|
Een verbod op de bouw van minaretten in Zwitserland, het lijkt een donderslag
bij heldere hemel en toch komt het niet uit de lucht gevallen. Het zat er aan te
komen. Sterker nog, het is de volgende fase in een steeds virulenter en
manifester wordende onverdraagzaamheid tegenover islam.
Elk uiterlijke teken van moslimaanwezigheid wordt dezer dagen aangegrepen om te
wijzen op de grenzen van de westerse tolerantie. Samen met de hoofddoek vormen
moskeeën en minaretten de ultieme veruitwendiging van de aanwezigheid van
moslims in onze wijken en steden. De meest zichtbare uiting van het steeds
diverser wordende Vlaanderen. En net dat, de zichtbaarheid, of met andere
woorden, de claim die moslims hiermee maken op de dominante stedelijke ruimte en
op openbare ruimte, vormt een doorn in het oog van de goegemeente. Je zou kunnen
stellen dat zolang het gaat om een onzichtbare islam, opgesloten achter gevels
van privéhuizen of onherkenbare moskeeën in achterzaaltjes of verouderde
fabriekspanden in de rand van de stad, islam nog wordt getolereerd. De
meerderheid behoudt evenwel, zo lijkt het wel, totnogtoe, een zekere gêne om
zijn afkeer tegenover islam ongezouten te uiten.
Net als in het hoofddoekendebat wordt de minaret voorgesteld als het symbool
voor een steeds meer ‘oprukkende' islam en voor de bedreiging van de westerse cultuur
en waarden. De hoogte van minaretten vormt zowat overal in Europa aanleiding tot
debat. Een minaret die de skyline van een Europese stad bepaalt, lijkt in te
gaan tegen het bestaande beeld van wat een Europese stad, ook vandaag, moet
zijn, met kerken, kathedralen, burchten en belforten. En zeker wanneer de
islamitische architectuur de plaats van christelijke symbolen in zichtbaarheid
en hoogte uitdaagt.
Zo gaf de bouw van de grote moskee in Rome aanleiding tot heftige commotie toen
bleek dat ze ambieerde om nóg meer prestige en symboliek uit te stralen dan de
Sint-Pieterskathedraal. De plannen voor de moskeebouw werden dan ook nooit
gerealiseerd. Dichter bij huis kende de discussie over de wenselijke
moskeearchitectuur in Rotterdam een culminatiepunt. De stad voerde al van in de
jaren 1980 een moskeebeleid. Dat resulteerde in 2001 in de nieuwbouwmoskee
Mevlana, in typische Turks-Ottomaanse stijl. Bij het aantreden van het nieuwe
schepencollege in 2002 vormde diezelfde moskee het onderwerp van een hevig
debat. Net de zichtbaarheid en de ‘exotische' stijl werden geïnterpreteerd als
het bewijs van onaangepastheid en gebrek aan wil tot integratie. Terwijl de bouw
van de Mevlana moskee nog zonder al te veel problemen verliep, lokten de plannen
voor de nieuwe Marokkaanse Es-Salam-moskee oorlogstaal uit. Journalisten,
opiniemakers, gemeenteraadsleden en schepenen lieten zich uit over de
ongepastheid van deze ‘megalomane' moskeeën. De discussie ging van start met de
tussenkomst van de schepen van Fysieke Infrastructuur, Marco Pastors (Leefbaar
Rotterdam), die in een stadskrant stelde dat ‘grote moskeeën op opvallende
plekken in de stad in een afwijkende bouwstijl ontzettend afsteken tegen de rest
van de omgeving'.
Hoewel het in België nog niet zo'n vaart loopt verlopen moskeevestigingen ook
hier niet zonder slag of stoot.
In het Gentse kon de Tevhid Camii initieel geen minaret plaatsen tijdens de
renovatie van de moskee omdat dat ‘in strijd was met de stedenbouwkundige
voorschriften' en duurde het jaren vooraleer in 2008 twee kleine symbolische
minaretten gebouwd konden worden. Ook op één van de hoofdwegen in de Turkse wijk
in het Brusselse Schaarbeek, de Haachtse Steenweg, moest de centrale Turkse
moskee het stellen met een symbolische minaret, die nauwelijks zichtbaar is
tussen de hoge gebouwen in de straat.
In België vormen moskeevestigingen en minaretten vooralsnog geen aanleiding voor
het voeren van een openlijk debat over normen en waarden of de plaats van islam.
Het lijkt wel of in de beste Belgische traditie van pragmatiek en overleg deze
zaken in de wandelgangen geregeld worden. Bezwaren en verzet tegen
moskeevestigingen worden vooralsnog in bedekte termen gevoerd. De argumentatie
om moskeebouw en de constructie van minaretten in België tegen te gaan blijft
vooral van praktische en technische aard, zoals vrees voor geluids- en
verkeersoverlast, niet-conformiteit met de bestaande veiligheidsvoorschriften of
het niet in overeenstemming zijn met bestaande stedelijke plannen.
De vraag is echter in welke mate ook hier achter deze ogenschijnlijk objectieve
bezwaren, de eigenlijke bekommernis, de angst voor islam, verscholen ligt en hoe
lang het zal duren vooraleer deze onderbuikgevoelens naar boven komen drijven.
De reactie van het Vlaams Belang om een wetsvoorstel in te dienen om de bouw van
‘gebouwen die de culturele eigenheid van een woonomgeving schaden' bewijst dat
ook België niet vrijuit gaat. Filip Dewinter windt er zelfs geen doekjes om als
hij zegt dat het wetsvoorstel dient om de overheid toe te laten bouwvergunningen
te weigeren voor ‘gebouwen zoals moskeeën, met minaretten en oosterse bogen'.
|