandaag gezien hebt,' was haar antwoord, 'op hetzelfde uur, iedere
vrijdag.'...".[31]
Ook de vele poëzie waarin hij uitweidt over zijn thema’s,
is van zijn hand. Ibn Hazm was dan misschien geen groot dichter - in
contrast met de toenmalige poëtica, geeft hij de voorrang aan de uitdrukking
van de gedachten en gevoelens boven de literaire vormvolmaaktheid -, vele
van zijn verzen blijven wel degelijk hangen. Zijn grote liefde voor al-Andalus (hij was ook de auteur van een lofrede op de voortreffelijkheden
van de inwoners van al-Andalus, de ahl al-Andalus), blijkt uit menig
vers. Om hem éven te citeren:
"Wat zou ik om Chinese juwelen geven,
Als een andalusische robijn mijn hele rijkdom vormt?".
Ibn Hazm, zo vertelt hij onszelf, had zijn jeugdjaren,
tot zijn veertiende ongeveer, doorgebracht in de harem, waar vrouwen hem
onderwezen in de Qur’ân en de poëzie. Eén van de (vele) charmes, daarom, van
Het Halssnoer van de Duif is de vertrouwdheid van de auteur met de
vrouwelijke psyche én de, alle verhoudingen in acht genomen, grote aandacht
die hij schenkt aan de vrouw: zij verschijnt niét enkel als geliefde of als
degene die het hof wórdt gemaakt, maar óók als een bijna gelijkwaardige
partner of als de heldin die passioneel gegrepen is door de liefde.[32]
Ik citeer enkele regels uit de belangrijkste passus (hfst. "De behulpzame
vriend"):
Nergens heb ik zoveel hulpvaardigheid gezien als bij
vrouwen. Zij bewaren het liefdesgeheim, raden elkaar aan het te verzwijgen
en als ze het te weten zijn gekomen, verbergen ze het bij onderlinge
afspraak op een manier die bij mannen niet voorkomt. Vrouwen die het
geheim van twee gelieven verraden, worden voor zover ik weet altijd door
alle andere vrouwen veracht en gehaat... Ik ken een voorname vrouw, die de
Koran uit haar hoofd kende, haar godsdienstplichten vroom vervulde en veel
aan weldadigheid deed. Zij onderschepte toevallig een brief van een jonge
slaaf - niet een van de hare - aan een slavin op wie hij verliefd was. Ze
confronteerde hem ermee en hij wilde ontkennen, maar dat was onmogelijk.
Toen zei ze: 'Wat doet het ertoe? Wie is er immuun tegen de liefde? Maak
je geen zorgen... Ik zou niet kunnen zeggen waarom deze karaktertrek bij
vrouwen overheerst. Misschien komt het doordat vrouwen niets om handen
hebben en alleen maar denken aan het bedrijven van de liefde en wat
daartoe kan leiden, en ook aan alle soorten van flirt en koketterie. Ze
hebben immers geen enkele andere bezigheid, en zijn voor geen ander doel
geschapen. Mannen daarentegen moeten hun aandacht verdelen tussen het
verdienen van geld, het vertoeven aan het hof, het verwerven van kennis,
het zorgen voor hun familie, de moeiten van het reizen, de jacht, diverse
beroepen, oorlog voeren, weerstand bieden aan verleidingen, het trotseren
van allerlei gevaren en het bebouwen van het land... Zelf heb ik de
vrouwen goed geobserveerd, en hun geheimen ken ik als geen ander, omdat ik
opgevoed ben op een vrouwenschoot en ik tussen vrouwen ben groot geworden,
zonder iets anders dan vrouwen te kennen... Vrouwen leerden mij de Koran,
reciteerden poëzie voor mij en onderwezen mij in de kalligrafie...."..[33]
De originaliteit van Het Halssnoer van de Duif
belet niet dat het liefdesbegrip zelf en de thema’s die erin aan bod komen,
dezelfde zijn als degene die worden aangetroffen in de overige Arabische
literatuur. Meer bepaald de Arabische hoofse
liefdesopvatting is ook bij Ibn Hazm prominent
aanwezig. Die hoofse liefde, of el-hubb el-cudhrî - zij
werd inderdaad traditioneel verbonden met de bedoeïenenstam van de cUdhra,
Udhriten of Asra (nog de Duitse dichter Heinrich Heine dichtte: "Und
meine Stamm sind jene Asra, welche sterben, wenn sie lieben") - heeft
samen met de andalusische liefdespoëzie vermoedelijk de Provençaalse
troubadours beïnvloed (het woordje 'trobar' komt wellicht van het Arabische
'̣tariba', dat "zingen, muziek-spelen" betekent).[34]
Laat ik deze korte voorstelling afronden met enkele (o.m.
"platonisch" klinkende) citaten uit het eerste, inleidende hoofdstuk van Ibn
Hazms boek, namelijk "Over het
wezen van de liefde":
"Liefde is iets - moge God uw roem vermeerderen - dat
begint als een grapje en eindigt als bittere ernst...
Men is het niet eens over het wezen der liefde, daar
zijn lange betogen over gehouden. Ik hang de mening aan dat liefde de
vereniging is van delen van de ziel, die in deze schepping gescheiden
zijn, in hun oorspronkelijke verheven substantie...
Liefde is - moge God u kracht schenken - een slopende
kwaal en het geneesmiddel ertegen moet worden toegediend op een wijze die
daarmee in verhouding is. Liefde is een heerlijke ziekte, een fel begeerd
ongemak; wie er niet aan lijdt, wil er niet vrij van zijn en wie er ziek
van is, wil er niet van genezen worden. Liefde maakt mooi wat iemand
voorheen lelijk vond en maakt gemakkelijk wat hem tevoren moeilijk
viel...".[35]

HOOFDSTUK 2 |
NOTEN
[1]
Zo R. Bistolfi, Approches de l’islam dans l’Union européenne, in:
Bistolfi & Zabbal (1995), p. 15. Voor een goed historisch overzicht, met
veel illustraties, zie Histoire et civilisation de l’Islam en
Europe. Arabes et Turcs en Occident du VIIe au XXe s., sous la
direction de F.Gabrieli (Fr. uitg. 1983).
[2] Van
“Spanje” was er, strikt genomen, tot de 15de eeuw nog geen sprake -
tenzij als een louter geografische verwijzing naar de antieke,
Romeinse provincie Hispania. Nog
Columbus sprak het koningspaar
Ferdinand en Isabella aan met “koning en koningin van de Spanjes”
- d.w.z. Isabella’s kroon van Castilië en León en Ferdinands kroon van
Aragón (zelf een amalgaam van Aragón, Catalonia, Valencia, de Balearen en gebieden in Z-Italië); ook Galicië, de Asturiën en
Baskenland, als vazalstaten van de kroon van Castilië, behoorden tot die
“Spanjes”. Al deze koninkrijkjes hadden en behielden een eigen
identiteit. Zie R.L.Kagan, The Spain of Ferdinand and Isabella,
in: J.A.Levenson (ed.), Circa 1492. Art in the Age of Exploration
(1991), p. 55.
[3] Etymologisch
misschien afgeleid van de naam der Vandalen (Arabisch:
al-andalîsh), die begin van de 5de eeuw vanuit het Iberische
schiereiland Noord-Afrika waren binnengevallen. Zie hierover het (groeps)artikel,
“al-Andalus”, in de Encyclopaedia of Islam (EoI),
I, 1960, p. 486v.; de etymologie wordt nochtans betwist (een alternatieve
visie is verdedigd door Heinz Halm, namelijk dat het zou gaan om een
Arabische verbastering van de (Visi-)Gothische benaming voor het
gebied: “Landahlauts”). De inwoners van al-Andalus werden in het
Arabisch Andalusî (ook: ahl al-Andalus) genoemd. De beide
namen zijn te onderscheiden van de latere, Spaanse termen
Andalucía en Andaluces voor geografische zone, provincie
en huidig gewest (beschikkend over een mate van culturele autonomie: cf.
de huidige vlag van Andalucía, met twee horizontale lichtgroene
banden, gescheiden door een witte, die de eertijdse moslimvlag
herneemt, het zij dan zonder de Qur’ântekst).
[4] De
noordelijke christenen zouden, daarmee vergeleken, bijna 800 jaar nodig
hebben om het gehele Iberische gebied te “heroveren”,
d.w.z. veroveren.
[5] Vermeldenswaard is bv. dat, terwijl de verovering van Noord-Afrika
op fel verzet was gestuit vanwege de Berberstammen - w.o. gejudaïseerde
stammen onder aanvoering van de legendarische Joodse koningin Dihya -,
Joodse Berbers nadien participeerden aan de verovering van het Iberisch
schiereiland.
[6]
De Visigothen zelf hadden zich oorspronkelijk, zoals de meeste Germaanse
stammen, bekeerd tot het Arianisme. Op het Concilie van Nikaia (Iznik), in 325
bijeengeroepen en geleid door keizer Constantijn, was de leer van de
zgn. H.Drievuldigheid en de zgn. consubstantialiteit van de Zoon
met de Vader tot dogma uitgeroepen; de meer strict monotheïstische opvattingen
van de Alexandrijnse priester Areios (de Zoon is geschapen, en dus is
hij noodzakelijk verschillend van de goddelijke essentie van
de Vader) was als ketterij veroordeeld. Ook de Vandalen, die in een
blitzoffensief Noord-Afrika veroverden (ze konden profiteren van de
wonden die daar geslagen waren door de repressie tegen de zgn.
Donatisten), waren Arianen.
[7] De
gemengde, Arabisch-Berberse troepenmacht was hoe dan ook slechts enkele
duizenden krijgers groot. Ook nadien, ondanks versterkingen o.m. uit
Syrië, bleef het Arabische element een minderheid.
[8] Zie
bv. Ahmad Thomson, Blood on the Cross. Islam in Spain in the light of
christian persecution through the ages (1989); Roger Garaudy,
L’Islam en Occident. Cordoue, une capitale de l’esprit (1987, p.
11 e.v.: “le mythe de la ‘conquête
arabe de l’Espagne’”.
[9] Het
al vermelde Concilie van Toledo had weliswaar de gedwongen bekering veroordeeld,
maar had tegelijkertijd afgekondigd dat de kinderen van joodse
bekeerlingen moesten gescheiden worden van hun ouders en strikt volgens
het katholieke geloof moesten opgevoed worden. Zie A.P.Sáenz,
Jewish Presence in Hispania before the Tenth Century, in:
J.P.del Rosal (ed.), The Jews in Cordoba (X-XII centuries),
Cordoba 1991, p. 15. Over het conversos-probleem, in 14de en 15de eeuw, zie verder.
[10] De
verklaring voor het opvallende antisemitisme van het visigothische rijk,
in deze periode, dient mogelijk niet louter in het intolerante
katholicisme te worden gezocht, maar althans voor een deel gezocht ook in
de sterke, apocalyptisch-messianistische beweging die de gehele
mediterrane joodse wereld in de 7de eeuw kende. De vernietigende
oorlogen tussen het Byzantijnse en Perzische rijk, met de tweevoudige
val van Jerusalem, in de eerste decaden van de 7de eeuw (eerst aan de Perzen en dan weerom aan de
Byzantijnen, onder Heraclius - die een pogrom organiseerde tegen de joden
van Jeruzalem, kort voor zijn nederlaag tegen kalief Omar), hadden het geloof
versterkt dat de komst van de Messias niet veraf was (NB de oudste
niet-islamitische bronnen over het ontstaan van de islam plaatsen ook
het verschijnen, rond 730, van de moslimlegers in Palestina/Syrië binnen dergelijke
joodse, messianistische context). In deze atmosfeer poogden klaarblijkelijk ook
de joden in Hispania zich, met behulp van geloofsgenoten in
Noord-Afrika, te bevrijden van het visigothische juk. De "dreiging" die
aldus van hen uitging, verklaart mogelijk mede de verregaande maatregelen
- een soort van Endlösung -
die rond 694 door het 17de Concilie van Toledo en de koning werden
getroffen: alle joden - ook de bekeerlingen, vermoedelijk - moesten
onteigend worden van al hun bezittingen, hun families moesten
uiteengerukt worden, zijzelf werden veroordeeld tot eeuwige slavernij en ze
moesten onder dwang verspreid worden; hun kinderen werden hen ontnomen om
groot te worden gebracht als christenen. Zie Sáenz, o.c., pp. 16-17, met
verwijzing naar een artikel van Juan Gil van 1977; L.Gubbay, 1999:74.
[11] De
onderdrukking van het crypto-judaïsme werd door de koning toevertrouwd aan
de Kerk. Reeds in 7de eeuw zijn er “inquisitorische” activiteiten
(bekeerlingen moesten zich bv. melden bij de bisschop of rechter, telkens
zij een reis wilden ondernemen, alsook op alle sabbats en andere
feestdagen - ze moesten klaarblijkelijk belet worden in het geheim
joodse vieringen bij te wonen), die vooruit wijzen naar de latere
Spaanse Inquisitie. Zie Sáenz, p. 16.
[12] Voor
de meest recente stand van het onderzoek omtrent de vele deeldomeinen van
“al-Andalus” en haar cultuur - geschiedenis, taal en literatuur,
muziek, kunst en architectuur, sociale geschiedenis en lifestyle,
economische geschiedenis, filosofie, religieuze studies, en wetenschap,
technologie en landbouw - zie de schitterende verzameling van bijdragen
van experten, uitgegeven door Salma Khadra Jayyusi, The Legacy of
Muslim Spain, 2 volumes, Leiden 1994 (eerste uitg. 1992, i.e. 500
jaar na de val van Granada).
[13] Naarmate,
na de opheffing van het kalifaat (1031), al-Andalus onder steeds grotere
druk kwam te staan vanwege de christelijke koninkrijkjes en vandaar onder de
heerschappij kwam van de Noord-Afrikaanse “fundamentalistische” Berberdynastieën
(eerst de Almoraviden, 1086-1145, en vervolgens de Almohaden,
1146-1248), verslechterde de situatie van de dhimmî-s
aanzienlijk. Bijna drieëneenhalve eeuw vóór Ferdinand en Isabella,
legden ook de Almohaden de joden de “keuze” op tussen bekering of
dood/vertrek (tot de vele joden die vertrokken, behoorde ook de
jonge Maimonides van Cordoba, die de grootste joods-andalusische
filosoof zou worden). Na de vestiging van het Nasriden-koninkrijk (1237,
weliswaar als vazalstaat van Castilië), keerden vele joden (ook
conversos uit christelijk Spanje) terug. Van een nieuwe bloei van
joodse cultuur was nochtans geen sprake meer.
[14]
Het
territorium van al-Andalus bleef tot het einde van de 11de eeuw georganiseerd
in dezelfde drie kerkelijke provincies als onder de Visigothen (Toledo,
Lusitania en Baetica), elk met hun aartsbisschop en verschillende
diocesen. Over de Mozaraben, zie ook verder. Sommige fervente
christenen voelden zich wel degelijk het slachtoffer van discriminaties en aarzelden bijwijlen niet om dat door middel van provocaties
ook te “bewijzen” (over een klassiek crisismoment in de relatie
tussen christenen en moslims, met de zgn. Martelaren van Cordoba, in
850, zie N.Daniel, The Arabs and Mediaeval Europe, 1975, ch. 1).
Toch ontwikkelden ook de Mozaraben over de religieuze grenzen heen
een “nationaal”, andalusisch bewustzijn. Zo hebben zij verschillende
malen de zijde gekozen van het moslimbestuur tégen de
christelijke zgn. bevrijders. In Toledo, dat in 1085 werd ingenomen
door Alfonso VI, bestond er 200 jaar na
die verovering een christelijke gemeenschap die nog altijd Arabisch
sprak en schreef en Arabische namen bleef gebruiken (vanaf het begin
van de 14de-e. kwam daaraan een einde); zie M.López Gómez, The
Mozarabs: Worthy Bearers of Islamic Culture, in: Jayyusi (1994),
vol. 1, p. 175. Op religieus vlak bleven zij, mede onder invloed van het
islamitische monotheïsme, sterk aangetrokken tot “unitarische”
opvattingen (ze werden daar, vanuit de Roomse kerk, hoe dan ook van
verdacht).
[15] De
andalusische periode vormt de “gouden periode” in de joodse
pre-moderne cultuurgeschiedenis. Zie R.P.Scheindlin, The Jews in Muslim Spain,
in: Jayyusi (1994), pp. 188-200; zie ook de andere bijdragen in de bundel
van Del Rosal (1991); en L.Gubbay, 1999:77-79, die op de beslissende
bijdrage wijst van Hisdai ibn Shaprût (Abû Yûsuf, voor de moslims): arts,
opperrabijn van de academie van Cordoba, hoofd van de koninklijke Douane en vertrouweling van de
kalief (door zijn kennis van het Latijn, naast het Arabisch en het
Hebreeuws, was hij diens eerste keuze bij onderhandelingen met
christelijke vorsten) en een groot geleerde. - Wat de poëzie betreft,
de invloed van de Spaans-Hebreeuwse dichters op de poëziescholen in het Midden-Oosten
trekt de laatste jaren grote aandacht, vanwege nieuwe vondsten in de
Russische en Oekraïense bibliotheken. Uit deze genizot (=
bewaarplaatsen, enkv.: geniza) komen manuscripten tevoorschijn die duidelijk maken dat
Joodse gemeenschappen in landen als Egypte, Syrië en Irak (met name ook in Baghdâd) welwillend
stonden tegenover de 'andalusische norm' van Hebreeuwse dichtkunst (weliswaar zonder
haar daarom klakkeloos over te nemen).
[16] Een
hedendaagse
poging tot mythevorming met behulp van de moderne technologie, is de
Torre de la Calahorra, die in Cordoba door de Fundacion Roger
Garaudy als een "multivision"-museum is ingericht t.g.v. de
vele toeristen (zie ook het al geciteerde boek van R.Garaudy). Het feit
dat in het geprojecteerde, historische panorama over de grote
"weigeringen" - zeg maar: misdaden jegens de mensheid - vanwege het
Westen met geen woord gerept wordt over de Nazi genocide jegens de
joden, suggereert dat dit knappe klank- en lichtspel ideologisch toch
niet onschuldig is (cf. de veroordeling van Garaudy, in
Frankrijk, wegens negationistische uitspraken).
[17]
Door
eeuwenlange gemengde huwelijken was elk zichtbaar verschil tussen
“Arabische” en “Iberische” moslims zo goed als verdwenen. Status,
evenwel, vereiste een “Arabische”, of althans oosterse stamboom;
vandaar dat zulke stambomen vaak gefabriceerd werden door
afstammelingen van muwalladûn. Dat was (vermoedelijk) o.m.
het geval voor
Ibn Hazm (994-1064), zie
verder, § 2.
[18]
Zoals
het genoemd werd door de Saksische Benediktijnerzuster, Hroswitha (ca
932-1002).
[18b]
Volgens de
overlevering telde de bibliotheek van de kalief niet minder dan 400.000
"boeken". In werkelijkheid ging het allicht om even zovele
deelboeken, of
katernen (vermoedelijk van 20 bladen elk), overeenkomstig het toenmalige
gebruik om manuscripten uit te geven in een aantal zelfstandige deeltjes
(Arabisch: djuz') die apart bewaard werden. Zie hierover P.S. van
Koningsveld, The Latin-Arabic
Glossary of the Leiden University Library. A contribution to the study of
Mozarabic manuscripts and literature (Leiden 1977), n. 89, pp. 68-70.
[18c]
West-Europa zou voor de meeste
van die realisaties moeten wachten tot de 18de, zoniet 19de eeuw. Openbare
badhuizen en waterleidingen, meer in het bijzonder, vormen één van de meest
in het oog springende, beschavingseffecten van de islam als cultus
(een moslim moet zich, voorafgaand aan de dagelijkse gebedsstonden, vijfmaal
daags het hoofd, de handen en de voeten wassen, en eenmaal per week het
badhuis bezoeken; de toevoer van zuiver water, binnen de infrastructuur van
de moskee, is noodzakelijk). Pikant is het dan dat, na de voltooiing van de
zogenaamde Reconquista, de uitroeiing van de islamcultuur in Spanje gepaard ging
met de systematische vernieling van de "islamitische" publieke badhuizen.
Voor een rijkelijk
geïllustreerde presentatie van de materiële cultuur en kunst van al-Andalus,
zie bv. J.D.Dodds (ed.), Al-Andalus.
The Art of Islamic Spain (The Metropolitan Museum of Art, New York,
1992). Zie
ook E.G.Gómez, Moorish Spain. The Golden Age of Cordoba and Granada,
in: B. Lewis (ed.), The World of Islam. Faith, People, Culture.
London 1992, pp. 225-244.
[19] Cf.
bv. de belangrijke rol, als vertaalcentrum, van het christelijke Toledo
(na de verovering ervan in 1085). Voor een overzichtelijke
beschrijving van de geschiedenis en betekenis van “Moslim Spanje”, zie W.M.Watt, The Influence of Islam on Medieval Europe (1982);
W.M.Watt & Pierre Cachia, A History of Islamic Spain
(1992). Zie ook Ch.-E. Dufourcq, La vie quotidienne dans l’Europe
médiévale sous domination arabe (1978); Lo Jacono, Cl. (1983),
L’Espagne musulmane, in: Gabrieli (1983), pp. 37-73; J.Vernet, Ce
que la culture doit aux Arabes d'Espagne (1985²); ook de bijdragen in
Dionisius A.Agius & R.Hitchcock (edd.), The Arab Influence in Medieval Europe. Folia Scholastica Mediterranea, Ithaca
Press 1996. Voor de politieke geschiedenis: H.Kennedy,
Muslim Spain and Portugal. A Political History of al-Andalus (1996),
en R.Fletcher, Moorish Spain (London 1992). Voor de eeuwenlange interacties tussen moslims en
christenen, zie Th.F.Glick, Islamic and Christian Spain in the Early
Middle Ages (1979); het boek schenkt ook aandacht aan de
socio-economische verschillen en tegenstellingen tussen moslim-Spanje (een
dynamische stedelijk-artisanale samenleving, geïntegreerd
in een internationale geldeconomie) en christelijk Spanje (overwegend
statisch-agrarisch).
[20] Terwijl
een beperkte Arabisch-Berberse troepenmacht in een “blitzkrieg”
reeds tussen 710 en 714 omzeggens het gehele Visigothische rijk
veroverd had (tot in de Provence, maar wel met uitzondering van de
meest noordelijke, bergachtige gebieden van het schiereiland), was
Sicilië pas ca 902 volledig veroverd; reeds in 1091 verloren de
Arabieren het eiland opnieuw, aan de Normandiërs.
[21] Bv.
Malta: ook daar kwam er in 1091 een einde aan het moslimregime, maar de
moslims mochten er nog twee eeuwen blijven. Ook vandaag nog is de
Maltese taal eigenlijk een Arabisch dialect, zij het in ons alfabet
geschreven en met een groot aantal Italiaanse leenwoorden.
[22] Cf.
P.S.van Koningsveld, Islam in Europe, in de OEMIW, vol. 2,
p. 290. Zie bv. ook Watt (1982), ch. 1: “Islamic Presence
in Europe”; A.Ventura, Les Arabes de la Sicile
à
la Provence, in:
Gabrieli (1983), pp. 81-109.
[23] Zie
Arnaldez, R. (1971), “Ibn Hazm”, in: EoI, III (1971), pp.
790-799.
[24] Voor
een recente, overzichtelijke bespreking van Ibn Hazm als filosoof, zie
Miguel Cruz Hernández, Historia del pensamiento en el mundo islámico,
2. El pensamiento de al-Ándalus (siglos IX-XIV), Madrid 1996, pp.
359-391; een Engelse samenvatting hiervan in diens
artikel, Islamic Thought in the Iberian Peninsula, in: Jayussi
(1994), vol. 2, pp. 777-803.
[25]
In een omvangrijk werk, namelijk zijn Kitâb al-fial fî’l
milâl..., d.w.z. “Boek over de distincties m.b.t. de religies,
ketterijen en sektes”, dat vaak beschouwd wordt als een van de eerste
werken van vergelijkende godsdienstwetenschap, heeft hij zich bv. bijzonder scherp
uitgelaten, zowel tegen de groeperingen binnen de islam als tegen
christendom en judaïsme. Wat dit laatste betreft, geeft hij blijk van een
bijbelkennis die “voor een middeleeuwse moslim uitzonderlijk groot
(is) te noemen”, C.Adang, Ismaël over Israël. Middeleeuwse
islamitische geleerden over het jodendom, in: Cohen & Zwiep, p.
31. Ibn Hazm citeert hierin meer dan vijftig passages uit de Thora, maar dan wel om ze aan de kaak te stellen als vervalsingen.
[26] Maar
“ook al roerde hij tal van filosofische argumenten aan, was de
Cordobaan eerder een theoloog en jurist dan een filosoof in de strikte
zin van het woord”, zo althans Alain de Libera, La philosophie
médiévale (Paris 1993), p. 143; voor een hoge, filosofische appreciatie,
daarentegen, van Ibn Hazm (als aanzet tot een
epistemologische breuk, namelijk die van de moderne rationaliteit met het
klassieke, platonisch-aristotelische paradigma, die nadien door
Ibn Rushd voltooid werd), zie de hedendaagse, Marokkaanse filosoof,
Mohammed Abed al-Jab(i)ri, Introduction à
la critique de la raison arabe
(Paris 1995). Als een encyclopedisch geleerde was Ibn Hazm in elk geval
goed vertrouwd met de filosofie in de volle, antieke zin van het woord.
Hij was bv. ook de auteur van een werk waarin de metafysica van
al-Râzî werd bekritiseerd.
[27] Ibn
Hazm behoorde tot de minoritaire zâhirîtische (zgn. literalistische)
rechtsschool en was een groot tegenstander van de routinematige
casuïstiek van de andalusische fuqahâ’, of (mâlikitische)
rechtsgeleerden, die gebaseerd was op de analogieredenering (qiyâs). Onder gebruikmaking van
(aristotelische) logica en filosofie, legde hij de grondslagen voor een wetenschappelijke
geschiedenisbeoefening.
[28]
De duif, waarvan het
nostalgische koeren de herinnering oproept aan de geliefde, was een
frequent motief in de Arabische poëzie; ook sieraden werden in
boekentitels vaak metaforisch gebruikt; Ibn Hazm combineerde
beide motieven door te alluderen op een bekende duivensoort met
een smalle, bruinkleurige ring of krans rond de nek.
[29] Zie
de Franse vertalingen: Ibn Hazm al-Andalusî, Le Collier du Pigeon ou de
l’Amour et des Amants. Texte arabe & trad. française, par
Léon Bercher. Alger 1949; G.Martinez-Gros, Ibn Hazm, De l’amour et
des amants, trad. de l’arabe et présenté, Paris 1992. Nederlands:
Ibn Hazm, De ring van de duif. Over minnaars en liefde.
Vert. & ingel. door Remke Kruk & J.J. Witkam. De Oosterse Bibliotheek
6, Meulenhoff, Amsterdam 1977. Voor een recente bespreking, zie:
Giffen, Lois A., Ibn Hazm and the Tawq al-Hamâma, in:
Jayyusi (1994), pp. 420-442.
[30] Nacer
Khémir heeft nadien nog een tentoonstelling van (half-)kalligrafische
schilderijen gerealiseerd, getiteld "Les soixante noms de
l'amour"; ze liep in 1992 in Granada en Brussel, in 1993 in Milaan. Meer recent heeft de Belgisch-Marokkaanse kunstenaar,
Rachid Benissa, uit Brussel, passages of zinsneden uit Ibn Hazms boek kalligrafische verwerkt (tentoongesteld sedert 1997,
o.m. in Brussel). In het thema-nummer, “De l’amour et des Arabes”,
in: Qantara, Magazine des cultures arabe et méditerranéenne, N° 18, janv-févr-mars, 1996,
werden essays gebundeld rond een aantal van de
Arabische liefdesbegrippen, en wordt een lijst gegeven van 57 “namen”.
[31] Kruk
& Witkam, p. 65.
[32] Waarmee
vanzelfsprekend niét wil gezegd zijn dat hij een modern-feministisch
standpunt zou innemen.
[33] Vert.
Kruk & Witkam, pp. 104-106.
[34] Zie
R.Boase, Arab Influences on European Love-poetry, in: Jayyusi
(1994), p. 457v.
[35] Vert.
Kruk & Witkam, pp. 47-48.
|
|
HOOFDSTUK 2
* Oorspronkelijk gepubliceerd in H.De Ley, "Van
Cordoba tot Mostar", CIE-Cahier Nr 2, Gent 1998. Voor het tweede deel
ervan, "De Brug van Mostar", zie op deze site. |
|