Walter
Van Steenbrugge, na het verbod in Gent.
Meester Pieter-Bram Lagae ging er in discussie met
confrater Michaël Verstraeten. Op zijn minst boeiend.
Zie volledig forum :
http://www.deredactie.be/cm/de.redactie/weblog/blog_waltervansteenbrugge
"is een blinddoek dan geen hoofddoek?"
05/12/2007 om 12:09 pm
Hierbij wil ik, als advocaat, ook eens reageren op de juridische
kwestie van deze zaak.
Meester Verstraeten neemt geen standpunt in, doch gaat liever op de
man spelen.
Wat het dragen van de hoofddoek betreft, heeft het Europees Hof voor
de Rechten van de Mens (hierna EHRM) reeds drie maal aanvaard dat
artikel 8 EVRM in het geding is, en dat het dragen van een hoofddoek
wel degelijk om een uitoefening van de godsdienstvrijheid gaat (1)
EHRM, nr. 42393/98, inzake Dahblab t./ Zwitserland, 15 febr. 2001 (2)
EHRM nr. 44774/98 inzake Leyla Sahin t./Turkije, 29 juni 2004 en (3)
EHRM, Grote kamer, inzake Leyla Sahin t./Turkije, 10 november 2005.
Artikel 9 EVRM ( recht op vrijheid van godsdienst) is in deze dus
toepasselijk, en vormt aldus geen fout argument of foute
uitgangspositie van de auteur van deze blog.
Het EHRM heeft in voornoemde arresten onderzocht of een inbreuk op het
recht op godsdienstvrijheid, in de plaatselijke omstandigheden
(politiek, sociaal, maatschappelijk) wel, dan niet, kon:
- In het arrest Dahlab t. Zwitserland oordeelde de Europese Commissie
van het EHRM dat de maatregel genomen door de Zwitserse Staat (een
hoofddoekverbod) gerechtvaardigd was, gegeven de rol die mevrouw
Dahlab vervulde als lerares van een staatsschool, waarbij zij de Staat
vertegenwoordigde, en bovendien educatieve autoriteit uitoefende over
minderjarige kinderen (Dahlab v. Zwitserland, (15 februari 2001)
Application No. 42393/98).
- In het arrest Leyla Sahin t Turkije (waar een universiteitsstudente
werd verboden een hoofddoek te dragen) beklemtoont het Hof sterk de
concrete Turkse context. Het EHRM gaat daarbij zeer concreet in op de
politieke en religieuze context van Turkije, waar de Islam de
overheersende godsdienst is en de neutraliteit van de Staat slechts
een recente verworvenheid. Het EHRM houdt er rekening mee dat er in
Turkije extremistische groepen actief zijn die hun religieuze symbolen
en hun religieus gefundeerde opvatting over de samenleving willen
opleggen aan heel de samenleving.(EHRM, Grote kamer, inzake Leyla
Sahin t./Turkije, 10 november 2005).
Het EHRM Hof laat het dus aan de appreciatie van de Staat om te
beoordelen of een hoofddoekverbod noodzakelijk is ter bescherming van
de veiligheid van het land, de openbare veiligheid, … en predikt het
functioneel pragmatisme (het zijn de Staten zelf die het best
geplaatst zijn om de lokale situatie in te schatten).
Dit is precies wat mtr. Van Steenbrugge in zijn blog verwoordt.
De omstandigheden die speelden te Zwitserland, en te Turkije, zijn
immers helemaal niet te vergelijken zijn met de situatie in Gent.
Ook artikel 8 EVRM ( recht op privacy) is duidelijk in het geding.
Het hoofddoekverbod (het verbod van het dragen van de tulband)
betekent dat personen hun fysiek voorkomen dienen te veranderen in de
mate dat hun identiteit als moslim, of Sikh (of eenieder wiens
godsdienst het dragen van een hoofddoek oplegt) niet meer zichtbaar
is.
Dit maakt een inbreuk uit op de morele integriteit en de intimiteit
van het privé-leven van dergelijke personen.
In de mate dat dit geenszins gebeurt bij wet en in het belang van de
openbare orde, of nog ter bescherming van de rechten van anderen, noch
proportioneel en noodzakelijk is, betekent zulks een ongeoorloofde
inbreuk op art. 8 EVRM.
Het verbod van discriminatie werd als grondrecht omschreven in art. 14
EVRM, en wordt op Europees niveau (op grond van o.a. religieuze
overtuiging en etnische afstamming) gewaarborgd middels Richtlijnen
2000/78/EG (dd.27.11.2000) en 2000/43/ EG (dd.29.06.2005)Art. 14 EVRM
(verbod op discriminatie)
In verschillende van de ons omringende landen heeft het hoogste
gerechtshof het absoluut verbod op het dragen van uiterlijke tekenen
van geloof (zoals hoofddoeken) verworpen als zijnde een inbreuk op het
discriminatieverbod, en aldus als strijdig met deze Richtlijnen.
De ogenschijnlijk neutrale bepaling (het hoofddoekverbod) benadeelt
immers de personen van een bepaalde etnische afstamming (bijvoorbeeld
de Sikh-gemeenschap, of nog de moslims) in vergelijking met andere
personen van wie hun religie niet verwacht dat zij een hoofddoek
dragen.
Zulks in bijzondere mate, gezien het voor de eerste groep personen
zelfs als vernederend kan worden beschouwd om de hoofddoek af te
nemen.
Het hoofddoekverbod kan ook niet worden gerechtvaardigd door een
legitiem doel (ter vrijwaring van de neutraliteit? Alsof door het
toestaan van het dragen van een hoofddoek het Gentse stadsbestuur zich
deze hoofddoek als symbool eigen maakt!), noch zijn de middelen voor
het bereiken van dat doel passend en proportioneel, laat staan
noodzakelijk.
Ik meen tenslotte dat via het citaat uit het arrest GORZELIC AND
OTHERS (of uit de preambule van de Counsel of Europe Framework
Conventie, dat hoe dan ook als gezaghebbend mag worden aanzien!)
duidelijk tot uiting komt waar een echte democratische samenleving
voor staat.
Uit dat citaat wordt duidelijk dat in een ‘echte’ democratische staat
de mensenrechten van art. 8, 9, en 14 van het Europees Verdrag van
toepassing zijn, en dienen te worden gerespecteerd, weliswaar
functioneel pragmatisch.
Het standpunt in de column is aldus juist, indien men onze Belgische
samenleving nog steeds terecht wil aanzien als een leefbare
democratie, waar wederzijds respect is voor verschil in identiteit en
pluimage.
Met vriendelijke groeten aan confrater Verstraeten,
PBL |