De
verschuiving
Wie
later de politieke geschiedenis van België in de jaren tachtig en
negentig van de vorige eeuw zal beschrijven, zal tot de bevinding komen
dat het Vlaams Blok er de spelbepaler in is geweest. Dat is merkwaardig,
want de partij nam sinds haar oprichting nooit deel aan het bestuur op
eender welk niveau. Haar kracht en invloed gingen uit van de oppositie,
en de invloed was een ideologische invloed – een invloed die zich
articuleert rond ideeën- en beeldenconstructies en vertogen om die
constructies in concrete situaties te ontvouwen. Het Vlaams Blok is
zeker na 1991 de partij geweest die thema’s vormde, de architectuur van
debatten erover ontwierp, en het volk erover leerde spreken.
Nemen we de historische schijf van 1978 (de
Egmont-akkoorden) tot 2000, dan zien we dat de politieke consensus in
minstens drie domeinen sterk is veranderd:
- Tot
1978 waren migratie en de socioculturele diversiteit die
eruit resulteerde geen politieke thema’s van belang, laat staan een
centraal politiek probleem. In 2000 staat migratie bovenaan de lijst
van electoraal gevoelige thema’s bij zowat elke partij, en bij alle
partijen worden migratie en diversiteit zonder nuances als een
probleem gezien (ook al is er geen sprake van een noemenswaardige
toename van migratie – meer nog, droogde de immigratie op na de
migratiestop van de jaren zeventig). Het thema van migratie is
bovendien sterk verweven met een aantal andere thema’s, die ouder zijn
maar die erdoor veranderd zijn: (i) het thema van de veiligheid,
criminaliteit en bestraffing; (ii) dat van de verzwakking van de
sociale cohesie, de solidariteit en de leefkwaliteit, vooral in urbane
gebieden; (iii) dat van de werkloosheid en de welvaartstaat. Er is in
al deze domeinen ander en nieuw beleid ontstaan onder
druk van het migratiethema.
- In
1978 was de Vlaams-nationalistische agenda beperkt tot federalisme,
en de Volksunie en delen van de CVP waren er de grote pleitbezorgers
van. In de jaren zeventig was federalisme een radicaal standpunt, en
werden zelfs mensen als Wilfried Martens en Leo Tindemans in bepaalde
kringen als flamingantische extremisten omschreven. De Volksunie
werd in ruime kring voor ‘zwart’ versleten (d.i. erfgenamen van de
Vlaamse collaboratie). In 2000 is niet federalisme, maar een veel
ruimer confederalisme een feit, en is zelfs
onafhankelijkheid niet langer een standpunt dat als zeer
extremistisch wordt ervaren. En wat betreft de ‘zwarten’: een
belangrijk deel van de Volksunie-erfgenamen (Spirit) gaan nu door voor
linkse rakkers, terwijl een ander deel (NVA, dat onafhankelijkheid
bepleit!) voor de ‘gematigde vleugel’ van de Vlaamse parlementaire
beweging doorgaat. Het Vlaams Blok is thans de ‘radicale’ vleugel, en
de radicaliteit ervan wordt gesitueerd in het feit dat het Blok niet
enkel onafhankelijkheid bepleit, maar onafhankelijkheid voor een
etno-cultureel homogene Vlaamse natie.
- De
links-rechts tegenstelling is opnieuw één van de ‘frames’
geworden voor het spreken over politiek. Tot in de jaren zeventig
heerst er een sociaal-democratische consensus over de algemene
organisatie van de staat en de samenleving, die door alle grote
partijen gedeeld werd. Deze consensus (een ‘Fordistische’ consensus,
in het jargon) stelde productiviteit centraal en koppelde daaraan twee
dingen: een maximale (mannelijke) tewerkstelling, en een uitgebreide
en krachtige welvaartstaat die inclusief opereerde (iedereen was
gelijk in de welvaartstaat). Deze sociaal-democratische consensus
zorgde voor een zeer uitgebreid ‘centrum’ in de politiek, en
socialistische partijen waren slechts ‘links’ tijdens congressen.
‘Links’ stond voor marxistische/communistische groupuscules, en deze
behoorden niet tot het spectrum van het respectabele socialisme (de
grote marxistische theoreticus Ernest Mandel, bijvoorbeeld, werd uit
de BSP gesloten). Sinds de geboorte echter van het Blok zien we dat
(a) de zelf-kwalificatie van ‘rechts’ niet meer automatische
associaties van fascisme oproept maar zeer respectabel overkomt; en
dat (b) het spectrum van ‘links’ zeer uitgebreid is: naast de SP-A
worden ook Spirit (d.i. de ex-VU!) en zelfs delen van de VLD als
‘links’ geïdentificeerd. Er worden, met andere woorden, steeds meer
partijen naar de linkermarge van de politiek gedrumd. Bovendien
spreekt men nu openlijk over een ‘rechtse’ consensus in Vlaanderen,
waardoor die verdringing naar links meteen ook inhoudt dat men de
democratische legitimiteit van die partijen of fracties in vraag
stelt. Deze beweging is interessant, want ze treedt op net in een
periode waarin het politieke centrum (bijvoorbeeld Verhofstadts VLD)
voortdurend herhaalt dat de ‘oude’ links-rechts tegenstellingen geen
belang meer hebben, en dat we in een post-ideologische samenleving
beland zijn. De realiteit is dat er sinds het begin van de jaren
negentig voortdurend debatten geweest zijn die ‘links’ en ‘rechts’ als
definiërende categorieën hanteerden, en dat zowat alle partijen
daaraan meededen. (Men kan in dat opzicht ook denken aan de recente
pogingen van Stevaert om de SP-A terug als ‘socialistisch’ en ‘links’
te vermarkten).
Een
ideologische overwinning
Heel
deze beweging uitsluitend aan het Vlaams Blok crediteren gaat te ver.
Het Blok is trouwens een conjunctuurfenomeen, en we zien gelijkaardige
partijen in de jaren tachtig over zowat heel Europa ontstaan. Dat
ruimere verhaal is echter stof voor een andere bijdrage.
In eigen land waren er diverse vormen van dynamiek
aanwezig in al deze domeinen vooraleer het Blok op het toneel verscheen,
en vooral de Volksunie (en een deel van de CVP) was er aansprakelijk
voor. Ter illustratie, het was staatssecretaris Vic Anciaux die in 1978
de eerste beleidsnota produceerde waarin migranten als een probleem
werden omschreven; en het was de Volksunie die eveneens in 1978 met de
Egmont-akkoorden het unitaire België ten grave droeg. Maar het Vlaams
Blok nam deze dynamiek wel als take off point voor een meer radicale
strategie, en het speelde doorheen de hele evolutie voortdurend de rol
van katalysator. Door een nog meer radicale agenda te verdedigen dan de –
tot dan toe – radicale rechtse Vlaamse politici, duwde ze deze laatsten
in een categorie van ‘meer gematigde’ politici over wier agenda te
onderhandelen viel. En die agenda werd in zeer verregaande mate
beïnvloed door het bestaan van een meer radicale versie. Met andere woorden:
de ‘extremisten’ van weleer werden ‘gematigden’, maar ze kregen voeding
voor een nieuw extremisme vanuit de nieuwe ‘extremistische’ vleugel, het
Blok.
Dat nieuwe extremisme overtrof soms hun stoutste
verwachtingen. De Volksunie is de enige partij die ooit méér dan haar
volledige oorspronkelijke programma realiteit zag worden. En vroegere
VU-leden zoals Hugo Coveliers konden dank zij het Vlaams Blok een
uiterst rechtse vleugel binnen de Vlaamse Liberalen organiseren, en op
die manier anti-migranten standpunten en een uitgesproken repressief
geheel aan law-and-order opvattingen doen doordringen tot het centrum
van de politiek, in de partij die de Eerste Minister levert. We zien dus
hoe het Vlaams Blok voortdurend zeer extreme standpunten in bruikleen
geeft aan ‘gematigde’ anderen, die er dan het cachet van ‘gematigd’ op
kunnen drukken. Dit is een categorieverschuiving die berust op
stereotype associaties tussen partijen en posities op de ideologische
schaal. Het Vlaams Blok is (stereotiep) extreem-rechts; de VLD niet en
de SP-A of NVA evenmin; bijgevolg is een standpunt dat ontleend is aan
het Blok geen extreem standpunt wanneer het door een lid van de
andere partijen wordt voorgesteld. We staan hier voor een klassiek model
van ideologische beïnvloeding waarvoor Lenin en Gramsci zonder twijfel
de grootste bewondering zouden gehad hebben. En het is een proces dat de
gehele Belgische politiek bestreek, niet enkel de Vlaamse, want het
herdefinieerde de relaties tussen de Vlaamse en de Franstalige partijen.
De invloed van het Blok laat zich precies daar voelen
waar het Blok het graag heeft: in de structuur van het politieke ‘veld’
in de zin van Bourdieu, in de globale patronen van aanvaardbaarheid en
zegbaarheid die ‘discours’ bepalen in de zin van Foucault. De invloed is
dan ook grotendeels onzichtbaar, impliciet, en te situeren op het niveau
van de algemeen aanvaarde uitgangspunten en andere a-priori’s – op het
niveau van de maatschappelijke ideologie die het spreken over aspecten
van de samenleving bepaalt. En dat is een verpletterende ideologische
overwinning die het Vlaams Blok de hegemonie heeft bezorgd in talloze
politieke domeinen zonder dat de partij daar ooit de prijs van de
uitvoerende verantwoordelijkheid voor heeft moeten betalen: een geniale
politieke strategie.
Laat ons nu enkele aspecten van dit grote
beïnvloedingsproces van naderbij bekijken. Voor alle duidelijkheid, het
gaat hier niet om concrete, woordelijke overnamen maar van diepe
beïnvloeding van grote blokken discours: thema’s die op een bepaalde
wijze vorm krijgen, argumenten die erin opduiken (en andere die eruit
geweerd worden), vormen van dialoog die geleidelijk ontstaan. Het is
niet zo dat het Vlaams Blok de andere partijen haar lexicon en slogans
heeft opgedrongen. Tot nog toe is het Blok de enige die ‘Eigen Volk
Eerst’ gebruikt. Maar dat doet weinig ter zake, we zullen zien dat de
diepere invloed veel belangrijker is. Ik ga me ook niet richten op
evidente zaken zoals de rehabilitatie van racisme en discriminatie in
het discours van het Vlaams Blok. Ik richt me op domeinen waar men niet
meteen een grote invloed van de partij (h)erkent.
Democratie en het centrum van de politiek
Een
eerste punt dat ik wil illustreren is de wijze waarop het Vlaams Blok
het centrum van de politiek mee heeft herbepaald: de centrale begrippen
en concepten die de politiek zijn gaan beheersen en sturen, het
politieke model. Samen met de drie eerder gegeven grote verschuivingen
in de politieke consensus heeft het Vlaams Blok nog een andere zeer
belangrijke verschuiving bewerkstelligd: ze heeft het concept
‘democratie’ mee geherdefinieerd.
Consensus over democratie
Democratie is in het naoorlogse België steeds één van de grote
vanzelfsprekendheden geweest. Het einde van de tweede Wereldoorlog,
gevolgd door decennia van Koude Oorlog, zorgden ervoor dat het feit dat
wij een ‘Westerse Democratie’ waren een volstrekt vanzelfsprekende
aanname was. Het zorgde voor de noodzakelijke contrasten tussen ons type
van samenleving, en fascisme of communisme. Het axiomatische karakter
van democratie was ideologische kleefstof die een zeer ruim politiek
centrum samenhield (en er bijvoorbeeld voor zorgde dat de BSP zichzelf
kon contrasteren met het ‘ondemocratische’ socialisme van aan de
overkant).
Evenmin was er veel discussie over de vertegenwoordigende structuur van
onze concrete parlementaire democratie. Alle partijen waren in min of
meerdere mate massapartijen met een brede aanhang. Bovendien waren deze
partijen gekoppeld aan een ruime en veelzijdige nevenbouw – de zogeheten
zuilen – die allerhande cruciale sociale voorzieningen (medische zorg,
onderwijs, ontspanning en jeugdbewegingen), een geschreven pers en vaak
grote financiële belangen (mecenaat, zuilgebonden banken en
verzekeringsinstellingen) omvatte. België was een uitzonderlijk
voorbeeld van een staat waarin politiek, middenveld en kapitaal zeer
sterk verstrengeld waren in één pyramidaal geheel, dat een buitengewone
democratische legitimiteit verschafte aan de verkozenen. Zij waren
immers verkozen door de beweging, door de zuil, en dus niet enkel door
een onbepaald en naamloos cliënteel.
Dat er in die vertegenwoordigende democratie nogal wat gaten zaten –
denk aan het stemrecht voor vrouwen – werd wel erkend, maar in de
discussie daarover werd de fundamentele aard van democratie zelden in
vraag gesteld. De debatten gingen over ‘gelijke rechten’ of, nog
concreter, over ‘stemrecht’, niet over de verheven waarden of de
definitie van democratie zelf. In het centrum van de Belgische politiek
was dit geen gespreksonderwerp. Sinds de vroege jaren negentig is het
dat wel. Meer nog, het is één van de grote ideologische slagvelden in
onze hedendaagse politiek geworden. En alweer is het Vlaams Blok hierin
de bepalende factor geweest.
De
kracht van slogans
Het
Vlaams Blok was van bij de aanvang een partij die grote zorg besteedde
aan haar imago en marketing, en die in dat opzicht vrijwel uitsluitend
successen heeft geboekt. Het is op dit moment ongetwijfeld de enige
Vlaamse partij waarvan nagenoeg iedereen de hoofdlijnen van het
programma kent, al was het dan enkel via de zeer goed uitgedachte
slogans die de partij al twee decennia hanteert. Die slogans, ‘Eigen
Volk Eerst’, ‘Wij zeggen wat U denkt’ en ‘Vlaams Blok: de stem van het
volk’ zijn een exclusief handelsmerk geworden; geen enkele partij neemt
ze over, maar de slogans hebben een bijzonder diepgaande invloed gehad
op de politiek.
Ze appelleerden immers aan het beeld van een silent majority à la
Nixon – een schrikbeeld voor de grote partijen. Van bij haar eerste
electorale successen (de lokale verkiezingen van 1988) sloeg het Blok op
dezelfde spijker: het Blok was de enige écht democratische partij,
die de opvattingen van de mensen ongefilterd omzette in politieke
programmapunten. Het Blok maakte geen deel uit van een zuil, er waren
derhalve geen andere belangen in het spel dan de ‘zuivere’ politieke
belangen – Blokleden konden geen lucratieve postjes krijgen in
zuil-organisaties, en men moest ook geen functies binnen de zuil hebben
waargenomen om in aanmerking te komen voor een mandaat. Het Blok was,
kortom, een ‘schone handen’ partij, die een rechtstreekse band had
met haar electoraat. Er stond niets tussen partij en burger, en de
Blok-politici ‘zeggen wat U denkt’. Het Blok staat aan de wieg van het
vox-populisme: een nieuw soort populisme dat beweert de stem van
de ‘gewone mensen’ te vertolken.
En wat dachten die gewone mensen dan? Op dit punt zien we hoe handig het
Blok omging met opinies. Naast een reeks kernpunten die electoraal
nauwelijks werden uitgespeeld – reactionaire standpunten over
arbeidsvoorwaarden, zeer conservatieve ethische standpunten en het doel
van Vlaamse onafhankelijkheid –, maakte de partij buitengewoon handig
gebruik van nauwelijks verholen racisme, geconverteerd in een utopisch
maar legitiem klinkend vertoog van een etnisch-cultureel homogeen vrij
Vlaanderen binnen een blank Europa. Dit thema is doorheen de hele
evolutie van het Blok de absolute electorale troefkaart geweest. Het
bood de mogelijkheid om zowel microscopisch kleine lokale problemen
(buurtconflicten bijvoorbeeld – de ‘zaagcultuur’) als
globalisatiefenomenen van mondiaal formaat (de toevloed van asielzoekers
ten gevolge van internationale conflicten) bijeen te pakken binnen een
politiek ‘Groot Verhaal’. Alweer zou dit aan Lenin en Gramsci
bewonderend gefluit ontlokt hebben. En dit alles werd dan nog vergezeld
van een strategische cocktail van schandaal-thema’s (corruptiedossiers,
nepotisme) en aanvallen tegen de ideologische inconsistentie van andere
partijen, die allemaal het beeld ondersteunden van ‘zuil-partijen’
waarin men liefst zichzelf goed bedient, waarin de stem van de kiezer
geen belang meer heeft van zodra ze is uitgebracht, en die de ‘gewone
man’ in de kou laat staan met z’n problemen. Dat is het krachtige beeld
dat het Blok van zichzelf schiep: wij willen Uw problemen écht
oplossen.
Nu was er wel wat om over te zeuren natuurlijk. De jaren tachtig en
negentig waren een periode van zeer diepe malaise in dit land. Na de
explosie van de werkloosheid – van ca. 80.000 in 1972 tot het stabiele
volume van ca 600.000 werklozen in 1983 – werd het land geplaagd door
zeer grote overheidstekorten die stringente besparingen nodig maakten.
De sociale zekerheid ging onder de regeringen van Wilfried Martens een
afbouwfase in, en dit was meteen de afbouw van de na-oorlogse
sociaal-democratische consensus over de welvaartstaat. Er schortte ook
wel wat aan de democratie, want Martens regeerde herhaaldelijk met
volmachten, en sedertdien vervaagde de grens tussen de wetgevende en
uitvoerende macht (zowat alle wetten in dit land komen er op initiatief
van de regering, niet het parlement). De sociale malaise die daardoor
ontstond werd nog geaccentueerd door een schijnbaar eindeloze stroom
schandalen en problemen: de aanslagen van de CCC en de Bende van Nijvel,
de ontvoering van Van den Boeynants, de moord op André Cools, later het
Agusta-Dassault schandaal en de dood van Belgische para’s in Rwanda, en
de affaire-Dutroux als kers op de taart. Economisch werden in België
hele industriële sectoren afgebouwd (staal, steenkool, textiel,
scheepsbouw), met als gevolg dat laaggeschoolde arbeidskrachten (dus ook
de meerderheid van de hier aanwezige migranten) nog nauwelijks op de
arbeidsmarkt terecht konden. Het faillissement van Sabena zorgde voor
een triest orgelpunt van deze periode. Internationaal was er het einde
van de Koude Oorlog en het uitbreken van de Golfoorlog – een eerste
illustratie van de zeer wanordelijke Nieuwe Wereldorde. Er heerste in
dit land een gevoel dat niets nog lukte, dat alles tegen zat. Het Vlaams
Blok vond hier vruchtbare grond, want de opeenvolgende regeringen konden
worden voorgesteld als onbekwaam om deze problemen het hoofd te bieden.
Samenvattend: het Vlaams Blok hanteerde krachtige
slogans, en al die slogans dreven één beeld aan: dat van een partij die
belangenloze ‘pure’ politiek bedreef, een basis-democratische partij,
een direct-democratische partij die het volk écht vertegenwoordigt, een
partij van de ‘gewone mensen’, en een partij die dan ook échte thema’s –
de ‘bezorgdheden van de gewone mensen’ – aankaartte en tot politieke
prioriteiten verhief.
De
Kloof
Het
Vlaams Blok boorde met deze slogans recht naar het hart van de politiek:
de democratische legitimiteit. Het vraagstuk dat haar slogans opriepen
was dat van de inhoud en structuur van ‘echte’ democratie, en dit
resulteerde in een toenemende onzekerheid over de eigen werking bij de
andere partijen. De spectaculaire verkiezingsoverwinning van het Blok op
24 november 1991 was daarbij een scharniermoment.
Het Blok stelde deze overwinning vanzelfsprekend voor als een bewijs dat
de ‘mensen’ een heel andere reeks van politieke prioriteiten hanteerden
dan de gevestigde politieke partijen, en uiteraard stemden deze
prioriteiten overeen met die van het Blok zelf. De andere partijen
capituleerden meteen, en dit moment van capitulatie is haast vijftien
jaar later nog steeds verbijsterend. De andere partijen gaven op de
verkiezingsavond zelf toe dat zij de voeling met de bevolking verloren
waren, dat de mensen hen dat ‘signaal’ hadden gegeven, en dat ze dit
signaal nu moesten respecteren en zich moesten bezinnen over – en hier
komt een nieuw begrip – de kloof tussen burger en politiek. De
gevestigde partijen onderschreven, samengevat, de beeldvorming die het
Blok had verspreid over de structuur van het democratische proces. Ze
aanvaardden dat zij inderdaad ‘geen voeling hadden’ met ‘de ware
verzuchtingen van de mensen’, en dat dit een fundamenteel
democratisch probleem was. Bovendien aanvaardden zij dat het Vlaams
Blok die verzuchtingen van de mensen wél begreep en uitdroeg.
Het is op dit moment – de avond van 24 november 1991
– dat het Vlaams Blok de hegemonie verwierf inzake de definitie van
democratie. Vanaf dat moment stond democratie voor vox-populisme,
voor een directe en ongefilterde verhouding tussen de individuele burger
en de politiek, een verhouding waarin de politiek zegt wat U denkt.
Het is vanaf dat moment ook dat het maatschappelijke middenveld (met
name de zuilorganisaties) als problematische actoren in een
democratie werden beschouwd, en geleidelijk aan een steeds minder
duidelijke plaats in het politieke veld kregen (de relatie tussen de
partijen en ‘hun’ vakbonden, bijvoorbeeld, vertroebelde stelselmatig
vanaf 1991). De politiek, bijgetreden door de media-commentatoren en
politieke wetenschappers, was immers van mening dat ‘het Vlaams Blok de
juiste vragen stelt, maar foute antwoorden geeft’. De historische rol
van zuilorganisaties als middenveld-actoren die maatschappelijke vragen
aanreikten aan de politiek was daarmee uitgespeeld, en de politiek moest
de vragen (én de antwoorden) nu direct, zonder tussenpersonen, bij de
‘gewone mensen’ gaan zoeken.
Terzijde: het aanvaarden van de ‘vragen’ van het Blok
houdt natuurlijk in dat men de probleemdefinities van het Blok
aanvaardt, en dus ook de uitgangspunten van die vragen overneemt.
Het houdt, met andere woorden, in dat men de ideologische
vertrekpunten van het Blok accepteert. In de praktijk ging men de
vragen van de gewone mensen dan ook bij het Vlaams Blok zoeken.
Zwarte Zondag trok een heel proces op gang waaraan (met uitzondering van
Agalev en het Vlaams Blok zelf) alle partijen deelnamen: de politieke
vernieuwing van de jaren negentig. De Burgermanifesten van Guy
Verhofstadt gaven dit proces een eerste krachtige aanzet. In die boekjes
schetste Verhofstadt een nieuwe democratische politiek waarin ‘de
Burger’ centraal stond. Middenveld-actoren werden er afgeschilderd als
betuttelende instellingen die het democratische proces vervalsen, want
‘echte’ politiek is iets wat zich afspeelt in een directe relatie tussen
burger en politieke vertegenwoordiger. De democratie werd volkomen
gemodelleerd op een (sterk geïdealiseerd) beeld van de vrije markt. Er
is een aanbod (van partijen) aan de consument (de burger); dit aanbod
moet overeenstemmen met de behoeften en voorkeuren van die consument,
zoniet krijgt de aanbieder zijn waar niet gesleten op de politieke
markt, dat wil zeggen, tijdens de verkiezingen.
De verkiezingsuitslag wordt zo niet alleen een
barometer van de politieke conjunctuur, maar boven alles een
graadmeter van het democratische gehalte van de partijen – van de
mate waarin hun programma aansluit bij de ‘ware verzuchtingen van de
Burger’. Dit is dan de manier om de Kloof te overbruggen: wanneer de
politiek haar acties maar voldoende afstemt op de verzuchtingen van haar
cliënteel, dan is het democratische deficit van de oude
middenveld-politiek opgelost en zal het land geregeerd worden door
partijen die ‘de stem van het volk’ vertolken. Bij zijn aantreden als
Eerste Minister in 1999 gaf Verhofstadt dan ook meteen die boodschap
mee: het succes van zijn regering zou af te meten zijn aan de
verkiezingsresultaten van het Vlaams Blok. Zijn regering zou het
democratische renouveau lanceren dat het Blok de wind uit de
zeilen zou nemen. Verkiezingen werden dus steeds belangrijker, niet
alleen in termen van reële machtsverhoudingen maar ook symbolisch, als
indicator van de democratische kwaliteit van de partijen. Hoe meer
stemmen, hoe democratischer: met die eenvoudige logica ging Verhofstadt
de kamp met het Blok aan.
Via de metafoor van de vrije markt duwde Verhofstadt
het vox-populisme naar het centrum van de politiek, als definitie van
de ware democratie, en als aanzet tot de grote vernieuwingsbeweging
van de jaren negentig. Dat daarmee ook een Vlaams Blok slogan naar de
kern van het politieke bedrijf verschoof werd niet opgemerkt, evenmin
als het feit dat precies daardoor de hele vernieuwingsbeweging verliep
binnen criteria en spelregels die het Vlaams Blok bepaalde – de
verkiezingsuitslagen waren immers telkens weer een weergave van het
democratische (lees: vox-populistische) gehalte van de partijen, en
aangezien het Blok bij iedere verkiezing hogere scores behaalde bleef
het meester van het spel. Het kon immers telkens weer aanvoeren dat haar
score onbetwistbaar aantoonde dat zij de ‘meest democratische’ partij
was (of zelfs: de ‘enige’ democratische partij) – die argumentatie was
door alle partijen aanvaard.
Verhofstadt stond dan ook niet lang alleen met zijn
ideeën. Alle partijen gooiden zich in een zoektocht naar ‘meer
democratie’ zoals het Blok die definieerde, en deze her-democratisering
van de samenleving werd een decennium lang hét politieke Leitmotiv.
De socialisten gingen als eersten mee op zoek naar vernieuwing – denk
aan ‘Het Sienjaal’ (1996) dat de partij- en zuilgrenzen in vraag stelde,
Vlaanderen (niet België) als vanzelfsprekende ruimte voor politieke
actie aannam, en evengoed probeerde de Kloof te dichten via allerhande
vormen van basis-democratische inspraak. De socialisten hielden in 1998
voor het eerst sinds 1974 een ideologisch vernieuwingscongres (dat
voortbouwde op Het Sienjaal), en hielden na het Agusta-schandaal van het
midden van de jaren negentig ook grote kuis in het politieke personeel.
Dat personeel werd trouwens in àlle partijen grondig vernieuwd. In de
jaren negentig zag men alle partijen op zoek gaan naar ‘vernieuwings-‘
of ‘verruimingskandidaten’, die ofwel gerekruteerd werden uit andere
partijen (wat de relativiteit van de partij- en zuilgrenzen
beklemtoonde), ofwel en liever nog uit de wereld van de BVs. Zangers,
acteurs, nieuwslezers en journalisten, professoren, sportlui belandden
allemaal op verkiezingslijsten en vervolgens in gemeenteraden of
parlementen. Deze rekruteringsgolf diende marketing-doeleinden (deze
kandidaten kregen vanzelfsprekend grote media-aandacht), maar drukte
tevens de drang uit om de banden met de zuil verder los te maken. BV's
hadden geen achtergrond in de partij of de beweging, ze zaten niet onder
het machinevet van de partij-apparaten, ze waren ‘puur’ en onbezoedeld,
lieden die in de politiek gingen uit overtuiging en om ‘iets te doen
voor de mensen’ – alweer een recept uit de perceptiekeuken van het
Vlaams Blok dat werd overgenomen als keurmerk voor nieuwe politiek.
Geen politieke ervaring hebben,
maar gewoon van onder ‘de mensen’ komen werd in de jaren negentig een
kwaliteitslabel voor vernieuwingskandidaten. Dat hiermee een pak
politieke ervaring en deskundigheid onbenut bleef en vervangen werd door
– vaak – dilettantisme, incompetentie en plat populisme is een te
betreuren feit. Voeg daarbij nog de tendens die zich vooral in de
recente verkiezingen uitte, om kartels en allianties af te sluiten en
het is duidelijk dat de klassieke partijstructuur – een politieke
organisatie met diepe organische wortels in het middenveld – niet langer
als de basis van het politieke bedrijf wordt gezien. De partijwerking
wordt heel sterk toegesneden op de steeds belangrijker wordende
verkiezingen, en om bij die verkiezingen zo ‘democratisch’ mogelijk over
te komen bouwt men monumenten van pragmatisme, samengehouden door ad-hoc
verbanden die geen ideologische gronden hebben en bevolkt door
kandidaten die in vele gevallen geen politiek talent bezitten en een
zeer kort politiek leven voor de boeg hebben.
De politieke vernieuwing van de jaren negentig, die
een reactie was op de doorbraak van het Blok, heeft de beeldvorming van
het Blok over democratie voor feit aangenomen, en dit heeft ertoe geleid
dat zowat alle partijen zich thans beperken tot politieke marketing in
functie van verkiezingen. De ideologische traditie is door vrijwel alle
partijen onderuit getrapt en vervangen door een koortsachtige en
permanente zoektocht naar wat de bevolking denkt, voelt en wil op dat
moment. Het organisatiekader van politiek is niet langer de ideologische
lange-termijn, maar de mediatiseerbare actualiteit. Opiniepeilers en
marketingmensen hebben dan ook de plaats ingenomen van de studiediensten
en vormingsorganisaties, en mensen uit dat beroepsmilieu – denk aan Noël
Slangen en Patrick Janssens – zijn de hedendaagse equivalenten van Jef
Houthuys en Fons Verplaetse. De drang naar een meer democratische
politiek heeft geleid tot een depolitisering van de democratie, en tot
een commodificatie ervan. En tot nader order is het Vlaams Blok heer en
meester in die sport.
Samenvattend: het Vlaams Blok heeft systematisch een beeld verspreid van
haar eigen werking als door-en-door democratisch. Haar slogans zijn
daarvan de best gekende uitingen, en haar verkiezingsoverwinningen
werden steevast als overwinningen van de ‘echte’ democratie voorgesteld.
Dit beeldengeheel is door alle andere partijen overgenomen en heeft
geleid tot een herdefinitie van ‘echte’ democratie als een democratie
die zich voedt aan de stem des volks – vox populisme. In een democratie
moet de politiek ‘zeggen wat U denkt’. Dit beeld van democratie is de
inzet geworden van de vernieuwingsoperaties in de jaren negentig, en
deze vernieuwingen speelden zich af binnen de krijtlijnen die het Blok
aangaf, en waarbij electorale uitslagen de doorslaggevende parameters
van ‘democratie’ waren. De gevolgen daarvan zijn dat vrijwel alle
partijen het Blok zijn gaan achterna hollen in de jacht op de stem des
volks, daarbij de band met hun klassieke partijwerking en hun zuilen
hebben opgegeven, en overgegaan zijn van massapartijen naar
massacommunicatiepartijen die steeds meer op verkiezingen gericht zijn.
Het Vlaams Blok controleert de definitie van ‘democratie’, en speelt de
rol van scherprechter over de graad van democratie bij anderen. Het
bezit de hegemonie over het centrale begrippenapparaat van ons politiek
systeem.
Politieke correctheid en vrije meningsuiting
Dit is
natuurlijk merkwaardig, want doorheen heel dit proces werd het Vlaams
Blok steevast omschreven als ‘ondemocratisch’, en werden de andere
partijen automatisch als ‘democratisch’ voorgesteld. Zo maakten
politici, mediamensen en analysten voortdurend een onderscheid tussen de
‘democratische oppositiepartijen’ en het Vlaams Blok, en het cordon
sanitaire dat ontstond na Zwarte Zondag hield in dat men geen
coalities of allianties zou sluiten met het ‘ondemocratische’ Blok.
Terzijde kan men de eerder besproken dynamiek aanstippen: door de a
priori definitie van ‘democratisch’ voor àlle partijen met uitzondering
van het Blok konden zeer extreme standpunten van die ‘democratische’
partijen doorgaan voor gematigd. Dit brengt ons tot de tweede grote
invloed van het Vlaams Blok: de partij hertekende de publieke ruimte
en het publieke debat.
Om dit te begrijpen hebben we de inzichten uit het vorige punt nodig.
Slogans zoals ‘wij zeggen wat U denkt’ en ‘de stem des Volks’ konden ook
worden aangewend in hun meest letterlijke betekenis: als spreken
zoals het volk, volks en recht-voor-de-raap spreken. Van bij de
aanvang was het Vlaams Blok een partij die een stijlbreuk in het
politieke taalgebruik construeerde, en daarbij speelde twee factoren in
haar voordeel: enerzijds een reeks omwentelingen in de massamedia, en
anderzijds haar plaats in de oppositie.
Oppositiediscours
Om bij
dat laatste te beginnen, aangezien het Blok steevast ageerde tégen de
politieke meerderheid kon ze zich een agressieve en weinig gepolijste
stijl veroorloven. Bovendien hoefde ze zich nooit te verliezen in de
techniciteit van het beleid, en evenmin hoefde ze blijk te geven van
diplomatie of compromisbereidheid. Het Blok zat dus steeds in de
makkelijkste positie – het offensief – en tegenaanvallen konden
makkelijk gecounterd worden door verwijzingen naar de blunders,
schandalen of contradicties bij de meerderheidspartijen, of door
verwijzingen naar een onterechte, ‘ondemocratisch’ boycot- of
defamatie-strategie tegen het Blok. Het fenomeen is welbekend: het
Vlaams Blok kon zich steeds beperken tot one-liners en hoefde
nooit oeverloos complexe uiteenzettingen te houden. En die one-liners,
die articuleerden de politieke utopie van het Blok: een etnisch homogeen
Vlaanderen binnen een Blank Europa. Utopieën zijn krachtige retorische
wapens in de oppositie.
Nieuwe media-mogelijkheden
De
doorbraak van het Vlaams Blok viel samen met een reeks zeer ingrijpende
veranderingen in het medialandschap. Een volledige beschrijving hiervan
valt buiten het bestek van deze tekst, maar het komt hierop neer. In de
jaren negentig zien we in eigen land zowel als elders een volledige
omwenteling in de wereld van de massacommunicatie. Er is de opkomst van
het internet en de GSM natuurlijk, maar ook de opkomst van de
commerciële televisie, en ten gevolge daarvan de commercialisering van
de openbare massamedia. En we zien eveneens dat kranten en tijdschriften
allemaal deel worden van media-industrieën, en zo verschuiven van
politieke controle naar commerciële controle. Alle media beginnen in de
jaren negentig marktgericht te denken: het is de opkomst van de
zogeheten formats en van het BV-schap.
Deze ontwikkeling heeft een zeer grote invloed op het
politieke vertoog. Daar waar het politieke vertoog bij de aanvang van
het decennium als genre nog netjes gescheiden was van entertainment- of
marketinggenres, zien we dat ze in de jaren negentig steeds verder
vermengd worden. Politiek wordt entertainment (De Laatste Show, Villa
Politica) en omgekeerd (entertainment-figuren gaan de politiek
bevolken). Een goed voorbeeld is de ontwikkeling van het genre van de
‘mededeling van de regering’. Bij de aanvang van dit proces was dit
genre nog goed herkenbaar, en het was een monoloog van een minister,
zonder enige franje of onderbreking. Bij het einde van het decennium
verschijnen dergelijke mededelingen in de vorm van reclameclips,
getiteld ‘boodschappen van algemeen nut’. De politicus is in geen velden
of wegen meer te bekennen, maar de boodschap wordt nu volledig
ontwikkeld en geproduceerd door professionele reclamemakers.
De kern van deze evolutie waarin politiek, marketing
en entertainment één worden, is een verandering in de orde van het
spreken van de politiek. We krijgen een versnelling van het
discursieve werk. Interviews worden steeds korter (mediatrainingen in
1999 waren erop gericht ‘alles in 30 seconden te zeggen’; in 2003 was
dat al gereduceerd tot 16 seconden), het zelfde geldt voor de lengte van
nieuws-items en thema’s in discussieprogramma’s. De media zelf
meten zich ook een heel ander imago aan; de jaren negentig zijn de jaren
waarin politieke journalisten celebrities worden. In politieke
talkshows is niet de geïnterviewde, maar de interviewer de echte
vedette, en politici streven naar optredens bij bepaalde interviewers of
talkshow-gastlui: gesprekken met Bracke (& Crabbé), de Aguirre, Polspoel
& Desmet, Uytterhoeven zijn de meest prestigieuze politieke gesprekken.
Politici richten zich steeds meer – nagenoeg uitsluitend – op de media
voor hun contact met ‘de burger’, en de bevolking ziet de politiek
steeds nadrukkelijker door de bril van de media. Politieke carrières
worden gemaakt of gekraakt door journalisten, en verkiezingsuitslagen
worden in niet geringe mate beïnvloed door de wijze waarop de leidende
journalisten de verschillende partijen hebben voorgesteld (de electorale
opdoffer van AGALEV in 2003, bijvoorbeeld, kwam er na een lange campagne
van uiterst negatieve berichtgeving in zowat alle media).
De nieuwe journalistieke vedetten droegen expliciet
een beeld uit waarin politiek als saai werd voorgesteld, en waarin hun
eigen bijdrage erop neerkwam dat die saaie politiek ‘swingender’ en
‘begrijpelijk’ gemaakt werd, om ze zo ‘dichter bij de mensen’ te
brengen. Deze mediamensen accepteerden het beeld van de ‘kloof’ en zagen
hun eigen opdracht als democratiserend – waarbij democratie neerkwam op
‘de stem van het volk’. Dat betekende concreet: politici moesten korte
boodschappen produceren, gedaan in ‘verstaanbare taal’ (d.i. zonder
zogenaamde moeilijke woorden), sterk vereenvoudigd, bij voorkeur met
gebruik van slagwoorden (‘de biechtstoelprocedure’, ‘het zilverfonds’,
het ‘gratis verhaal’) en passend binnen een format zoals de
antagonistische discussie met een ‘tegenstander’ en het autobiografische
verhaal (commentaar geven op oude beelden van zichzelf, vertellen over
het eigen privé-leven). Dit is, in tegenstelling tot wat velen geloven
(incluis de media-coryfeeën zelf), geen zaak van verpakking alleen. Ook
de inhoud wordt beïnvloed, want niet elk politiek thema of argument kan
in de formats geknepen worden. Bepaalde soorten politiek worden
erdoor vergemakkelijkt, terwijl andere er zeer moeilijk door worden.
De hierboven beschreven transformaties hebben een
ideologische component die wordt uitgedragen door mediamensen zelf: nu
het juk van de partij-controle en de verzuiling afgeworpen is zijn onze
media vrij, objectief en onafhankelijk (het juk van de commercie dat in
de plaats komt van dat van de zuilen, merkte men niet). Daardoor kunnen
ze nu écht democratisch worden, écht de stem van de ‘gewone man’
vertolken en er als spreekbuis voor dienen (noteer dat ook hier de visie
op democratie van het Blok wordt overgenomen). Aangedreven door die
ideologie van democratie en onafhankelijkheid nemen de media in de jaren
negentig effectief het maatschappelijke middenveld over. Het zijn de
media die nu beweren dat zij de bewakers en organisatoren zijn van de
vrije meningsuiting, en dat zij de visie van ‘de man in de straat’
vertolken (alweer wordt zulks in formats gegoten: het
publieksinterview, de vox pop van de straatinterviews, publieksdebatten
zoals Jan Modaal en zo meer).
Zoals gezegd doorsnijdt deze evolutie de fase van de
doorbraak van het Vlaams Blok, en de correlatie tussen beide is
duidelijk. Het Blok krijgt in de jaren negentig precies de media die het
nodig heeft. Haar mandatarissen hanteren een stijl die precies past op
de nieuwe media-formaten: korte, krachtige en antagonistische
interventies, gedragen op de cadans van slagwoorden en slogans, gekaderd
in een simpele logica waarvoor men in het huidige medialandschap nooit
tijd heeft om hem te doorprikken. Het Vlaams Blok wordt in de jaren
negentig dan ook de onbetwiste koning van de massacommunicatie. Haar
slogans en haar spilfiguren zijn door iedereen gekend; haar electorale
propaganda doorstaat met gemak de strengste kwaliteitstests; en de
media-optredens van haar mandatarissen zorgen zonder uitzondering voor
de gewenste beeldvorming. Het Vlaams Blok domineert vanaf de jaren
negentig de politieke communicatie.
Vrije meningsuiting
En ze
benut de nieuwe mogelijkheden maximaal. De objectiviteitsgedachte die de
nieuwe media domineert wordt genadeloos uitgebuit in een volstrekt
paradoxale beweging. (Zoals zo vaak zorgt de krachtige ideologie ervoor
dat de paradox onzichtbaar blijft). Van in 1991 hamert het Blok op het
feit dat ze door de media gemarginaliseerd en gemeden wordt. Doorgaans
doen Blok-kopstukken dat soort beklag in de media
– ziehier de
paradox. Maar het effect is duidelijk: de media vertonen doorheen de
ganse evolutie een zeer grote onzekerheid in hun relatie met het Blok.
Immers, aangezien de media de rol opeisen van behoeders van de vrije
meningsuiting, en vermits het Blok beweert de stem van de gewone man te
vertolken, zou de beknotting van de spreektijd voor het Blok neerkomen
op verraad aan de maatschappelijke opdracht van de media. Het Blok
krijgt dan ook ruime media-aandacht, kopstukken zoals Dewinter en
Annemans gaan geleidelijk aan tot de meest ervaren media-politici van
hun generatie behoren, en het Blok rekruteert journalisten voor zeer
zichtbare mandaten (Tastenhoye, Verstrepen).
De stem van het Blok klinkt dus luid in de media, zelfs wanneer die stem
beweert dat ze niet te horen is. De media laten lawines van Vlaams Blok
uitspraken, stellingen en argumenten toe en verlenen zo het
democratische imprimatur aan de stijl en het vertoog van het
Blok. Men nam aan dat het Vlaams Blok ‘de stem van het volk’ liet
klinken, en dat zij de partij was die het dichtst bij de ‘gewone man’
stond, terwijl er een kloof gaapte tussen die gewone man en de andere
partijen. Bijgevolg werd het Blok niet enkel hegemonisch qua inhoud maar
ook qua vorm in het politieke vertoog.
Een ‘mening’ hebben, die dan ook vanzelfsprekend
‘vrij’ moest gecirculeerd worden, staat vanaf dat ogenblik gelijk aan
een radicale mening hebben, een mening die rauw en ongenuanceerd
klinkt, vertolkt door iemand die ‘de dingen zegt zoals ze zijn’, die ‘er
geen doekjes om windt’, die ‘kordaat’ en ‘krachtig’ spreekt, ‘zegt
waarvoor-ie staat’, enzovoort. Het is één grote imitatie van een
stereotype van ‘gewoon-zijn’, maar er gaat een a priori suggestie van
waarheid van uit. Emotionele, woedende, sterke taal wordt geleidelijk
gezien als preciezer, scherper, juister, eerlijker en authentieker dan
meer beheerste, kalme, nuchtere en complexe taal. Uitbarstingen van
dergelijke authenticiteit (zoals bij de affaire-Dutroux in 1996) worden
gretig opgepikt als belangrijke politieke evenementen, als momenten
waarin het politieke vertoog een nieuw élan krijgt (heel even
wordt het politieke vertoog zelfs gedomineerd door een emotionele
‘gewone man’: Paul Marchal). De opname van dat soort ‘volkse’ vertogen
in de publieke fora wordt vanaf dat ogenblik gezien als de kern van de
vrije meningsuiting (‘iedereen moet z’n zeg kunnen doen’, ‘ik heb ook
mijn gedacht!’), en langs die omweg ook als definiërend voor een
democratie. Een democratie is een forum voor volkse vertogen – de stem
van het volk, met andere woorden.
In die metamorfose van het politieke vertoog, van een technisch en
complex vertoog-op-zich naar een ‘geïntegreerd’ vertoog gemodelleerd op
Jan-Modaal-die-over-politiek-spreekt , ligt de kern van het huidige
populisme – de meest dominante vorm van politiek vertoog. Met het
vaandel van de vrije meningsuiting hoog geheven produceert men
halfbakken analyses, verzinsels, leugens, houterige grappen en
enormiteiten – zolang deze maar ‘gewoon’ klinken zijn ze oprecht,
authentiek, sociaal correct. Zij die het wagen de waarde van dit
volkse vertoog in vraag te stellen zijn politiek correct. Deze
absurde tweedeling – een nieuw discursief regime dat opereert via
stereotypen – wordt vaak met de allerbeste bedoelingen uitgedragen door
politici, marketingmensen en mediakoppen. Het is gefundenes Fressen
voor het Blok, zijn natuurlijke discursieve habitat.
Politieke correctheid
Dat
parler vrai, met z’n connotaties van waarheid en authenticiteit,
wordt gecontrasteerd met een gestereotypeerd tegendeel: de ‘politiek
correcte’ intellectuelen die ‘taboes’ hanteren en zaken ‘onbespreekbaar
maken’, en op die manier alle voeling met ‘de gewone man’ verloren
blijken te hebben. De opvattingen van de gewone man zijn immers het
territorium geworden van het Blok en z’n navolgers in media en
politiek, en zoals boven aangegeven hoort men (om democratisch te zijn)
te spreken zoals die gewone man. Een intellectueel vertoog, een grondige
analyse, een reeks belangrijke nuances, een kritische reflectie horen
niet thuis in dat genre. Dit is immers anders spreken, niet zoals
het volk spreken, elitair en daardoor on-democratisch
spreken. Het is bovendien niet-authentiek, niet-oprecht,
en niet accuraat als diagnose of analyse van de werkelijkheid. In
de jaren negentig raakt de intellectueel met z’n vertogen in het
verdomhoekje van de nieuwe populistische politiek.
Alweer trekt het Vlaams Blok stevig aan deze kar, en het migrantenthema
is hét domein par excellence waarin het contrast wordt
uitgespeeld tussen de sociale correctheid die zij beweren te vertolken
(‘zo is de werkelijkheid’) en de politieke correctheid van
intellectuelen. Volgens het Blok is het de schuld van ‘weldenkende’
intellectuelen dat het ‘migrantenprobleem al jaren verrot is’. De reden?
De weldenkende intellectuelen wonen nu eenmaal niet in dié wijken die
migranten bevolken, en intellectuelen hebben dan ook makkelijk praten en
kunnen genieten van de ‘multicultuur’. Zij hebben immers ‘geen last van
migranten’. De gewone man kent het échte migrantenprobleem:
demografische overrompeling, escalerende criminaliteit, sociaal
profitariaat, verloedering van de wijken. De weldenkenden hebben al deze
problemen jarenlang als ‘taboes’ gehanteerd, met het gevolg dat de
situatie uit de hand is gelopen, de autochtoon thans bedreigd is en
bovendien geen gehoor vindt bij het (door weldenkenden beheerste)
politieke establishment. Enkel het Vlaams Blok luistert naar hen, en het
zegt publiek wat de weldenkenden als taboes pogen toe te dekken.
Dit motief, dat er zoiets is als een ‘echt’ migrantenprobleem dat
verschilt van het ‘officiële’ migrantenprobleem en dat het Vlaams Blok
dit échte probleem met gezag aankaart, is snel in zeer ruime kring
aanvaard geworden. Aangewakkerd door een media-economie die, zoals we
zagen, steeds meer waarde hecht aan de (rauwe, ongenuanceerde, radicale,
emotionele) volkse stemmen krijgen we zo een beeld van twee
tegengestelde werelden: de eerste is een schijn-realiteit, de tweede is
de echte realiteit. De eerste wordt bevolkt door weldenkende politici,
opiniemakers, kunstenaars en intellectuelen, de tweede door de gewone
man. Het Blok brengt zo, zij het cynisch en impliciet, sociale klasse
terug in het politieke vertoog: er is een proletarische realiteit en die
is ongefilterd, écht; er is ook een realiteit van de beteren-af, en die
wordt geplaagd door vals bewustzijn, door politieke correctheid. Wie
deze laatste vorm van realiteit verdedigt is niet democratisch, want
hij/zij weigert de volkse (echte) realiteit te erkennen. Alweer zou dit
aan Lenin en Gramsci bewonderend gemompel ontlokt hebben.
De ‘weldenkenden’ en de ‘politiek correcten’ zijn in de wereld van het
Blok vanzelfsprekend ‘links’. En hier zien we hoe het Vlaams Blok de
eerder beschreven uitbreiding van de linkerzijde verwezenlijkt. Iedereen
die de realiteit niet erkent zoals die door het Vlaams Blok (in naam des
Volks) wordt voorgesteld, is links. Links is dan ook een synoniem
geworden voor elitair, wereldvreemd, ‘ideologisch’ (d.i. onrealistisch)
denkend, welgesteld, en zoals eerder aangestipt komt ‘links’ zo te staan
voor al wie het wereldbeeld van het Vlaams Blok niet deelt, incluis
delen van de CD&V, de VLD en de vroegere Volksunie. De band tussen
‘links’ en ‘het volk’ is doorgeknipt: links wordt net voorgesteld als de
verraders van de gewone man. Links is wat ‘rechts’ tot voor kort was:
een synoniem voor fout.
In het zog van de omkering van links en rechts
verschuift ook politieke correctheid van betekenis. Politieke
correctheid is historisch een onderdeel van emancipatiebewegingen en het
diende een nobel doel: discriminaties en verbaal geweld tegenover
zwakkere groepen vermijden. De wet op de bestraffing van het racisme is
een vorm van officiële politieke correctheid. Maar het Vlaams Blok is
erin geslaagd het begrip politieke correctheid een heel andere betekenis
te geven. Van zodra iets wordt geïdentificeerd als ‘politiek correct’
betekent dit nu dat het een verzwegen echte realiteit verbergt,
een taboe. En dit verzwijgen van de echte realiteit is een rechtstreekse
aanslag op de democratie, want die echte realiteiten moeten via de vrije
meningsuiting vrij geuit kunnen worden. Politieke correctheid is in nog
geen twintig jaar overgegaan van een emancipatorisch naar een
antidemocratisch instrument, van een verwezenlijking naar een plaag, van
een middel om de zwakken te beschermen naar een middel om ze te
verdrukken. Het is in zeer ruime kring een vies woord geworden.
Een
nieuw spreekregime
Dit is
een grote overwinning voor extreem rechts. Het Vlaams Blok heeft in
vijftien jaar het hele publieke spreekregime in onze samenleving op z’n
kop gezet, de hele talige economie dooreen gehaspeld. Vertogen die voor
‘duur’, prestigieus en belangrijk werden aanzien – elitaire,
intellectuele, ‘geleerde’, nuchtere, rationele, analytische vertogen –
zijn flink in waarde gezakt. En vertogen die niet in het publieke domein
thuishoorden – volkse, rauwe, radicale, emotionele, beledigende,
vulgaire, stoere en machistische vertogen – bekleden nu een centrale
plaats in de discursieve prestigehiërarchieën. Dit heeft een effect op
politici: het volstaat niet dat men een zeer grote deskundigheid bezit
in een bepaalde politieke materie, men moet vooral volks kunnen
communiceren, zoniet ontstaan er twijfels over het democratische
kaliber. Politici als Jean-Marie De Decker of Vincent Van Quickenborne
zijn figuren die slechts op de voorgrond zijn kunnen komen dank zij dit
nieuwe volkse spreekregime – een regime waarin men ongestraft kan zeggen
dat ingewikkelde zaken onmogelijk politiek relevant kunnen zijn, waarin
incompetentie als charmant (of erger nog: als the whole point of
politics) kan worden voorgesteld, en waarin de politieke kwaliteit
vooral gemeten wordt aan de deskundigheid waarmee men media-interventies
plant en een ééndimensionale persoonlijkheid kan blijven beklemtonen.
Op die manier heeft het Vlaams Blok de linkerzijde niet enkel het ‘volk’
afgenomen, maar bovendien één van de krachtigste wapens uit handen
geslagen: de analyse, de kritiek. Analytische, complexe en genuanceerde
verhalen raken met moeite voorbij het stigma van de ‘ivoren toren’ stem;
in concurrentie met een doorleefde, krachtig geformuleerde anekdote
moeten zij de duimen leggen. Want ook al levert een grondige kritische
analyse een verifieerbaar en accuraat beeld van de realiteit op, toch
blijft men het gevoel hebben dat de werkelijkheid die moet ‘aangepakt’
worden diegene is die de volkse stemmen aankaarten: datgene ‘waar de
mensen wakker van liggen’, de ‘ware verzuchtingen van de burger’ – het ‘onveiligheidsgevoel’,
de ‘overlast’, het ‘fundamentalisme’ van de moslims, de ‘voorrang’ die
gegeven wordt aan asielzoekers in de sociale voorzieningen.
Cordon sanitaire
Wie de
opkomst van het Vlaams Blok bekijkt doorheen de bril van het vertoog en
nagaat hoe vertogen en verhoudingen tussen vertogen gedurende vijftien
jaar zijn geëvolueerd, komt tot een pessimistische conclusie. De
perfecte synergie tussen de oppositiestijl van het Blok en de nieuwe,
populaire en gecommercialiseerde media heeft de bakens van het politieke
discours grondig verlegd. Het Vlaams Blok beheerst niet enkel een aantal
van de kernthema’s van de hedendaagse politiek – de definitie van
‘democratie’ bijvoorbeeld – maar ook het complex van genres en stijlen
waarmee men legitiem over de samenleving mag spreken. Het heeft het
politieke veld herverkaveld en er nieuwe regels voor de legitimiteit van
politieke vertogen in geïntroduceerd.
Die beweging is gevolgd door de politieke
tegenstanders en de media, en het is het Vlaams Blok dat de spelregels
van de hedendaagse politieke debatten bepaalt. Het Blok bepaalt in zeer
grote mate de definities van thema’s, de relaties tussen thema’s
(bijvoorbeeld migratie en criminaliteit), de plaatsing van die thema’s
in de actualiteit, de tegenspelers in debatten over die thema’s (het
Blok kiest tegen wie ze ten strijde trekt of met wie ze flirt), het
register van argumenten over die thema’s enzovoort. De partij is op een
paradoxale manier de motor geweest achter de politieke vernieuwing van
de jaren negentig. Die vernieuwing was tegen haar gericht maar nam
tegelijk haar uitgangspunten over. Daardoor hield het Blok voortdurend
het initiatief, en werd de partij helemaal naar het centrum van de
politiek gekatapulteerd.
Vanuit dit oogpunt is er in dit land dan ook nooit een cordon
sanitaire geweest. De omheining rond het Blok bestond uit één enkel,
laag gespannen schrikdraadje – de weigering om coalities te vormen. Een
dier van de omvang van het Blok stapt daar echter met gemak over. Zowat
alle partijen en alle grote media hebben sinds de doorbraak van het Blok
in 1991 de discursieve orde aangenomen die door het Blok werd opgelegd.
Ideeën, inhouden, elementen van beeldvorming, argumenten, prioriteiten,
woorden, grote schema’s – al die dingen werden zonder slag of stoot door
links, rechts en centrum overgenomen. Ik kan me inbeelden dat men over
zo’n cordon sanitaire bij het Blok best tevreden is. Lenin en
Gramsci zouden alvast bewonderend geknikt hebben.
____________________________________