MOSLIMS IN DE LEKENSTAAT
Het recht van moslims mee vorm te geven aan de Europese samenleving
Heiner BIELEFELDT*
Deel 1 ------- Deel 2
III. Mosliminterpretaties van het Politiek
Secularisme
1. Secularisme: Verlies van
Religieuze Waarden?
Zoals hoger gezegd, heeft het lang geduurd
voordat de christelijke kerken geleerd hebben de lekenstaat te erkennen
en te waarderen als politiek-juridische voorwaarde voor de vrije
ontplooiing van religieuze gemeenschappen in de moderne samenleving.
Tot verre in de 20ste eeuw overheerste in kerkelijke kringen de tendens
secularisme, religieuze onverschilligheid en atheïsme
nauw met elkaar te associëren, zo al niet te vereenzelvigen.
Ondertussen zijn de christelijke kerken zichzelf gaan zien als actieve
pleitbezorgers van de godsdienstvrijheid en de seculiere rechtsstaat.
Met het problematische resultaat evenwel dat de lekenstaat dikwijls
geportretteerd wordt als een exclusieve erfenis van de westerse
christenheid.
Die twee problematische houdingen - de
traditionele christelijke terughoudendheid zowel als de meer
recente unilaterale toeëigening van het politieke secularisme
- worden dikwijls ook weerspiegeld in de stellingname over de lekenstaat
door moslimdenkers of vertegenwoordigers van moslimorganisaties.
Wat de eerste strekking betreft, lijken
vele moslims het politieke secularisme te begrijpen als de uitdrukking
van een atheïstische
of antireligieuze ideologie die zij vaak ervaren als een bedreiging voor
islamitische waarden. Deze kritische houding treedt occasioneel
zelfs bij uitgesproken liberale hervormers naar voren. Mohamed
Talbi, bijvoorbeeld, die sedert vele tientallen jaren één van de
meest resolute moslim voorvechters is van de godsdienstvrijheid, geeft
uitdrukking aan zijn onbehagen ten overstaan van seculiere
rechtsvoorstellingen waarin, volgens hem, “ondergronds een
vergoddelijking van de mens” weerklinkt[1].
Op vergelijkbare ambivalente wijze reageert de feministische theologe,
Riffat Hassan. Zij gelooft dat ze de Universele Verklaring
van de Rechten van de Mens van 1948, door de Verenigde Naties, slechts
kan redden door haar te transformeren in een quasi-religieus document.
Hassan argumenteert dat de Verklaring, “hoewel
‘seculier’ in terminologie, (...) in wezen religieuzer lijkt dan vele
‘fatwa’s’ die werden uitgevaardigd door moslim en andere religieuze
autoriteiten en instituties”[2].
Het feit dat Hassan’s erkenning van internationale mensenrechten
blijkbaar een ontkenning vooronderstelt van hun seculiere kenmerken,
wijst op een negatief begrip van het politieke secularisme in het
algemeen. Ook de liberale islamitische rechtsgeleerde cAbdullahi
Ahmed An-Na’im, die zowel wetenschappelijk als politiek sedert lang
actief is voor de mensenrechten, begrijpt zijn pleidooi voor een
hervorming van het islamitisch recht als een bewust islamitisch
alternatief voor het westerse seculiere recht. Hij schrijft dat
het opzet van zijn boek erin bestaat, “op
islamitische en niet op seculiere gronden bij te dragen tot het
veranderingsproces van moslimse percepties, attitudes en politieke
beleidsdaden”[3].
Ondanks hun terughoudendheid over
het begrip van het secularisme, drukken cAbdullahi
An-Na’im, Riffat Hassan, Mohamed Talbi en andere moslimhervormers hun
duidelijke en krachtige steun uit voor een volledige implementering van
de godsdienstvrijheid. Van een volledig andere hoedanigheid zijn
de reserves tegenover het secularisme vanwege sommige islamistische
auteurs die het “islamitische systeem” (waarvan de contouren
weliswaar heel vaag blijven) uitspelen tegen de seculiere rechtsstaat
als een superieur alternatief. In hun voorstellen van politieke
constituties beschikken moslims en niet-moslims van bij de aanvang over
een verschillend juridisch en politiek statuut. De invloedrijke
Pakistaanse schrijver Abu al- cAla’ al-Mawdudi,
bijvoorbeeld, die twintig jaar na zijn dood reeds een klassieker is van
het islamisme, pleit voor een islamitische “theo-democratie”.
Hierin dient de gemeenschap der gelovigen op te treden als collectieve
stedehouder Gods op aarde, ten einde de aanwijzingen van de sharia
politiek en juridisch door te voeren[4].
De uitdrukking “theo-democratie” duidt aan dat al-Mawdudi’s
politieke opzet erin bestaat een democratische versie te vestigen van
een theocratie die strikt tegengesteld is aan seculiere concepten van
democratie en mensenrechten. Hoewel al-Mawdudi sommige rechten
erkent van niet-moslimminderheden, is het hem primair te doen om een
democratie voor moslims. Alle politieke en militaire
sleutelfuncties in de staat moeten volgens hem voorbehouden blijven aan
geloofsgetrouwe moslims; alleen zij kunnen de religieus-normatieve
grondslagen van de constitutie begrijpen en consequent realiseren, en
dus de “theo-democratische” legitimiteit van de islamitische constitutie
waarborgen[5].
Nog radicaler dan al-Mawdudi is Sayyid Qutb, in 1966
terechtgesteld als martelaar van de Egyptische Moslimbroederschap.
Zijn politieke strijd is gericht tegen de “jâhiliyya” , dat wil
zeggen de heidense “onwetendheid”, die in de traditionele islam
als benaming gold voor de pre-islamitische periode. Qutb, evenwel, en
al-Mawdudi gebruiken de term om al zulke voorstellingen en praktijken te
stigmatiseren, met inbegrip van een aantal liberaal islamitische, die
niet passen in hun ideologisch begrip van de islam[6].
Ook de lekenstaat, die geen goddelijk maar wereldlijk recht tot
grondslag heeft, is volgens Qutb uitdrukking van goddeloze jahiliyya en
een illegitieme usurpatie van de goddelijke soevereiniteit. Hij
dient daarom door de moslims met alle beslistheid bestreden te
worden.
De polemische geschriften van al-Mawdudi
en Qutb werden in tal van talen vertaald en kunnen gevonden worden op de
boekenplanken van vele islamitische organisaties; ook onder moslims die
in de Europese diaspora leven, zijn zij verbreid. Zij dragen er
ongetwijfeld toe bij om het onder moslims al bestaande scepticisme over
de lekenstaat nog te versterken.
Een systematische oppositie, echter,
tegen de seculiere staat blijkt beperkt te zijn tot een betrekkelijk
kleine groep onder de moslims die in Europa leven. De meerderheid
daarentegen van Europese moslims is bij machte geweest om zich
betrekkelijk succesvol aan te passen aan de seculiere politieke orde
(wat onzekerheid en ambivalentie in het begrip van de lekenstaat
natuurlijk niet uitsluit). In Duitsland hebben alle belangrijke
islamitische koepelorganisaties herhaaldelijk hun loyauteit betuigd ten
aanzien van de seculiere grondwet. In januari 1999 werd door de
voorzitter van de “Centrale Raad van Moslims in
Duitsland”, dhr. Nadeem Elyas, verklaard:
“Voor islamitische minderheden is een
lekenstaat een aanvaardbare staatsvorm zolang de godsdienstvrijheid
gewaarborgd is”[7].
Bijzonder duidelijk vinden we de positieve houding over de seculiere
rechtsstaat bij de Aleviten, een intern-islamitische minderheid; op
grond van een lange geschiedenis van discriminatie kennen zij de waarde
van het institutionele onderscheid tussen staat en religieuze
gemeenschappen[8].
Opmerkenswaard zijn ook enkele
resultaten van de Bielefeldse “Fundamentalismus-Studie”: 3/4 van
de ondervraagde moslimjongeren van Turkse afkomst verklaarden dat ze met
de mogelijkheden om in Duitsland een godsdienstig leven te leiden
tevreden of zelfs volledig tevreden zijn[9];
2/3 wezen de opvatting af, als zou de godsdienst de politiek eenzijdig
moeten domineren, terwijl tegelijkertijd een meerderheid van ca 60% zich
uitsprak voor het openbaar functioneren van de islam - vergelijkbaar met
de werking van andere publieke instellingen[10].
2. De Lekenstaat: de oplossing
voor een specifiek christelijk probleem?
Ook de tweede, hoger vermelde ideologische
toeëigening van het politieke secularisme, namelijk de transformatie ervan
in een exclusief christelijke realisatie, wordt dikwijls weerspiegeld in
de stellingname van moslimse auteurs of organisaties. Hun argument
is dat de lekenstaat inderdaad een specifiek christelijke oplossing is
voor een specifiek christelijk probleem, namelijk het probleem van het
klerikalisme. In tegenstelling tot het christendom, zo luidt het,
heeft de islam (in alle geval de soennitische islam) nooit een geïnstitutionaliseerde
clerus gehad die vergelijkbaar is met de Katholieke Kerk. Het proces van
de bevrijding van de staat uit de wurggreep van een klerikale hiërarchie
heeft in Europa in de moderne tijd geleid tot de secularisering van de
staat en van het civiele recht. De islam, daarmee vergeleken, kent
dat christelijke probleem niet, heeft daarom nooit de behoefte gevoeld om
een secularisatieproces te ondergaan en dient op die grond ook de
christelijke oplossing van dit probleem niet over te nemen[11].
Het argument dat de islam een clerusvrije
religie is, voert bij gelegenheid ook tot de stelling dat in de islam het
secularisme van de staat in feite altijd al erkend zou zijn. De
verwerping van het politieke secularisme kan op die wijze een
dialectische draai maken, in de bevestiging ervan als een
verwezenlijking waarop de islam sedert haar ontstaan aanspraak kan maken.
Dit soort van erkenning, echter,
blijft totaal abstract. Ze is niet minder abstract dan de algemene
verwerping van het secularisme als een louter christelijk probleem dat
geen enkele relevantie heeft voor moslims. De abstracte erkenning
komt neer op een simpele omhelzing van het politieke secularisme dat
daarmee eenzijdig wordt omgevormd in een “islamitische waarde”,
vergelijkbaar met het oppervlakkig “gedoopte” secularisme dat gepropageerd
is door sommige christelijke theologen. Wat in zulke houding
ontbreekt, is bovenal een kritische confrontatie met die vormen van
religieus autoritarisme die, vaak ook politiek gemanipuleerd, kunnen
aangetroffen worden onder auspiciën van de islam. Deze zorg drukt
alvast Fuad Zakariya uit, wanneer hij schrijft:
“Ongetwijfeld bezit de islam geen equivalent van het
pausdom, maar desondanks zijn er altijd sterke religieuze machtscentra
geweest, en zijn die er nog altijd, waarvan het gezag bij gelegenheid
verder reikt dan dat van de staat”[12].
Voor Zakariya laat de intern-islamitische confrontatie met religieuze en
politieke onvrijheid, door het amalgaam van staatsgeweld en religieuze
autoriteit, nog altijd op zich wachten. Het zou fataal zijn, mochten
moslims zich deze kritische en zelfkritische confrontatie besparen met de
lapidaire verwijzing, dat er in de soennitische islam nooit een clerus
heeft bestaan.
3. Waardering van het Secularisme
vanuit een Islamitisch Perspectief: de Erfenis van Ali
cAbd
al-Raziq.
Een ernstige interislamitische reflectie
over de lekenstaat, zoals Fuad Zakariya vraagt, is ook in de islamistische
context zeker niet volledig nieuw. Reeds in 1925 verscheen een werk
waarin de seculariteit van de staat uitdrukkelijk geëist werd, en dat
uitdrukkelijk op grond van authentiek islamitische argumenten. Het
boek draagt de titel: “De islam en de grondbeginselen van het
staatsgezag”; de naam van de auteur, toenmalig professor aan de
al-Azhar Universiteit in Kaïro,
luidt Ali cAbd al-Raziq (gestorven in 1966)[13].
De concrete aanleiding voor het boek was de afschaffing van het kalifaat
door Mustafa Kemal Atatürk in 1924. Hoewel de afzetting van de
laatste kalief een daad van machtspolitiek was en zeker geen religieuze
hervormingsmaatregel, ziet cAbd al-Raziq in de val van het
kalifaat een kans voor de islam. Hij wijst erop dat de Koran geen
gedetailleerde aanwijzingen bevat, hoe een staat moet ingericht en geleid
worden[14].
Als het waar is dat de Koran het finale en volledige openbaringsboek is,
volgt daaruit dat staatspolitiek niét behoort tot de kernboodschap van de
islam[15].
cAbd al-Raziq trekt bijgevolg een duidelijke lijn tussen de
profetische en de politieke rol van Mohammed. Terwijl Mohammed als het
“zegel der profeten” een tijdloze religieuze autoriteit
vertegenwoordigt, was zijn rol als politiek leider het gevolg van de
historische omstandigheden van de eerste islamitische gemeenschap in
Medina. “Op geen enkel ogenblik in zijn
leven alludeerde de Profeet op iets wat een ‘Islamitische staat’ of een
‘Arabische staat’ kon worden genoemd. Het zou heiligschennis
zijn daar anders over te denken. De Profeet verliet deze aarde niet
vooraleer hij de missie die hem was toevertrouwd door God, volledig
vervuld had en hij de religieuze voorschriften in hun totaliteit had
uitgelegd aan zijn volk, zonder daarbij ook maar enige kwestie vaag of
dubbelzinnig te laten”[16].
cAbd al-Raziq argumenteert verder dat de aanspraken van de
kalief, te regeren als “de opvolger van God op aarde en als diens
schaduw over zijn dienaars”, neerkomen op idolatrie - wat één van de
ergste zonden is in de islam, aangezien het de uniciteit en de
transcendentie van God loochent[17].
Vandaar zijn conclusie dat het einde van het kalifaat kan worden beschouwd
als een bevrijding voor de islam: “Moslims hebben
de vrijheid dit versleten systeem (van het kalifaat) af te breken, voor
het welke zij zichzelf verlaagd en vernederd hebben. Zij zijn vrij
de grondslagen van hun koninkrijk en de organisatie van hun staat te
vestigen volgens meer hedendaagse concepties van de menselijke geest”[18].
In de traditie van cAbd
al-Raziq staan vandaag bijvoorbeeld zijn Egyptische landgenoten
Muhammad Said al-Ashmawy, Nasr Hamid Abu Zaid en Fuad
Zakariya: met verschillende accenten staan zij voor de seculariteit
van recht en staat vanuit een islamitisch perspectief. Al-Ashmawy
bestempelt de verwarring van religie met staatspolitiek als een
“perversiteit”[19].
Gelijk welke sacralisering van de staatspolitiek moet zowel voor de
politiek als voor de religie vernietigende gevolgen hebben. Zoals de
ervaring ons leert, mondt politieke heerschappij die door sacralisering geïmmuniseerd
werd tegen kritische in vraagstelling, gewoonlijk uit in despotisme.
Tegelijkertijd verwordt de religie tot een werktuig van machtspolitieke
strategieën en intriges. Behalve door zulke ervaringen van misbruik,
is volgens al-Ashmawy een theocratische heerschappij reeds door haar
aanspraken in tegenstrijd met de centrale boodschap van de Koran,
voornamelijk met het strenge monotheïsme:
in het licht van dat laatste moet theocratie verschijnen als een vorm van
godslastering omdat Gods naam daardoor verlaagd wordt tot op het niveau
van de politieke machtsstrijd tussen mensen.
In Abu Zaids kritiek op het heersende
religieuze discours wordt gewezen op een strategisch gemotiveerde
vermenging van twee verschillende niveaus: de institutionele scheiding
tussen staat en kerk, respectievelijk tussen staat en religieuze
gemeenschappen, die haar basis heeft in het moderne secularisme, wordt
door conservatieven en islamisten verkeerdelijk gelijkgeschakeld aan een
scheiding tussen het geloof, enerzijds, en het leven en de samenleving,
anderzijds[20].
In de openbare mening, die beïnvloed
is door het heersende religieuze discours, verschijnt het secularisme
tenslotte als een equivalent voor het atheïsme[21].
Daartegenover plaatst Abu Zaid een
begrip van secularisme dat niet gericht is “tegen
de religie, maar tegen de heerschappij van de religie over alle domeinen”[22],
en dat concreet de politieke macht van de theologen moet inperken.
Met de eis tot secularisering van het publieke recht wil Abu Zaid de
religie niet verdringen uit de openbaarheid, maar wil hij het religieuze
discours bevrijden uit de wurggreep van politieke instellingen en
ideologieën, om het juist daardoor als een vrij discours te vestigen.
Een dergelijk begrip van seculariteit
presenteert ook Fuad Zakariya. De antithese die door vele islamisten
wordt verkondigd, namelijk tussen “goddelijk recht” en
“menselijk recht”, wordt door hem ontmaskerd als een ideologische
constructie. Ook zij die een beroep doen op goddelijk recht om
zichzelf en hun politieke positie te legitimeren, zijn en blijven feilbare
en eindige menselijke wezens. Zij weigeren echter hun feilbaarheid
te erkennen en hun politieke voorstellen te onderwerpen aan een openbare
democratische kritiek.
“Het ware alternatief”, aldus Zakariya,
“is er niet een tussen goddelijk recht... en menselijk recht. Het
is het alternatief tussen twee versies van menselijk recht: de ene erkent
openlijk menselijk te zijn, terwijl de andere pretendeert te spreken in de
naam van de goddelijke openbaring. Deze laatste versie van menselijk
recht is gevaarlijk want ze neigt ertoe haar
particuliere stellingen te baseren op goddelijk recht, waardoor ze aan
haar passies en vergissingen een heiligheid en onfeilbaarheid toedicht
waarop ze geen recht heeft”[23].
Daartegenover verstaat Zakariya het moderne secularisme als een
politiek ordeningsprincipe dat wél recht doet aan de feilbaarheid van de
mens en dat het attribuut van onfeilbaarheid enkel aan God overlaat:
“De secularisering weigert van de mens een god te
maken of een onfeilbaar wezen. Tegelijkertijd erkent zij de grenzen
van het menselijke verstand en is ze zich bewust van de onvolmaaktheid van
politieke en maatschappelijke systemen”[24].
Het politiek secularisme kan dus begrepen worden als een uiting van
respect voor de transcendentie van de ene God wiens ondoorgrondelijke wil
nooit zou mogen geïnstrumentaliseerd
worden voor de doelstellingen van machtspolitiek.
IV.
Conclusie.
Hoe populair vandaag een expliciet
islamitische waardering is van het politieke secularisme in de traditie
van Ali cAbd al-Raziq, onder moslims in het algemeen en onder
moslimminderheden in Europa in het bijzonder, is moeilijk te bepalen.
In elk geval kan het besef dat een dergelijke kritische appreciatie
van de lekenstaat mogelijk is en ook daadwerkelijk bestaat, ten minste het
nog breed verbreide stereotype helpen overwinnen dat de islam per se
gekant is tegen de lekenstaat. Tegenover dit stereotype mag terecht worden
ingebracht dat verwerping of bevestiging van het secularisme niet
eenvoudigweg voortvloeit uit bestaande theologische doctrines, maar in
belangrijke mate afhankelijk is van individuele en collectieve
leerprocessen. Voor zulke leerprocessen, echter, dragen alle
stromingen in de samenleving verantwoordelijkheid.
Wat niet-moslims kunnen doen om, minstens
indirect, het islamitisch debat over de lekenstaat te ondersteunen, is
trachten de ideologische tendenties te overkomen, waarover ik het hoger
had. De seculariteit van de rechtsstaat is een groot, maar ook een precair
goed. Als vrijheidsprincipe van de democratie kan zij zich enkel dan waar
maken, indien we haar als politieke uitdaging ernstig nemen. Het
komt er daarom in de eerste plaats op aan, de vrijheidsaanspraken van de
lekenstaat kritisch te verduidelijken tegen de ideologische en
culturalistische reducties ervan.
Het moet duidelijk worden gemaakt dat het
secularisme van de rechtsstaat essentieel verschilt van, en in feite zelfs
tegengesteld is aan de antireligieuze, cryptoreligieuze of postreligieuze
ideologieën die vaak figureren onder het etiket van “secularisme”.
Het politieke secularisme, zo moet verder worden opgemerkt, is het er
geenszins om te doen de religie te verbannen uit de publieke sfeer.
Het is dus noch de uitdrukking van een laïcistische
vooruitgangsideologie noch een onderdeel van een politiek van
staatscontrole. Met betrekking tot het universele recht op
godsdienstvrijheid, waarop de lekenstaat gegrondvest is, dienen ook alle
pretenties te worden bestreden van een een exclusief “westers” of
“christelijk” erfgoed ter regeling van de relatie tussen de staat en de
religieuze gemeenschappen. Dergelijke pretenties ondermijnen het
rechtsprincipe van respectvolle niet-vereenzelviging. Op de grondslagen
van een dergelijke principiële verheldering kan dan een productief gesprek
plaats vinden met moslims - met inbegrip van volgelingen van islamistische
groeperingen. De autoritaire implicaties van islamistische
ideologieën in de aard van al-Mawdudi of Sayyid Qutb moeten daarin op een
open en kritische wijze aan bod komen.
De beste verdediging, echter, van de
lekenstaat bestaat erin de godsdienstvrijheid voor iedereen en in het
bijzonder voor religieuze minderheden ernstig te nemen en haar consequent
in de praktijk te brengen. Zoals alle mensenrechten beoogt ook de
godsdienstvrijheid gelijkberechtiging. Wat Duitsland betreft[25],
zoals bekend, is het voor islamitische organisaties nog altijd wachten op
de toekenning van het statuut van “publiekrechtelijke genootschappen”;
van dat statuut genieten de christelijke kerken reeds lange tijd en in
principe staat het ook open voor andere religieuze gemeenschappen.
Nog afgezien van het prestige dat een dergelijk publiek statuut met zich
meebrengt, gaat het ook gepaard met een aantal praktische voordelen zoals
financiële ondersteuning en aanwezigheid in de publieke media.
Hoewel de eerste aanvragen reeds twintig jaar geleden werden ingediend,
zijn alle pogingen vanwege moslimorganisaties om dit bijzonder statuut te
verwerven tot nu toe zonder resultaat gebleven.
Een probleem dat moslims veel meer
bezighoudt dan het publiekrechtelijk statuut, is de nood aan
islamonderricht in openbare scholen. Overeenkomstig de Duitse
grondwet heeft religieus onderricht in het algemeen het statuut van een
“voorgeschreven opleidingsonderdeel” in openbare scholen. Hoewel
georganiseerd door de staat, beschikken de religieuze gemeenschappen
grondwettelijk over het recht om de inhoud van het religieus onderricht
vast te leggen[26].
Moslimleerlingen, echter, en moslimouders zijn tot dus ver niet bij machte
geweest om van dit grondwettelijke recht te genieten. Sommige Duitse
Länder, zoals Noord-Rijnland-Westfalen, hebben gezorgd voor een
soort van substituut, namelijk optioneel religieus onderricht bij Turkse
taallessen. Behalve het feit dat dit onderricht niet geldt voor
niet-Turkse moslims, is er het probleem dat moslimorganisaties geen zeg
hebben in het programma - een situatie die door sommige juristen als
ongrondwettelijk wordt beschouwd[27].
Deze en andere hindernissen op de weg naar
reële gelijkberechtiging - denken we ook aan de vorming van islamitische
theologen en islamleerkrachten aan staatsuniversiteiten - zijn weliswaar
niet gemakkelijk uit de weg te ruimen. In het geval van de
moslimorganisaties in Duitsland dient ook te worden toegegeven dat zij
deels nog te lijden hebben van de “gastarbeiders” achtergrond
waaruit zij zich tijdens de laatste twee of drie decennia ontwikkelden.
Sommige van deze organisaties ontberen nog de nodige deskundigheid om zich
succesvol te manifesteren in de civiele samenleving.
Bij gelegenheid wordt aan moslimzijde
alleszins ook uiting gegeven aan het gevoelen dat vertegenwoordigers van
het Duitse beleid de onbetwistbare tekortkomingen en problemen misbruiken
als een welgekomen voorwendsel om eisen van de moslims voor onbepaalde
tijd te verdagen. Wanneer zelfs degenen die een islamitisch
godsdienstonderricht verdedigen, graag argumenteren met de
noodzakelijkheid om op deze wijze de private Koranscholen het gras voor de
voeten te kunnen wegmaaien, dan is zoiets een liberale, op de
godsdienstvrijheid gebaseerde rechtsstaat eigenlijk onwaardig.
Het is dringend nodig een duidelijk politiek
signaal te geven, namelijk dat moslims en hun religieuze organisaties een
integraal bestanddeel zijn geworden van een toenemend multireligieuze
samenleving, in Duitsland zowel als in de overige Europese landen.
Ondanks alle onloochenbare moeilijkheden en vele nog onopgehelderde vragen,
is er principieel geen alternatief: moslims moeten de kans krijgen mee
vorm te geven aan deze samenleving, en wel op basis van gelijkwaardigheid.
Wie daarin een gevaar ziet voor de seculiere rechtsorde, heeft niet
begrepen waar het de lekenstaat om te doen is.
_________________________
Literatuurlijst
Abd al-Raziq, Ali ,“L’Islam
et les bases du pouvoir”, in: Revue des Études Islamiques, VII
(1933), pp. 353-391,
en VIII (1934), pp. 163-222.
Abd al-Raziq, Ali,
“The Caliphate and the Bases of Power” (Extracts),
in: John J.Donohue & John L.Esposito (edd.), Islam
in Transition. Muslim Perspectives (Oxford: Oxford UP, 1982),
pp. 29-37.
Abderraziq, Ali, L’islam
et les fondements du pouvoir. Nouvelle traduction et
introduction de Abdou Filali-Ansary. Paris: La Découverte (Textes
à
l’appui. Série islam et société),
1994.
Abu Zaid, Nasr Hamid,
Islam und Politik. Kritik des religiösen Diskurses (Frankfurt
a.M.: dipa-Verlag, 1996).
al-Ashmawy, Muhammad
Said, L’islamisme contre l’islam (Paris: La Découverte, 1989).
al-Mawdudi, Abu ‘l-
cAla’, The Islamic Law and Constitution (Lahore:
Islamic Publications, 3rd edition, 1967).
An-Na’im, Abdullahi
Ahmed, Toward an Islamic Reformation. Civil Liberties, Human
Rights, and International Law (New York: Syracuse University Press,
1990).
Bielefeldt, Heiner, Philosophie der
Menschenrechte. Grundlagen eines weltweiten Freiheitsethos
(Darmstadt: Wissenschaftliche Buchgesellschaft, 1998).
Bielefeldt, Heiner,
“‘Western’ Versus ‘Islamic’ Human Rights Conceptions? A Critique of
Cultural Essentialism in the Debate on Human Rights”, in:
Political Theory, vol. 28.1 (February 2000), pp. 90-121.
Casanova, José, Public
Religions in the Modern World (Chicago: University of Chicago Press,
1994).
Casanova, José,
“Chancen und Gefahren öffentlicher Religion. Ost- und West-Europa im
Vergleich”,in: Otto Kallscheuer (ed.), Das Europa der Religionen.
Ein Kontinent zwischen Säkularisierung und Fundamentalismus (Frankfurt
a.M.: Fischer, 1996), pp. 181-210
Dilcher, Gerhard, & Ilse
Staff (edd.), Christentum und modernes Recht. Beiträge zum
Problem der Säkularisierung (Frankfurt a.M.: Suhrkamp, 1984).
Dworkin,Ronald,
Taking Rights Seriously (Cambridge, Mass.: Harvard UP, 1977).
Elyas, Nadeem, “Integration ist keine
Einbahnstrasse”, in: Kai Hafez en Udo Steinbach (edd.), Juden und
Muslime in Deutschland. Minderheitendialog als Zukunftsaufgabe (Hamburg:
Deutsches Orient-Institut, 1999), pp. 16-20.
Haddad, Yvonne Y.,“Sayyid
Qutb: Ideologue of the Islamic Revival”, in: John L.Esposito (ed.),
Voices of Resurgent Islam (Oxford: Oxford UP, 1983), pp. 67-98.
Hassan, Riffat, “On
Human Rights and the Qur’anic Perspective”, in: Arlene Swidler (ed.),
Human Rights in Religious Traditions (New York: The Pilgrim Press,
1982), pp. 51-65.
Heitmeyer, Wilhelm,
Joachim Müller & Helmut Schröder, Verlockender Fundamentalismus.
Türkische Jugendliche in Deutschland (Frankfurt: Suhrkamp, 1997).
Hilpert, Konrad, Die Menschenrechte.
Geschichte - Theologie - Aktualität (Düsseldorf: Patmos, 1991).
Huntington, Samuel P.,The
Clash of Civilizations and the Remaking of World Order (New York:
Simon & Schuster, 1996).
Khoury, Adel Theodor,
Toleranz im Islam (Mainz: Grünewald/München: Kaiser, 1980).
Loschelder, Wolfgang, “Der Islam
und die religionsrechtliche Ordnung des Grundgesetzes”, in: Essener
Gespräche, vol. 20 (1986), pp. 149-176.
Lübbe, Hermann, Säkularisierung.
Geschichte eines ideenpolitischen Begriffs (Freiburg i.Br./München:
Alber, 1965).
Luf, Gerhard, “Die religiöse
Freiheit und der Rechtscharakter der Menschenrechte”, in: Joh.
Schwartländer (1993), pp.
72-92.
Mayer, Ann Elizabeth,
Islam and Human Rights. Tradition and Politics (Boulder:
Westview Press, 1991).
Nonneman, Gerd, Tim
Niblock & Bogdan Szajkowski (edd.), Muslim Communities in the New
Europe (Berkshire: Ithaca Press, 1997).
Pannenberg, Wolfgang,
“Civil Religion?
Religionsfreiheit und pluralistischer staat: Das
theologische Fundament der Gesellschaft”, in:
Peter Koslowski (ed.), Die religiöse Dimension
der Gesellschaft. Religion
und ihre Theorien (Tübingen:
Mohr-Siebeck, 1985), pp. 63-75.
Potz, Richard, Die
Religionsfreiheit in Staaten mit westlich-christlicher Tradition, in:
Johannes Schwartländer (1993), pp. 119-134.
Rawls, John, Political
Liberalism (New York: Columbia UP, 1993).
Schwartländer,
Johannes (ed.), Freiheit der Religion.
Christentum und Islam unter dem
Anspruch der Menschenrechte (Mainz: Grünewald,
1993).
W.A.R.Shadid & P.S.van
Koningsveld, Religious Freedom and the Position of Islam in Western
Europe. Opportunities and Obstacles in the Acquisition of Equal
Rights (Kampen: Kok Pharos, 1995)
Talbi, Mohamed, “Religionsfreiheit
- Recht des Menschen oder Berufung des Menschen?”,in: Schwartländer
(1993), pp. 242-260.
Talbi, Mohamed,
Plaidoyer pour un islam moderne. (Coll. Islam et Humanisme),
Casablanca, Ed. Le Fennec, 1996.
Tan, Dursun, “Aleviten in Deutschland.
Zwischen Selbstethnisierung und Emanzipation”, in: Gerdien Jonker (ed.),
Kern und Rand. Religiöse Minderkeiten aus der Türkei in
Deutschland (Berlin: Verlag Das Arabische Buch, 1999), pp.
65-88.
Tibi, Bassam, Im Schatten Allahs. Der
Islam und die Menschenrechte (München/Zürich: Piper 1994).
Vertovec, Steven, & Ceri
Peach (edd.), Islam in Europe. The Politics of Religion and
Community (London: MacMillan, 1997).
Zakariya, Fouad, Laïcité
ou islamisme. Les Arabes
à
l’heure du choix
(Paris: La Découverte, 1989).
DEEL 1
NOTEN:
[1] Mohamed
Talbi, “Religionsfreiheit - Recht des Menschen
oder Berufung des Menschen?”, in:
Schwartländer (ed.), Freiheit der Religion, o.c., pp.
242-260, hier p. 259.
[2] Riffat
Hassan, “On Human Rights and the Qur’anic Perspective”, in:
Arlene Swidler (ed.), Human Rights in Religious Traditions (New
York: The Pilgrim Press, 1982), pp. 51-65, hier p. 53.
[3] cAbdullahi
Ahmed An-Na’im, Toward an Islamic Reformation. Civil Liberties,
Human Rights, and International Law (New York: Syracuse University
Press, 1990), p. 10. [Na in 1985
Sudan te hebben moeten verlaten, doceert Prof. An-Na’im vandaag
Vergelijkend en Islamitisch recht en “Islam en politiek” aan de
Faculteit Rechten van de Emory Universiteit van Atlanta (USA)]
[4] Cf.
Abu ‘l- cAla’ al-Mawdudi, The Islamic Law and Constitution
(Lahore: Islamic Publications, 3rd edition, 1967), pp. 147vv.
[6] Cf. Yvonne Y.Haddad, “Sayyid Qutb: Ideologue of the Islamic Revival”,
in: John L.Esposito (ed.), Voices of Resurgent Islam (Oxford:
Oxford UP, 1983), pp. 67-98. Zie de
Nederlandse vertaling, Sayyid Qutb, Mijlpalen. Fasen van het
islamitisch bewustzijn (Rabbani Press, s.d.).
[7] Nadeem
Elyas, “Integration ist keine Einbahnstrasse”, in: Kai Hafez en
Udo Steinbach (edd.), Juden und Muslime in Deutschland. Minderheitendialog als Zukunftsaufgabe (Hamburg: Deutsches
Orient-Institut, 1999), pp. 16-20, hier p.19.
[8] Cf. Dursun Tan, “Aleviten in Deutschland. Zwischen
Selbstethnisierung und Emanzipation”, in: Gerdien Jonker (ed.),
Kern und Rand. Religiöse Minderheiten aus der Türkei in
Deutschland (Berlin: Verlag Das Arabische Buch, 1999) pp.
65-88.
[9] Cf. Wilhelm
Heitmeyer, Joachim Müller, Helmut Schröder, Verlockender
Fundamentalismus. Türkische Jugendliche in Deutschland (Frankfurt:
Suhrkamp, 1997), pp. 103-104.
[11] Ook
al-Mawdudi benadrukt dat zijn begrip van “theo-democratie” op
geen enkele wijze vergelijkbaar zou zijn met het Westerse clericalisme.
Zie op.cit., p. 147: “...Islamitische theocratie is iets
totaal verschillend van de theocratie waarmee Europa een pijnlijke
ervaring heeft gehad; een priesterklasse, scherp afgebakend van de rest
van de bevolking, oefent daarin een ongecontroleerde heerschappij uit en
vaardigt in de naam van God wetten uit die
ze zelf opgesteld heeft...”.
[12] Fuad
Zakariya, Laïcité
ou islamisme. Les Arabes
à
l’heure du choix
(Paris: La Découverte, 1989), p. 32.
[13] Een
volledige Franse vertaling van dit boek (“L’Islam et les bases du
pouvoir”), dat oorspronkelijk in het Arabisch is geschreven, is
beschikbaar in Revue des Études Islamiques, VII (1933), pp.
353-391, en VIII (1934), pp. 163-222.
[14] Ibid.,
deel 2, p. 198.
[15] Ibid.,
deel 2, p. 206.
[16] cAbd
al-Raziq, “The Caliphate and the Bases of Power” (Extracts),
in: John J.Donohue & John L.Esposito (edd.),
Islam in Transition. Muslim Perspectives (Oxford: Oxford UP, 1982),
pp. 29-37, hier p. 34.
[17] cAbd
al-Raziq, (Franse vertaling), deel 1, p. 391; Engelse: p.
36.
[18] Franse
vertaling, p. 391; Engelse vertaling, p.
37.
[19] Cf.
Muhammad Said al-Ashmawy, L’islamisme contre l’islam (Paris: La
Découverte, 1989), p.
11.
[20] Nasr
Hamid Abu Zaid, Islam und Politik. Kritik des religiösen Diskurses
(Frankfurt a.M.: dipa-Verlag, 1996), p. 26vv.
[22] Abu
Zaid, “Die Befreiung des Korans” (Interview met Navid Kermani),
in: Abu Zaid, op.cit., pp.
191-213, hier p. 207.
[23] Zakariya,
op.cit., p. 115.
[25] Zie voor
wat volgt, Wolfgang Loschelder “Der Islam und die religionsrechtliche
Ordnung des Grundgesetzes”, in: Essener Gespräche, vol.
20 (1986), pp. 149-176.
[26] Zie
Artikel 7.3 van de Duitse Grondwet.
[27] Ten einde
de huidige situatie te verklaren, wijst de bestuurlijke overheid over
het algemeen op het feit dat moslimassociaties nog altijd tekort
schieten in zake institutionele stabiliteit en transparantie, met als
gevolg dat een officiële samenwerking moeilijk zo niet onmogelijk is.
Wat de situatie nog complexer maakt, is het feit dat onderwijskwesties
in Duitsland tot de bevoegdheid behoren van de afzonderlijke Länder
(16, sedert de Duitse eenmaking).
|