|
 |
HOOFDSTUK 1:
Het Archaïsche Natuurdenken:
Thales tot Demokritos
|
Inhoud:
1. Inleiding: Filosofie en Polis
1.1.
"Persoonlijk"
1.2.
"Ideologisch"
1.3. "Filosofisch"
1.4.
"Historisch-Psychologisch"
2. De Ionische Natuurdenkers
2.1. De Milesiërs:
2.1.1.
Thales
2.1.2.
Anaximandros
2.1.3.
Anaximenes
2.2. Herakleitos
van Efese
2.2.1.
Geld en Vuurleer
2.2.2.
De "Lógos" als Metafoor
2.2.3.
"Psuchè" en Zelfbewustzijn
2.2.4.
Epiloog.
3. Parmenides en het "Redden der
Fenomenen"
3.1.
Parmenides' thesis
3.2.
"Lógos" versus "Dóxa"
3.3. Demokritos' Atomisme.
4. Epiloog.
1.
Inleiding: Filosofie en Polis
"De
mens is naar natuur een politiek dier". Ook vandaag nog
is deze uitspraak van Aristoteles alom bekend.[1] Teruggeplaatst in haar
historische context, geeft ze op kernachtige wijze uitdrukking aan de
dominantie en alomvattendheid, in de klassiek-Griekse samenleving, van
het "politieke", of "politische". Mens-zijn, in al zijn positieve en
actieve aspecten, viel binnen de zelfperceptie van de Helleen samen met
het (volwaardig) lidmaatschap van een πόλις
(polis)[2],
d.w.z.
met het actief burger-zijn
(πoλίτης
, polítès)[3] in een
zelfstandige polisgemeenschap. Zoals Aristoteles aansluitend nog
opmerkt: wie naar geaardheid "polisloos" is (wij
zouden zeggen: asociaal is), is geen mens, maar is
ofwel minder dan een mens, en dus zoals een dier, ofwel
méér dan een mens, d.w.z. een god. En wanneer
Sokrates, na zijn terdoodveroordeling (in 399 vK), ondanks het
sterk aandringen van zijn vrienden weigerde uit Athene weg te vluchten en in
ballingschap te gaan in de vreemde, dan was dat, strikt genomen,
géén uiting van zelfverloochening: zoals Platoon
het hem laat verwoorden, was het in tegendeel een zaak van het tot haar
uiterste consequentie doordenken van die "politieke logica".
Ik verwijs naar de beroemde "Prosopopee van de Wetten",
in de dialoog, Crito: de Wetten, sprekend namens de
Atheense polis, argumenteren er onder meer dat een eventuele vlucht van
Sokrates een onaanvaardbare daad van contractbreuk en ondankbaarheid
zou zijn, én dat hij als balling hoe dan ook "geen leven"
zou hebben (50E1 e.v., vertaling van X.De Win):
"Als
het waar is dat wij u ter wereld brachten, en voedden, en opleidden,
kunt ge er dan ten eerste iets tegen inbrengen dat gijzelf onze zoon en
onze slaaf zijt, zoals ook uw vaderen het waren
vóór u?... Of moet ge
dààrvoor filosoof zijn, om niet te zien dat het
vaderland een werkelijkheid is, eerbiedwaardiger dan vader en moeder en
al uw verdere voorouders bij elkaar, eerbiedwaardiger en verhevener en
heiliger en hoger in aanzien bij goden en mensen - ik bedoel:
verstandige mensen... Neen, zowel op het gerechtshof als op het
slagveld, als om "t even waar, eist de plicht dat men doet wat staat (polis)
en vaderland bevelen... Dat gij, een oud man, die naar alle
waarschijnlijkheid niet lang meer te leven heeft, het over uw hart
verkregen hebt de hoogste wetten te overtreden om op zo krenterige
wijze aan het leven te hangen... Ge zult leven, ja. Maar hoe?"
De
dominantie van de "politiek" in de oudheid - die
zich laat vergelijken met die van de religie in de
middeleeuwen, en met die van de economie in de
moderne tijd - gold voor alle levensuitingen, alle maatschappelijke
activiteiten van de Helleen. Zij gold bijvoorbeeld voor de religieuze
cultus. Als we de Griekse religie(s) vergelijken met de religies van
het Nabije Oosten - Mesopotamië, en Egypte -, dan valt op dat
in deze laatste de aardse, d.w.z. de menselijke, maatschappelijke
werkelijkheid volledig ondergeschikt wordt gesteld aan een goddelijke
bovenbouw: de mensen zijn er de slaven van de goden (ze werden precies
geschapen om het lastige labeur van de goden over te nemen).
In
tegenstelling tot dit soort van " kosmische"
religie, was de Griekse, in al haar polytheïstische
veelvormigheid, veeleer een civiele
of
politieke religie. In het ritueel ervan werd de celebrant
niet aan zijn sociale groep ontrukt en opgenomen in een aparte
priesterkaste, maar werden hij en zijn medeburgers integendeel des te
beter geïntegreerd in het maatschappelijk verband. Het publieke priesterambt, vandaar, was
een politiek ambt dat, in Athene, zoals omzeggens
alle ambten jaarlijks bij loting aan burgers werd toegewezen.
De godheid, bovendien, tot wie rituelen zich richtten, kan
in haar polymorfie bestempeld worden als een verpersoonlijking van de
belangen en verschijningsvormen van de polis. Zoals het
geformuleerd wordt in een vergelijkende sociologische studie over Egypte
en klassiek Athene (E.Carlton, 1977:230):
"Waarop
het werkelijk aankwam, zo schijnt het, was de cultus van de polis. De
'echte' religie van de Atheners was misschien niet zozeer het
Olympianisme als wel het Athenaïsme"[4].
De
hegemonie van het politieke gold ook de andere terreinen van het
menselijke handelen: economie, kunst, literatuur (zie bijvoorbeeld het
Attische drama: tragedie en komedie) en... filosofie. Ook deze laatste
was, naar oorsprong en geaardheid, een geesteskind van de polis, was
naar wezen een "politieke filosofie". Vergelijkbaar met de rol van de
theologie in de middeleeuwse, (christelijke) "religieuze" filosofie -
namelijk als de wetenschap die alle andere disciplines overkoepelde en
hiërarchisch onder zich subsumeerde -,[5] werd door Aristoteles, in zijn Nikomachische
Ethiek (I.1, 1094a27 e.v.), de politikè
(téchnè) uitgeroepen tot "de
meest gezaghebbende en meest architectonische wetenschap":
"want
zij is het die bepaalt welke wetenschappen in de polis beoefend dienen
te worden en welke door de verschillende burgers dienen aangeleerd, en
in welke mate; bovendien zien we dat de meest prestigieuze kundigheden
aan haar ondergeschikt zijn, zoals de krijgskunde, de huishoudkunde en
de welsprekendheid; en omdat zij het is die de beschikking heeft over
de overige wetenschappen en daarenboven wettelijk stipuleert wat men te
doen en te laten heeft, zal hààr doel wel dat van alle andere omvatten
en dientengevolge hét menselijke goede zijn".
In
het algemeen kan dat "politieke" karakter van de Griekse filosofie -
alleszins tot Aristoteles - op verschillende niveaus worden geëvalueerd. In
wat volgt, doen we dat vanuit vier gezichtspunten; het vierde ervan
wordt, hegeliaans, als een soort van "Aufhebung"
van de vorige drie gepresenteerd. Gemakshalve beperken we ons tot het
ontstaan en de eerste ontwikkeling ervan, in de archaïsche
periode.
1.1. "Persoonlijk":
Een
eerste perspectief van waaruit de relatie tussen filosofie en
maatschappij kan worden bekeken, is natuurlijk dat van de persoonlijke
betrokkenheid van de auteur bij het politiek-maatschappelijke
gebeuren. Wat de zogenaamde Voorsokratici in dit verband betreft,
bezitten we voor de meeste onder hen aanwijzingen waaruit moet blijken
dat zij een positieve houding aannamen t.a.v. het polisregime, voor
zover ze al niet zelf actief betrokken waren bij de vestiging, uitbouw
of verdediging ervan. Dat geldt bijvoorbeeld voor figuren als Thales,
Anaximandros, Parmenides, Melissos, Empedokles, Protagoras en
Demokritos. Ter illustratie kan op naam van deze laatste (burger van
Abdera, in Thrakië, en actief in de 2de helft van de 5de eeuw)
een aforisme worden geciteerd, waarin hij zijn voorkeur uitspreekt voor
de polisdemocratie (fr. D-K 68 B 251):
"Armoede
in een democratie is in even grote mate superieur aan zogenaamd
gelukkig-zijn bij de vorsten, als vrijheid superieur is aan slavernij"
[6].
De
enige belangrijke uitzondering op die regel, zo lijkt het althans, was Herakleitos
van Ephesos (Efese of Efeze, begin 5de eeuw). Van
"koninklijken bloede", wordt hij traditioneel afgeschilderd
als een onverzoenlijke aristocraat en vijand van het volk (de
dèmos), d.w.z. van de democratie. Dat is dan
gebaseerd op van hem bewaarde uitspraken als:
-
"Eén (man) is er mij tienduizenden waard, als hij de beste
(áristos)
is" (D‑K 22 B 49).
-
"De Efesiërs verdienen dat alle volwassenen zich verhangen en
de polis overlaten aan de knapen, zij die Hermotimos, de bekwaamste
onder hen, hebben verbannen, zeggende: "Laat niemand van ons de
bekwaamste zijn, en als hij het toch is, dat hij het dan elders en bij
anderen weze"" (B 121).
Het
feit, evenwel, dat Herakleitos in het efesische, maatschappelijke leven
de rol van "enfant terrible" speelde, hoeft nog
niet te betekenen dat hij een historisch tegenstander was van het zich
vestigende polisregime als zodanig - en dus een voorstander van een
terugkeer naar het pre-politieke regime waarin de traditionele
clanaristocratie het machtsmonopolie had. Herakleitos' tirades tegen "de
massa" - zie frr. B1, 2, 17, 19, 34, 72, 79 e.a. - zijn
voornamelijk filosofisch, en niét zozeer
politiek geïnspireerd: ze zijn gericht tegen iedereen, laag-
of hooggeboren, die geen" gehoor" gaf aan "de
logos" die hij zelf verkondigde. Het ging hem niet zozeer om
de dèmos, "het volk", als een politieke
categorie, maar om "de anderen" in de zin van: de
niet-filosofen. Herakleitos is inderdaad de eerste archaïsche
denker bij wie we een vorm van filosofisch zelfbewustzijn uitgedrukt
vinden. Vandaar dat ook prominente figuren als Homeros, Hesiodos,
Archilochos, Puthagoras, Xenophanes e.a. er bij hem regelmatig moeten aan
geloven (zie frr. B40, 42, 56, 57, 81 en 129). Dergelijke kritiek op
de niet-filosofische, 'natuurlijke' zienswijze zullen we van dan af ook
bij Parmenides, Empedokles, enz. aantreffen en is gewoon een aspect van
de wijze waarop deze denkers de tot dan toe heersende voorstellingen in
vraag stelden.
Wat nog
Herakleitos betreft, trouwens, kunnen tegenover de hoger genoemde ook
andere fragmenten geplaatst worden, zoals:
-
"Vechten moet het volk voor de wet (nómos),
op dezelfde wijze als voor de stadsmuren"
(B 44); en
-
"Wie met verstand wil spreken, moet zich steunen op het algemene, zoals
de polis zich moet steunen op de wet..." (B 114).
De
geschreven wet (nómos) of wettencodex was
inderdaad het belangrijkste fundament van de polis als een nieuw,
politiek regime. Zoals E. Will schrijft[7]:
"Hoezeer
de sociale structuren van polis tot polis ook verschilden, evenals de
tendensen die deze wetgevingen konden aannemen en de mogelijkheden van
toekomstige ontwikkeling: onder een bepaald gezichtspunt kan men de
geschreven wetgeving als het werkelijke en definitieve geboorte-uur van
de polis begrijpen".
Met
de afkondiging van geschreven politieke constituties werd de oorsprong
van de wet uit de handen genomen van de goden - d.w.z. van de
geboorteadel.
Om
deze beschouwing over Herakleitos' politieke opstelling af te ronden:
Gregory Vlastos, in zijn nu al klassiek, gezaghebbend artikel, Equality
and Justice in Early Greek Cosmologies (1974:71), meent,
voorzichtig, te kunnen besluiten dat deze denker wellicht een
"gematigde" of beperkte democratie voorstond. Zelf zouden we willen
pleiten voor een ideologische koppeling aan de (archaïsche)
tirannie (turannís) - maar dan begrepen
als een overgangsregime dat de doorvoering van de polisdemocratie
historisch heeft mogelijk gemaakt.[8]
1.2. "Ideologisch":
Net
zoals voor de religie, kan ook voor de filosofie geargumenteerd worden
dat zij ontstaan en ontwikkeld is als ideologische legitimatie en
ondersteuning van politieke programma's in de polis - ter aflossing dan van
de mythologie die een soortgelijke functie had vervuld ten gunste van
de geboorteadel. Dat is met name de visie van B.Frischer, in het
inleidend hoofdstuk, "Philosophy and Society in Greece",
van zijn studie van het epicureïsme, The Sculpted
Word (1982).[9]
Indien
we wérkelijk willen begrijpen, aldus Frischer, waarom de
filosofie tot ontwikkeling kwam in de Griekse wereld, moeten we zoeken "naar
de bijzondere ideologische behoeften die konden bevredigd worden door
de creatie van wat later filosofie zou worden genoemd" (p.
16). Toegepast op de Thales, de "archegeet" van de
filosofie (aldus Aristoteles), resulteert dat in de volgende 'verklaring':[10]
"Welke
reden Thales ook had om te stellen dat water de oersubstantie was
waaruit alle materie en leven ontstond, zijn reden voor het
ontmythologiseren van kosmogonie en kosmologie is duidelijk. In een
stadstaat levend die geregeerd werd door Thrasuboulos,
één van Ionië's eerste tirannen, brengt
Thales een nieuwe ideologie naar voren die diens nieuwe dominerende
klasse van niet-aristocratische hoplieten steunt door gedaan te maken
met de aristocratische mythe van afstamming van de goden die de wereld
schiepen... Of we nu wel, of niet geloof hechten aan het interessante
bericht (D.L. I,27),... dat Thales zelfs samenleefde met Thrasuboulos,
zijn filosofisch programma dienen we te begrijpen als politieke
collaboratie, opgezet om een dwingende ideologie te verschaffen voor
Thrasuboulos' tirannie".
Toch
lijkt dergelijke functionalistische verklaring niet volledig
bevredigend (net zo min trouwens als ze dat is voor het ontstaan van religie,
staat, enz.). Niet alleen poneert zij een nogal simpele (simplistische)
relatie tussen politieke praktijk en filosofische theorie, maar zoals
elk functionalisme 'spant ze de wagen vóór het
paard': de oorsprong van het betreffende maatschappelijke fenomeen -
hier de filosofie - wordt 'verklaard' door middel van de gevolgen
ervan
- hier het legitimerend effect ten gunste van het nieuwe politieke
regime van Thrasuboulos. Als ontstaansverklaring moet deze benadering
dus afgewezen worden, maar het feit dát filosoof en filosofie,
net zoals de religie, een ideologisch-legitimerende functie kunnen
hebben, kan vandaag minder dan ooit betwist worden.[11]
1.3. filosofisch:
De
verbondenheid tussen filosoof en polis beperkt zich niet tot
voornoemde, veeleer (filosofie-)externe relaties - persoonlijk en/of
functioneel - tot het politieke domein: ze blijkt ook, en vooral,
"intern", d.w.z. op het eigen filosofische domein, inhoudelijk zowel
als formeel.
Wat
het inhoudelijke aspect betreft, heeft Vlastos in zijn al vermeld
artikel, Equality and Justice in Early Greek Cosmologies, aangetoond hoe
de basisprincipes van het polisregime door de natuurdenkers
getransponeerd zijn van het politieke naar het filosofische domein - d.w.z. gebruikt zijn voor de constructie van de
natuurlijke werkelijkheid, de "phúsis",
tot een kosmische rechtsstaat. Een gelijkaardige relatie tussen de
polisdemocratie en het ontstaan van een nieuw, filosofisch denken
wordt ook gelegd door bijvoorbeeld G.E.R.Lloyd.[12] Tegenover de "noodzakelijke
voorwaarden" - zoals schrift, technologische vernieuwingen,
economisch surplus en contacten met de oude culturen van het Nabije
Oosten - lag z.i. de "voldoende voorwaarde" voor
het ontstaan van een abstract denken (voorwaarde die dus zoveel als de differentia
specifica uitmaakte, in vergelijking met de oosterse
culturen) in de vestiging van "participatorische
bestuursvormen", d.w.z. van de polisdemocratie.
Frischer
(1982:16) maakt bezwaar tegen dergelijke benadering omdat het ontstaan
van de Griekse filosofie op die manier als "maatschappelijk
parasitair" wordt beschouwd: de filosofische ontwikkeling
teert op, komt pas nà, de politiek-maatschappelijke
veranderingen.[13]
Maar het is vooral vanuit historisch oogpunt dat bovenvermelde visie
bedenkingen oproept. Vlastos en Lloyd beschouwen de polisdemocratie
teveel als een gegeven maatschappelijk kader op het
ogenblik dat de natuurdenkers hun theorieën ontwikkelden; ze
hebben onvoldoende oog voor de moeizame, vaak gewelddadige,
maatschappelijke ontwikkelingen waarvan een dergelijk regime eventueel
het resultaat was. Van die ontwikkelingen, evenwel, vormde het
natuurdenken niet louter een passieve weerspiegeling: het was ook zelf
een actief element in die transformatie. Het Milete van Thales,
Anaximandros en Anaximenes was weliswaar op tal van vlakken -
commercieel, militair, cultureel, enz. - betrekkelijk geavanceerd, maar
op het politieke vlak was er geen sprake van een gerealiseerde
polisdemocratie, wel integendeel. Na de tirannie van de al vermelde
Thrasuboulos verviel het in een 60 jaar durende, volgens de latere
overlevering bijzonder wreedaardige burgeroorlog. Die tijdspanne viel
zo goed als samen met het leven van Anaximandros...
1.4. "Historisch-psychologisch":
Frischer
(l.c.) merkt terecht op dat een beter begrip van het ontstaans- en
ontwikkelingsproces van de Griekse filosofie vereist dat we die
filosofie als "maatschappelijk functioneel, niét
parasitair" beschouwen en meer aandacht schenken aan de
concrete, historische situatie waarin zij verschijnt. Hij begaat
evenwel de vergissing, die maatschappelijke betekenis van de filosofie
- en in zekere zin filosofie tout court - te
herleiden tot ideologie (in de zin van politieke
legitimatie). De filosoof wordt daardoor tot louter spreekbuis,
belangenbehartiger of propagandist van een bepaalde politieke partij of
van de politieke machthebbers, en alle filosofie tot louter een
instrument in dienst van de politiek. Dergelijk "totalitarisme
van de politiek" (maar dan in de moderne zin van dat woord)
doet zich nog dagelijks voor, ook bij ons. Voorbeelden uit het verleden
(zoals het stalinisme) tonen duidelijk aan dat zo iets onvermijdelijk
gepaard gaat met een degradatie van het denken tot retoriek en dus tot
het einde van de filosofie.[14]
De
eenzijdigheid van Frischers ideologische visie, zowel als de
tekortkomingen van Vlastos' en Lloyds benadering kunnen m.i. overwonnen
worden in wat ik, faute de mieux, een "historisch-psychologische" benadering wil noemen.
De
economische, sociale, politieke, culturele én intellectuele
ontwikkelingen in de archaïsch-Griekse periode moeten gezien
worden als (momenten van) een totaalproces waarvan de filosofie (d.w.z.
het archaïsche natuurdenken) een volwaardig, integrerend
bestanddeel vormde. Zoals het geformuleerd werd door Cornelius
Castoriadis:[15]
"het
is dezélfde beweging die, vanaf het begin van de 7de eeuw,
tegelijk de politieke en maatschappelijke instellingen én de
tot dan toe onbetwiste ideeën en voorstellingen aan het
wankelen brengt,... in en door dewelke terzelfder tijd democratie en
filosofie ontstaan".
Met
de polis werd een radicaal nieuw maatschappijtype gevestigd, namelijk
--
waarin boeren, ambachtslui, winkeliers en dagloners, d.w.z. de (vrije)
producenten, als " burgers" politiek in de
gemeenschap geïntegreerd werden - zodat, voor de eerste maal
in de geschiedenis, de sociale scheiding tussen
(vrije) producenten en (geprivilegieerde) aristocratische
consumenten niet meer automatisch was doorgetrokken op het politieke
vlak;
--
waarin niet langer religieus verankerde tradities en
verwantschapsstructuren - traditionele machtsbasis van de geboorteadel
- exclusief het maatschappelijk leven organiseerden, maar geschreven
wetten en politiek-administratieve structuren en relaties;
-- waarin de politieke besluitvorming niet langer monologisch en van
bovenaf, maar dialogisch, door publieke discussie in de
volksvergadering, gestalte kreeg.
Welnu,
dat alles vergde niet alleen politieke strijd en vernietiging van de
bestaande structuren en instellingen. Even noodzakelijk was dat de
traditionele (en religieus gesanctioneerde) collectieve voorstellingen
in vraag werden gesteld. De al geciteerde Castoriadis spreekt in dit
verband van " l'imaginaire social institué",
dat op het ideële vlak precies de reproductie had verzekerd
van de traditionele samenleving. En precies daartoe hebben de
natuurdenkers een onmisbare bijdrage geleverd. Om de (ex-Joegoslavische) marxist Vranicki in dit verband te citeren (1969:46):
"De
oude Ionische filosofen beduidden het gesublimeerde bewustzijn van de
toenmalige revolutionaire maatschappelijke krachten, die een eind
stelden aan de oude tribale en aristocratische (orde) met haar
mythologisch bewustzijn. Aan de tendens tot breuk met de traditionele
maatschappelijke privilegies gaven ze een filosofische basis door het
ondermijnen van dat mythologisch bewustzijn, dat de maatschappelijke
hiërarchie fundeerde in de religieuze. Op die manier openden
ze de weg voor nieuwe ideële en historische ontwikkelingen".
Die
ideële omwenteling, nochtans, moet niet louter gesitueerd
worden op het inhoudelijke, ideologische vlak, maar ook - ik ben
geneigd te zeggen: vooral - op het "formele",
d.w.z.
op het psychologische of cognitieve vlak. Het polisregime bracht een
nieuw maatschappelijk evenwicht tot stand. Dat evenwicht situeerde zich
op een hoger, meer abstract, onpersoonlijk niveau dan dat van de eraan
voorafgaande, 'pre-politieke' samenleving (precies dààrom was het
superieur, o.m. militair, aan de
omringende rijken). Het had daarom als psychologische voorwaarde de
constructie van een nieuwe bewustzijnsvorm, d.w.z. van een nieuwe
cognitieve "equilibratie" (Jean Piaget, zie ook
verder), op het vlak van de interactie tussen mens en werkelijkheid en
tussen de mensen onderling. M.i. is het óók, zo
niet vooral op dít vlak dat de
archaïsche filosofen een actieve, "politieke" bijdrage hebben
geleverd. Daarmee vergeleken mag hun concrete ideologische (wij
zouden zeggen: partijpolitieke) opstelling in zeker opzicht als van
secundair belang worden bestempeld.
In een
dergelijke benadering wordt de historische opdracht van de filosofie
dus niet beperkt tot het leveren van (al dan niet legitimerend)
commentaar, post festum, bij de maatschappelijke
ontwikkelingen: althans in haar creatieve periodes, heeft zij die
ontwikkelingen ook geanticipeerd en/of mee helpen realiseren. Om tot slot
nogmaals Vranicki te citeren (zelfde plaats):
"De
filosofie was dus in haar creatieve periodes nooit louter een gezel van
de revolutie, maar (óók) haar ideële
anticipatie en medeschepper... De filosofie, anders gezegd, start haar
vlucht niét zoals als de uil van Minerva pas in de
avondschemering van het historische gebeuren; veeleer ontdekt zij in
het ochtendgrijs het rood van de opgaande dag."
2.
De Ionische Natuurdenkers
Ontstaan
en ontwikkeling van de Griekse filosofie, zoals hierboven al werd
aangegeven, dienen dus ook als een (historisch) psychologische
of psychogenetische ontwikkeling te worden begrepen. Voor een dergelijke interpretatie
kunnen we een beroep doen op de genetische epistemologie van
de 20ste eeuwse, Zwitserse bioloog, psycholoog
en filosoof, Jean Piaget (1896-1980). Ik
vat diens basisopvattingen zo beknopt mogelijk samen, in een 4-tal punten.
Jean
Piagets "genetische epistemologie":
a.
Alle denken heeft in eerste instantie een biologische
oorsprong, d.w.z. moet gesitueerd worden binnen
de vitale wisselwerking tussen menselijk organisme en omgeving.
Zijn eigenlijk ontstaan vindt het in de menselijke gedragingen of
handelingen, preciezer: in de interiorisering of verinnerlijking van handelingsschema's tot
geestelijke "operaties". In onderscheid met de fysiologische
wisselwerking, die op direct contact berust (bijvoorbeeld
ademen, eten, drinken, zweten, enz.), is de wisselwerking in het geval
van het denken en kennen - zoals bij de handelingen in het algemeen - functioneel
van aard. De relatie tot de omringende werkelijkheid is
hier m.a.w. in mindere of meerdere mate indirect,
of
bemiddeld; de ontwikkeling ervan gaat dus gepaard met een steeds groter wordende
"afstand", een
toenemende differentiatie tussen een (zich
construerend) 'zelf' en de 'wereld', tussen (finaal) "subject" en
"object". Zoals Hegel terecht schreef: " de weg van de geest is
de bemiddeling, de omweg". [16]
b.
De denk- en kenprocessen van de mens zijn dus geïntegreerd in
diens levensprocessen, maar tegelijkertijd zijn ze er ook een
uitbreiding van, namelijk in dienst van het behoud van het evenwicht.
"Leven
is essentieel autoregulatie" (Piaget, Biologie et
Connaissance, 1967:48), d.w.z. veronderstelt een voortdurende reëquilibratie
of herstel van het evenwicht, zodanig dat
onvermijdelijke storingen die van buitenaf ondergaan of geanticipeerd worden, door het
individu op een actieve manier gecompenseerd of geïntegreerd worden. Hierbij "verschijnen
de cognitieve processen tegelijkertijd als de resultante van de
organische autoregulatie, waarvan ze de essentiële mechanismen
weerspiegelen, én als de meest gedifferentieerde organen van
deze regulering in de schoot van de interacties met de buitenwereld,
zodanig dat ze, in het geval van de mens, tenslotte deze (interacties)
uitbreiden tot het ganse universum" (1967:49).
c.
Wat de cognitieve ontwikkeling van de mens betreft - ook historisch -,
het centrale principe ervan is "dat van opeenvolgende verbeteringen
van de evenwichtsvormen; m.a.w. van een toenemende equilibratie" (The
development of thought. Equilibration of cognitive structures,
1978:178). Die verbeteringen, d.w.z. constructies van meer stabiele structuren, worden telkens noodzakelijk gemaakt,
en dus uitgelokt, door contradicties die in de eraan voorafgaande structuren optreden.
Hoé de verbeteringen gebeuren, aldus Piaget, "is
duidelijk: de constructie ervan bestaat in de elaboratie van operaties
die zich bezig houden met de vóórgaande
constructies; er zijn relaties van relaties, regulaties van regulaties,
enz. Kortom, de nieuwe vormen houden zich bezig met de voorgaande en
omsluiten ze als hun inhoud... Het resultaat is een hiërarchie
van regulaties vàn regulaties, leidend (...) tot
zelfregulatie en zelforganisatie" (1978:179-180). De
vooruitgang situeert zich dus duidelijk op het vlak van de
vorm,
veeleer
dan op dat van de inhoud.
d.
De verklaring voor de historische ontwikkeling (sociogenese) van die equilibratie moet gezocht worden in een analyse van de maatschappelijke
processen
- waarvan de principes dus niét kunnen
herleid worden tot die van de psychologie. Immers, "in het
sociale zowel als in het individuele leven komt het denken voort uit
het handelen, en een maatschappij is essentieel een activiteitensysteem
waarvan de elementaire interacties in de eigenlijke zin bestaan in
handelingen die elkaar wederzijds wijzigen volgens zekere wetten van
organisatie of evenwicht: handelingen van fabricatie en gebruik van
technieken, economische handelingen van productie en distributie,
morele en juridische handelingen van samenwerking, dwang of
onderdrukking, intellectuele handelingen van communicatie,
gemeenschappelijk onderzoek of wederzijdse kritiek, kortom van
collectieve constructie en concordantie van operaties. Het is van de
analyse van deze interacties in het gedrag zelf, interacties die het
bewustzijn van de individuen wijzigen, dat vervolgens de verklaring van
de collectieve voorstellingen vertrekt" (Piaget, "L'
Explication en sociologie", in Études
Sociologiques, 1967:30).
2.1. De
Milesiërs
Toegepast
op de eerste Griekse filosofie, betekent het bovenstaande dat het
ontstaan en de ontwikkeling ervan moeten begrepen worden als een historische
equilibratie op een hoger niveau, d.w.z. als de
constructie van een nieuwe,
meer stabiele evenwichtsvorm. Zij was nodig
geworden door het falen van de oude, overgeleverde vorm (die
we, gemakshalve, als "mythisch"
zullen omschrijven)
t.a.v. de algemene crisis van de
traditionele samenleving, in de 8ste en 7de eeuw vK. Die nieuwe
cognitieve structuren, op het niveau dan van de handelingssubjecten,
bevorderden de constructie van nieuwe maatschappelijke structuren
dankzij dewelke de Griekse samenlevingen hun 'stuurcapaciteit' op een
hoger niveau konden brengen: namelijk dat van het politieke van het polisregime.[17]
Die
eerste φιλοσοφία,
"philosophía", zoals
Aristoteles ze noemde, ontstond niet in
het toenmalige kerngebied van de Griekse wereld (zoals later: Athene), maar in de
periferie ervan,
namelijk in
Ionië, (ZW-kust van het huidige Turkije).[17bis]
Eerder al, in de 8ste eeuw, waren er de homerische epen, Ilias
en Odyssea, gecomponeerd. Precies in de periode
van 610 tot 540 bereikte dit gebied, met zijn twaalftal stadstaatjes en
voornamelijk dank zij de zeehandel, zijn hoogste welvaartspeil. Ionische
krijgers waren overal gezocht als huurlingen; de Ionische vloten
controleerden de kustwaters van Klein-Azië en de zuid-oostelijke Middellandse Zee; van de Egyptische koning kregen ze
uitzonderlijke privilegies (met de stichting in de Nijldelta van Naukratis, als een
Griekse "port of trade"). De polis Milete (in het
Grieks: Milètos) speelde bij dat alles een leidinggevende
rol. Ze groeide uit tot de belangrijkste "comptoir"
of omslagplaats van de Egeïsche zee, voor het warentransport
tussen oost en west, zuid en noord. Ten behoeve van die maritieme
handel werden in de stad verschillende marktcomplexen gebouwd. Maar
behalve een omslagplaats, was Milete ook een belangrijke artisanaal
productiecentrum. Gans een reeks 'industriële' artikelen kreeg
in de oudheid daarom de naam "milesisch": wol,
dekens, tapijten, kleding, haarnetten, meubels, enz. Vele ervan hadden
als grondstof de milesische wol, die wereldberoemd was (in de omgeving
van de stad werd een schapenras gekweekt dat bijzonder fijne wol
voortbracht). Tenslotte was Milete, dat zelf over een zeer beperkt
territorium beschikte, ook één van de meest
actieve staten in de zogenaamde kolonisatiebeweging. Volgens de
traditie (die wellicht wat overdrijft) zou ze niet minder dan 90 stichtingsexpedities hebben
georganiseerd en geleid, ook ten gerieve van andere staatjes die
demografische problemen hadden.
De
filosofische ontwikkeling bij de eerste, Ionische natuurdenkers, vanuit
het eraan voorafgaande mythische niveau (met als voorbeeld
het Babylonische nieuwjaarsritueel), kan als volgt worden samengevat:
--
Het koningsritueel, dat elk jaareinde in Babylon werd opgevoerd en
waarvan het scheppingsepos, het Enuma Elish,
(voor de Engelse vertaling van de bewaarde tabletten, klik hier)
a.h.w. het 'script' vormde, kan als een typisch voorbeeld worden
beschouwd van een mythische autoregulatie.[18] Doorheen dit elf dagen durende
nieuwjaarsritueel - waarin de koning, na zijn afzetting op de 5de
dag, op de 8ste dag de god Marduk uitbeeldde in
diens kosmogonische strijd tegen en triomf op Tiamat, de (vrouwelijke)
draak der waters -, werd de kosmisch-meteorologische orde, met de cyclus der
seizoenen, opnieuw voor een jaar ingesteld. Het ging hier dus om de
jaarlijkse (re)constructie van een symbolische equilibratie, waarin het kosmische
niveau én het maatschappelijke (de koninklijke macht)
samenvielen. Uitgangspunt ervan was een 'dramatische' beleving van de
natuurlijke werkelijkheid als gebaseerd op de niet aflatende strijd of
dialectiek tussen
tegengestelde kosmische krachten [PS de woordjes "dialectiek"
en " dialectisch" worden in
dit hoofdstuk gebruikt in hun hegeliaans-marxistische gebruikswijze
- dus om te verwijzen naar de "opgespannen" verhouding (Herakleitos) tussen tegengestelden -, en niét
in hun sokratisch-platonische gebruikswijze, namelijk ter verwijzing
naar de methode van vraag-en-antwoord, zoals
toegepast in de dialoog]. --
De nieuwe, Griekse 'natuurtheorieën' dienden wezenlijk dezélfde
doelstelling, te weten: de symbolische constructie van het evenwicht
waarop het kosmische, en dus ook het menselijke leven berustten. In
vergelijking, nochtans, met de 'mythische' constructie kunnen volgende
verschilpunten worden aangestipt:
a) het ging niet langer om een 'enactieve' of pragmatische,
maar om een geïnterioriseerde, 'theoretische' constructie - los
dus van rituele of magische handelingen; weliswaar was die
ontwikkeling in de Griekse wereld al voorbereid in de poëzie,
voornamelijk bij Hesiodos (kort na 700 vK), cf. diens Theogonie:
de soevereiniteitsmythe, waarin nu de Helleense oppergod Zeus werd gehuldigd, was
reeds losgekoppeld van het koningsritueel.
b)
In de mythe waren
de relaties tussen de (gepersonifieerde) tegengestelde krachten nog
naar concreet-menselijk patroon geconstrueerd. Ze waren onderworpen aan een vorm
van arbitrair gedrag en reproduceerden zich via 'direct', fysiek contact,
bovenal middels
seksuele en verwantschapsrelaties. Daarmee vergeleken,
kwamen zij in het natuurdenken voortaan op een meer bemiddelde,
indirecte wijze
tot stand, namelijk via de constructie van een "meta"-fysische
"derde term", of "relatie",
die de tegengestelden op een zekere wijze 'transcendeerde' (echter zonder daarom al direct
een zuiver conceptueel karakter aan te nemen). Dat resulteerde in een
meer stabiele, zichzelf beter regulerende en dus meer autonome evenwichtsvorm
dan de mythische - anders gezegd, in een (begin van) overgang van
willekeur naar 'wetmatigheid'.
2.1.1.
Bij Thales van Milete (geb. ca 625 vK) - de "archegeet"
van deze "philosophía" over
"de natuur" (phúsis), aldus Aristoteles -
werd de eerste stap gezet: hij maakte" water" (of:
"het vloeiende") tot de oorsprong van de werkelijkheid. Wanneer we deze
stelling strikt inhoudelijk beschouwen en
vergelijken met de oudere mythische kosmogonieën
(Mesopotamië, Egypte, maar ook bij de Grieken zelf), moet de
conclusie zijn dat Thales inhoudelijk in feite "niets nieuws"
vertelde. Het revolutionaire, echter, van dit eerste 'natuurdenken' lag
in de
vorm: in onderscheid met de particuliere, goddelijke
(en dus eigenlijk: menselijke) personages, die in de verschillende
mythologieën stonden voor één of andere
vorm van (zoet of zout) oerwater (de Sumerische Nammu, de
Babylonische Apsu en Tiamat, de Egyptische Noen...), kwam Thales op de
proppen met "water", als een
algemeen-ding (of een klassebegrip), dat stond voor
àlle vloeistof, overal ter wereld.
Met dergelijke depersonalisering
of 'secularisering' - in concreto allicht t.a.v. de eigen Griekse god
Okeanós, die stond voor de stroom rondom de aardschijf: bij Homeros, Ilias, 14.246,
wordt hij bestempeld als de "geboorte voor alles" -,
konden natuurfenomenen, in plaats van als
éénmalige en compleet onvoorzienbare
gebeurtenissen (bv. god 'x' beslist op ogenblik 'y', omwille van aanleiding 'z',
zijn bliksem te slingeren naar persoon of plek 'a' of 'b'), voortaan
beschouwd worden in hun algemeenheid, anders
gezegd: als behorende tot een klasse van
fenomenen. Iets gelijkaardigs kunnen we ook vaststellen
i.v.m. Thales' tweede, overgeleverde stelling, namelijk dat "de
aarde op water dobbert, zoals een stuk hout". Zij moest het
algemene fenomeen verklaren van aardbevingen:
in de Griekse mythologie
was daartoe gewerkt met zeegod (!) Poseidoon,
bijgenaamd" de aardschudder" (PS Poseidoon genoot
juist in Milete een bijzondere verering, als vader van de
legendarische stichter van de polis). Ook hier lag
het nieuwe dus in de vorm, niet in de inhoud.
Thales' "water",
nochtans (of:
"het vochtige" of "vloeibare", in het
algemeen: dus ook bv. bloed en semen), was geen
louter 'stoffelijk' of 'materieel', en dus passief principe (zoals
Aristoteles het nadien interpreteerde, in contrast met de andere drie
van de eigen 'vier oorzaken'), en het ging zeker niet om het
geobjectiveerde, chemische fenomeen dat wij vandaag
definiëren als H2O. Het gold
integendeel - zeg maar: fysiologisch - als de universele
levenskracht van een als levend ervaren werkelijkheid. In de
mate dat die levenskracht de gehele werkelijkheid effectief doordrong,
kon Thales ook zeggen dat "alles bezield", of nog:
dat " alles vol goden" was (zoals Aristoteles, nog
altijd, ons weet te melden).[18bis]
Dat zogenaamde hylozoïsme -
letterlijk: het levend-zijn van de stof en het stoffelijk-zijn van het
leven (PS de uitdrukking werd pas gecreëerd in 1678) - zou
kenmerkend zijn voor alle Griekse natuurtheorieën.
Wat evenwel
de filosofische betekenis ervan betreft, moeten we opmerken dat Thales'
water weliswaar fungeerde als een (kosmische) bemiddelaar
tussen de oertegengestelden (exemplarisch: in de vorm van regen die uit
de Hemel op de Aarde valt en deze laatste bevrucht), maar dat het nog
géén bijzonder 'logisch' of 'metafysisch' statuut
bezat. Anders gezegd, het fungeerde nog als een element onder
de elementen. Ook in dit opzicht was het nog goed
vergelijkbaar met god Okeanós: deze laatste, als de (levens)stroom
die de aardschijf omcirkelde, gold ook als de horizon;
Hemel en Aarde
vielen daar weliswaar in hem 'samen', maar toch was hij slechts een god
onder de goden.
2.1.2. Pas Thales' "gezel",
Anaximandros (geb. 610 vK), kwam tot het construeren van een
soort van relatiebegrip: het zogenaamde "ápeiron"
(in het Grieks:
τὸ
ἄπειρον
), d.w.z. het
(onvergankelijke) "onbegrensd-onbepaalde". Dit
(goddelijke) "beginsel" (ἀρχή,
archè) "beheerst"
en "bestuurt"
de wereld door haar van buitenaf, rondom, te omvatten.
Bij deze eerste
'logische' of 'meta-fysische' constructie speelde de Griekse taal een
belangrijke rol. Het ontkennende α - (een zgn. alpha
privativum, cf. ons "on-") verwijst in eerste
instantie naar een ruimtelijke scheiding, sc. ten
aanzien van de begrensde wereld waarin wij leven. Tegelijkertijd is ook
het Griekse onzijdige lidwoord, τὸ , "het",
ontzettend belangrijk.
Het gaat om een zgn. " algemeen bepalend" lidwoord
(waarmee we begrippen aanduiden), dat mogelijk voor het eerst door Anaximander zelf werd gecreëerd. Het heeft hier die
bijzonderheid dat geen particuliere, concrete verschijningswijze wordt
'aangewezen', maar integendeel het ónbepaalde, het
ónthematische, het niet-aanwijsbare als zodanig -
wat aan de uitdrukking " τὸ
ἄπειρον"
ook een metaforisch karakter
verleent.
Samenvattend: Anaximander heeft bij middel
van een negatie een soortement van 'begrip'
geconstrueerd. D.w.z. weliswaar moet het ápeiron
nog als 'stoffelijk" worden beschouwd, maar het onderscheidt zich
toch dààrin 'ontisch' van de particuliere, elkaar
begrenzende verschijningswijzen van onze wereld (warm en koud, licht en
duister, enz.), dat het de begrensde (en contradictorische)
bestaanswijze ervan negeert - in de eerste
plaats doordat het er ruimtelijk van gescheiden
is.
Onze
wereld is dan, in het verleden, via de uitstorting van een kosmisch "semen",
uit het ápeiron geboren en zal er finaal
weerom in sterven (waarna een nieuwe wereld zal geboren worden). Binnen
de wereld is er een niet afhoudende strijd of oorlog tussen de
tegengestelde krachten (samengevat als " het warme" en
"het koude"); zij komen om beurten aan de macht, op de rug
van de andere (cf. de seizoenen), en zijn onderling daarom verwikkeld
zijn in een kosmisch patroon van "schuld en boete".
In het beroemde fragment D-K 12 B 1 (het is de oudste bewaarde
'filosofische' tekst!) lezen we:
"Maar
waaruit de bestaande dingen hun geboorte hebben, daarin vinden ze ook
hun ondergang, zoals het hoort; ze geven elkaar immers recht (δίκη, díkè)
en boete voor het onrecht (adikía),
overeenkomstig de verordening van de tijd".
Behalve
mythische precedenten, heeft allicht ook de (bijzonder wrede)
burgeroorlog in Milete, tijdens Anaximanders leven, een rol gespeeld in
dit (tragische) wereldbeeld.
Anaximander
was ook de eerste om zijn visie neer te schrijven in een (proza)tekst
(zij het dat onze late bron van het fragment, Simplikios (Simplicius),
zijn taal als "overdreven poëtisch"
bestempelt). Hij verhaalde daarin het 'epos van de
natuur'. Bijzonder indrukwekkend, en ook zijn opvolgers ver vooruit,
was zijn theoretische constructie van een kosmische ruimte.
In dit geocentrische wereldbeeld draaiden de hemellichamen, volgens
vaste geometrische verhoudingen, in drie 'étages' - het
verste (!) de zon, dan de maan en vervolgens, het dichtst bij de aarde,
de sterren - rond de aarde; deze laatste had zelf de vorm van een "zuilentrommel"
(met een diameter die 3x de hoogte was). In de
meest recente literatuur is Anaximanders constructie van een dergelijk
geometrisch wereldbeeld in nauw verband gebracht met de toen door de
Ioniërs ontwikkelde technieken in het kader van een
grootschalige tempelarchitectuur (die eveneens vereiste dat met vaste,
geometrische verhoudingen rekening werd gehouden). Wat het verdere
ontstaansproces betreft, tenslotte, is nog opmerkelijk dat volgens
Anaximander de eerste mensen geboren waren in de buik van een soort van
(vivipare) vissen, om pas aan land te komen wanneer ze zichzelf konden
behelpen.
2.1.3. De derde
Milesiër, Anaximenes (hoogstens
één generatie
jonger dan Anaximander), introduceerde als beginsel de aèr
(ἀήρ),
d.w.z. lucht-en-mist. Belangrijk was zijn
gebruik van
de 'industriële' transformatiemetafoor van de vervilting
(cf. de milesische textielproductie). Het
fysisch of technisch mechanisme, anders gezegd, van verdichting-en-verijling maakte
het mogelijk om de verschillende fenomenen - van warme lucht, over
water, tot gesteente - te beschouwen als verschillende
aggregatietoestanden van de aèr. Deze
laatste kon aldus tegelijkertijd fungeren als principe voor de
werkelijkheid én als 'element' (als zodanig bevond zij zich
zowel binnen als buiten de wereld). Mogelijk was Anaximenes de eerste om
uitdrukkelijk een vergelijking te maken tussen de 'makrokosmos' en de
menselijke 'mikrokosmos", en daarbij de psuchè
ter sprake te brengen, zie fr. D-K 13 B 2 (door sommige historici
echter wordt getwijfeld aan de authenticiteit van het fragment):
""Zoals
onze psuchè", zegt hij, "die aèr
is, óns samenhoudt-en-beheerst, zo omvatten adem (pneûma)
en aèr ook de gehele kosmos"
(pneûma en aèr
worden hier synoniemisch gehanteerd)".
2.2. Herakleitos
van Efese
2.2.1. Geld en Vuurleer.
Herakleitos
(Heraclitus, in het Latijn), geb. ca 540 vK; in de late oudheid vaak getypeerd als "de
schreiende" en "de duistere" filosoof)
was een vooraanstaand burger van een andere, rijke Ionische polis, die
altijd nauwe betrekkingen had onderhouden met het klein-aziatische hinterland: Ephesos (nu bij het Turkse stadje Selçuk, maar
de druk bezochte ruïnes stammen uit de Romeinse periode; het archaïsche Ephesos
ligt gedeeltelijk verzonken in een moeras). De
hoge materiële welstand ervan is archeologisch bevestigd door
de vondst, onder de fundamenten van de grote Artemistempel
(één van de "Zeven Wereldwonderen"),
van een belangrijke schat aan munten, die gedateerd wordt ca 600 vK.
Herakleitos zelf was van 'koninklijken bloede', d.w.z. zijn afstamming
voerde terug op de (legendarische) stichter van Efese; uit afkeer,
echter, voor het bestaande regime, zou hij afstand hebben gedaan van de
(ceremoniële) titel van "koning"
(basileùs), ten gunste van zijn broer. Hij is de
eerste, zogenaamde presocraticus van wie we een belangrijk aantal
'fragmenten' (ruim 120) bezitten. Eén van de meest
bediscussieerde vragen daaromtrent, vandaag, is of zij afkomstig zijn uit
wat we een (weliswaar archaïsch) samenhangend, geschreven 'boek' zouden
kunnen noemen, dan wel of Herakleitos zich beperkt heeft tot het
formuleren van een losse reeks van aforismen of "spreuken"
(zo in de titel van de vertaling van Cornelis Verhoeven). In aansluiting
bij Jaap Mansfeld[19],
houden wij het op de eerste optie.
Hoe dan ook, bij
Herakleitos vinden we het proces van historisch-psychologische 'equilibratie'
voorlopig voltooid. Hij voerde (onder invloed van de Perzische
vuurcultus?) het vuur in als archè
of principe. De 'ware' wereld(orde), of kosmos,
werd door hem geconstrueerd (en dat wil ook zeggen: geconceptualiseerd)
als een autonomisch, zichzelf regulerend organisme, dat bijgevolg "altijd-levend"
was, zie fr. 30:
"Deze kosmos,
dezelfde voor alle (mensen?),
werd noch door één der goden noch door
één der mensen gemaakt, maar altijd was hij, is hij
en zal hij zijn: vuur altijd levend, ontvlammend in maten en uitdovend
in maten".
Wat
de maatschappelijke praktijken betreft, die aan deze theoretische
constructie ten grondslag lagen, behalve 'politieke', moeten vooral ook
'economische' ontwikkelingen in rekening worden gebracht, met name de
creatie, in de archaïsch-Griekse periode, van een vorm van geldeconomie,
op basis van muntgeld (maar we zouden in een anachronisme vervallen, mochten we
politiek en economie hier scherp van elkaar onderscheiden).
Hedendaagse historici zijn
het er vrij algemeen
over eens dat de éérste munten geslagen werden in
het Lydische koninkrijk (waarmee o.m. Efese nauwe betrekkingen
onderhield), in de tweede helft van de 7de eeuw, d.w.z." in de
jaren 640/30". [19bis] Geslagen in elektron,
een natuurlijk mengsel van goud en zilver, dienden ze vermoedelijk als
betaling van de koning aan zijn soldaten." Het waren echter de
Grieken die het nut ingezien hebben van dit betalingsmiddel voor de
handel" (Bogaert, 1975:818). Tot de eerste Griekse staatjes die
zelf munten gingen slaan, behoorden Milete en Efese. Van een
éigenlijke geldeconomie, nochtans, in de moderne zin van het woord
kan in deze historische context nog geen sprake zijn. Toch kunnen,
naast de sociaal-politieke en economische, ook de culturele,
ideologische en psychologische effecten van de creatie en het gebruik
van muntgeld niet hoog genoeg worden aangeslagen.[20] Hierbij moet uitdrukkelijk
gewezen worden op de nauwe relatie tussen de invoering van gemunt geld en de doorvoering van een politiek
regime, in de 7de en 6de eeuw, in archaïsch Griekenland. Elke polis
ging haar eigen munt slaan, niet zozeer uit
commerciële overwegingen, als wel ter bevestiging van haar
bestaan als een politieke entiteit. Uiteraard moest
de munt ook de uiteenlopende publieke behoeften van staatjes helpen
lenigen; nochtans, zo schrijft Ch.G.Starr,
"was het niet in de
laatste plaats de
groeiende eenheid en zelfbevestiging van de individuele poleis, die hen
ertoe bracht, die fierheid te markeren door de uitgifte van een eigen
munt".[21]
Vormen van 'geld' waren
vanzelfsprekend al veel
vroeger in gebruik (cf. de magazijnlijsten in de mesopotamische
tempelstaatjes). Met het slaan echter van munten
ging het gebruik van geld als ruilmiddel (in de
voortaan indirecte ruil, dus: Waar-Geld-Waar') in toenemende mate, van een
nevenfunctie, een hoofdfunctie worden van het geld. De overige
gebruikswijzen en geldvormen (bv. als betaalmiddel, om verplichtingen
in te lossen: in het Nabije Oosten vooral graan; als rekenmiddel of
standaard, om rekenkundige bewerkingen mogelijk te maken met
kwalitatief verschillende goederen: in het Nabije Oosten vooral zilver)
werden voortaan aan het 'ruilgeld' ondergeschikt. Betalingen, bv.,
geschiedden voortaan in 'klinkende munt'. Tegelijkertijd werd van
verschillende soorten van" special purpose" geld
overgegaan naar één soort van "all
purpose" geld. Het gebruik van geld als ruilmiddel,
tenslotte, had zeer belangrijke implicaties, zowel voor het
intermenselijke verkeer, in de zin van een 'rationalisatie' ervan,[22] als
voor het menselijke denken.
Het is
inderdaad op deze indirecte, d.w.z. door geld bemiddelde ruil dat
Herakleitos een uitdrukkelijk beroep doet om tot een filosofische visie
op het natuurgebeuren te komen, namelijk in het kader van zijn
'vuurleer'. Zo lezen we in het belangrijke fr. 90:
"Alle dingen zijn
een gelijke ruil voor vuur en vuur voor alle dingen, zoals waren (een
gelijke ruil zijn) voor goud, en goud voor waren".
Goud/geld, als algemeen
equivalent, reguleert de commerciële transformatie
tussen goederen of waren (hoewel goud tegelijkertijd zelf ook een waar
is), namelijk volgens het schema W-G-W' (Waar1-Geld-Waar²): bv. een bakker komt met zijn brood op de markt; hij
verkoopt het en met dat geld koopt hij zich bv. een kruiwagen. Het geld zorgt aldus voor een rechtvaardige transactie of ruil tussen
twee producten die absoluut verschillend zijn van elkaar;
tegelijkertijd helpt het ook een soort van lichamelijke metamorfose
realiseren: wat, in het geval van dit concrete voorbeeld, het ruilproces
binnenging als brood, kwam er
als... kruiwagen weer uit!
Welnu, op analoge wijze, zo
geeft Herakleitos ons hier aan, functioneert het vuurprincipe op
kosmisch vlak als de interne regulator of "maat"
(métron) tussen de (onophoudelijke)
natuurlijke stofwisselingsprocessen - die dus geconstrueerd worden als
'ruilprocessen' -, en het houdt ze daarmee in het nodige evenwicht.
Precies dat gereguleerde, cyclische gebeuren, waarbij het
"vuur", als archè of beginsel,
"ontvlamt in maten en uitdooft in (overeenkomstige) maten"
(fr. 30, hoger), garandeert
dat de universele" wereldordening" (kosmos)
inderdaad onvergankelijk is. Zoals we lezen in fr. 31:
"Wendingen (tropaí)
van vuur: eerst zee, en van zee de helft aarde, de helft brander; zee
vergiet zicht tweevoudig, en wordt gemeten in dezelfde verhouding (lógos)
als gold voordat aarde ontstond".
De heraklitische 'denkvorm',
anders gezegd, (zelf heeft hij het, als eerste, over "lógos")
laat zich allereerst verklaren als een geïnterioriseerde
geldvorm, d.w.z. als interiorisatie van het maatschappelijke handelingsschema van de
door goud/geld bemiddelde ruil. Dat goud/geld krijgt precies in
en door die ruilactiviteit het statuut van een "reële
abstractie". Anders gezegd, wat op zich beschouwd concreet en
zintuiglijk is - namelijk die bepaalde, stoffelijke hoeveelheid goud -,
krijgt in en door het ruilproces het statuut van het abstract-algemene:
het is een abstractie van alle particuliere, empirische, voor de mens
nuttige eigenschappen (van brood, als voedsel; van de kruiwagen, als
vervoermiddel, enz., enz.), maar het is dat niét als louter
gedàchte abstractie, maar als een reëel existerend
'begrip'.
Welnu, op een analoge wijze fungeert volgens Herakleitos ook het "vuur" ,
in het kosmische ruilproces, namelijk
als tegelijkertijd algemene archè én
concreet element. [23]
Wat nog de politieke context
betreft binnen dewelke Herakleitos'
denken moet gesitueerd worden, zoals hoger al kort aangegeven, is dat
m.i. de (archaïsche) tirannie. In die archaïsche
context, inderdaad, trad de tiran op zowel als de belichaming van de
algemene belangen (de vestiging van de nómos)
als van zijn eigenbelang (strijd tegen zijn mede-aristocratische
concurrenten). Wel, op analoge wijze speelt ook het vuur, in het
heraklitische wereldbeeld, een dubbele rol (ook vergelijkbaar met goud:
als geld en als waar, zie hierboven): het is tegelijkertijd algemeen
principe van alles (het is de vaste "maat" in de
continue processen van stofwisseling) én een element onder
de elementen (vuur-water-aarde). Als àlles 'vuur' is, dan is
het 'bestuur' van het vuur in de kosmos kosmisch zelfbestuur.
En dat garandeert, nogmaals, de onvergankelijkheid van de kosmos.
Relevant hierbij is ook de historische band tussen tirannie en... geld.
Beide verschenen inderdaad sàmen, in de Griekse wereld, als
de uitkomst van de 7de eeuwse crisis, waarin de polis haar definitieve
vorm begon aan te nemen. Het slaan van muntgeld (waartoe eventueel
geconfisqueerde, gouden en zilveren voorwerpen moesten omgesmolten
worden) gaf inderdaad de mogelijkheid, aan de maatschappelijke
scheidsrechters, en met name aan de "tirannen", om
de door de klassenstrijd verstoorde, sociale verhoudingen te
regulariseren (d.w.z. door herverdeling een mate van sociale
rechtvaardigheid te herstellen), en aldus de nieuwe maatschappelijke
consensus te creëren, die de basis zelf zou zijn van het
polisregime.[24]
2.2.2.
De Lógos als
Metafoor.
Herakleitos moest het, als
theoreticus, stellen met de specifieke middelen en mogelijkheden
van de archaïsch-Griekse taal en denktrant. De hogere
evenwichtsvorm 'achter' de voortdurende veranderingen - hij heeft het
zelf (fr. 54) over de "onzichtbare verbinding (harmoníè)"
- werd door hem geconstrueerd, én tegelijkertijd
voor zijn toehoorders aanwijsbaar gemaakt, in en door zijn... "lógos" (λόγος).
Hoe
moeten we dat begrijpen?
Het Griekse woordje "lógos" is
qua connotaties ongetwijfeld het meest
complexe uit de oud-Griekse taal (W.K.C.Guthrie, in zijn History
of Greek Philosophy, I, 1967:420-424, heeft vijf bladzijden
nodig om, in kleine druk, het rijke woordgebruik ervan te schetsen,
alleen al ten tijde van Herakleitos). Tegelijkertijd zou het
één van de centrale termen worden in de
geschiedenis van de Griekse filosofie, en het zal in de volgende
hoofdstukken van deze syllabus dan ook regelmatig opduiken. Onder
verwijzing naar de syllabus," De Ioniërs",
moet ik hier volstaan met de volgende summiere en voorlopige
aanwijzingen.
Als een nominale afleiding
van het werkwoord "légein"
(etymologisch verwant met ons "lezen", in de
oorspronkelijke betekenis van "bijeenzamelen", bv.
"aren lezen"), verwees de grondbetekenis van het woord zeer
algemeen naar: samenhang of verhouding, maar dan in de actieve zin van:
" het voltrekken en rekenschap afleggen van de
samenhang (of verhouding)". Iets
dergelijks gebeurt exemplarisch in het menselijk sprekend-denken en
denkend-spreken over de werkelijkheid, zodanig dat het woordje "lógos",
behalve naar "rede(nering)"
en "argumentatie", algemeen naar de menselijke
"taal" kon verwijzen, en in het bijzonder naar, zeg maar, een
"samenhangende zin", of "propositie"
(in contrast dan met losse woorden), "formule", "definitie";
van daaruit ook naar een (samenhangend) "betoog" of
"discours", "redevoering",
enz.
In de archaïsche
context, echter, waarin Herakleitos werkte en dacht, was nog geen
sprake van een eigenlijk, zelfstandig taalbegrip (pas de
stoïcijnen zouden in de buurt ervan komen): er bestond
integendeel nog een zeer nauwe samenhang tussen taal en werkelijkheid,
dus: tussen het menselijk "zeggen" of "bedoelen"
(légein) én wàt
door de mens "bedoeld werd", in de wereld;
tussen wat iemand subjectief als 'waarheid"
uitsprak en de ermee corresponderende, objectieve 'werkelijkheid' (cf.
de dubbelzinnigheid van alètheia,
"waarheid-werkelijkheid"); of: tussen de "verhouding",
het" plan" of de" structuur"
(alle drie
normale connotaties van "lógos", en met
name ook bruikbaar bij Herakleitos), die iemand met
talige middelen construeerde, én
de reële structuur, enz.
die daaraan beantwoordde langs de zijde van de werkelijkheid. Zoals
Bruno Snell daarom terecht schreef (Die Sprache Heraklits,
1926:365, ik vertaal):
" de Logos
is niet enkel de zinvolle menselijke rede, maar ook de zin die in de
dingen rust, die tot ons spreekt en ons de dingen betekenisvol maakt".
[24bis]
Wanneer Herakleitos dan in de
bewaarde fragmenten het woordje" lógos"
een aantal keren lijkt te gebruiken in een, zeg maar:
filosofisch-technische zin - allicht in de frr. 1, 2 en 50, waar het
vergezeld wordt door het in die tijd nog ongebruikelijke lidwoord (PS
niet alle moderne commentatoren zijn het daarmee eens) -, dan
heractualiseert hij a.h.w. de hoger vermelde grondbetekenis ervan,
namelijk van" zich uiteenzettende voltrekking van de samenhang",
cf. fr. 50:
"Niet naar mij
luisterend maar naar de lógos, is het
wijs met-de-lógos-in-te-stemmen (homologeîn
)
dat alles één is".
Eenvoudiger gezegd,
Herakleitos zag de eenheid (en inzichtelijkheid) van de
verschijningswereld gerealiseerd in, en gewaarborgd door de
"gemeenzaamheid" (frr. 2 en 114) van de
lógos, "volgens dewelke alles tot stand komt" (fr.
1); tegelijkertijd, erkende hij dat die
"voltrekking van de verhouding" zich
óók afspeelde
als taal. Zoals Snell het nogmaals al formuleerde
(1926:376): " slechts als verstaanbare [zin] wordt de wereld
toegankelijk voor het heraklitische denken". En waar het op
aankomt, bijgevolg, voor de mens is: te "luisteren"
(fr. 50) of "gehoor te geven" (fr. 112) en "(de
samenhang) te begrijpen".
Die nauwe correlatie tussen
het 'subjectieve' (of talige) en het 'objectieve' (of kosmische) aspect
van de heraklitische lógos lijkt de
conclusie te wettigen dat een correct taalgebruik én -begrip
vanwege de mensen déél heeft aan de
"voltrekking van de samenhang" waarop de eenheid van de
wereld berust; of zelfs: bijdraagt tot die
voltrekking; en dus, omgekeerd, dat foutief gebruik of "onbegrip"
die kosmische samenhang zou verzwakken. Het moge dan al aan een vorm
van 'taalmagie' doen denken, het zou kunnen verklaren waarom onze
filosoof zijn medeburgers met zulke
bittere verbetenheid en gedrevenheid 'aanpakt' ,wanneer en omdat zij
totaal géén "begrip" toonden
van de lógos (fr. 1:
" van de
lógos, die de hiernavolgende is, tonen de mensen zich altijd
zonder begrip, zowel voordat ze hem aanhoord hebben, als nadat ze hem
eerst hebben aanhoord"),
maar integendeel blijk gaven
van het bezit van een "bárbaros psuchè"
(fr. 107), d.w.z. van een psyche die
(letterlijk) "geen Grieks sprak of begreep" (zie
verder).
Was Herakleitos dan van mening dat zijn medeburgers, zeg
maar: grammaticale fouten maakten tegen het toenmalige (Ionische)
Grieks, en wou hij die fouten corrigeren? Neen, natuurlijk. Het
'correcte' taalgebruik en -begrip waar het hém om de doen
was, met de lógos, was van een heel
bijzondere aard. Het was gerelateerd aan de toenmalige, prefilosofische
werkelijkheidservaring waarin, zoals hoger gezegd, tegengestelde
verschijningswijzen voortdurend met elkaar 'in de clinch' lagen en de
mens zich hulpeloos meegesleurd voelde in een onophoudelijke
wisselvalligheid en onstandvastigheid. Die, zijns inziens,
naïeve kijk op de werkelijkheid zag Herakleitos gekoppeld aan
een even naïeve, 'atomistische' kijk op de taal, namelijk als
ging het louter om (de beheersing over) een verzameling van losse
woorden (épea, zoals we bij de dichter
Homeros kunnen lezen). Elke "naam" (ónoma)
of woord, als een onverbonden entiteit, bracht telkens slechts
één particulier, dus eenzijdig 'aspect' naar
voren van de dialectische werkelijkheid, en deed dus geen recht aan de
eenheid die,
over de tegenstellingen heen, z.i. het natuurgebeuren wel degelijk in
een verbinding of "harmoníè"
(fr. 54) samenhield.
Vandààr
dus dat Herakleitos zich, als archaïsch filosoof,
niét beperkt heeft tot een 'vuurleer' (vergelijkbaar met
zijn voorgangers, met hun archè), maar dat hij óók een
"logosleer' heeft verkondigd, zeg maar (héél
anachronistisch!): een nieuwe
"taalfilosofie". Daarin lag de focus ten eerste op de lógos
in het algemeen, d.w.z. op de zinsamenhang
of -verbinding, in plaats van op (losse) woorden. Maar hij
heeft zich daartoe niet beperkt. Als een 'archaïsch"
taalkunstenaar (in de moderne literatuur wordt hij terecht geprezen als
een geniaal stylist en literator), heeft hij een heel
bijzondere "lógos" gecreëerd,
die precies bij machte was (of bij machte moest zijn) om, met
prerationele middelen, zijn recalcitrante toehoorders de psychologische
'sprong' te doen maken naar die hogere eenheid 'achter' of 'boven' de
tegenstrijdige, aardse fenomenen: namelijk de metafoor.
Wezenlijk aan élke
metafoor (die, in haar expliciete gedaante, steeds een volle zin is, in
de trant van: 'A is B"), is dat zij tegelijkertijd concreet
én
abstract is. Nemen we het nu al klassieke voorbeeld (uit
Shakespeares Romeo and Juliet): "Juliet is the sun".
Deze 'vereenzelviging' van twee duidelijk verschillende
categorieën (de jonge vrouw Julia en het concrete
hemellichaam) is slechts verstaanbaar doordat zij ons dwingt, in en
door de metaforische context, 'achter' en 'boven' de concrete zon in de
hemel een hoger, abstract begrip van 'zon' te vormen (Julia is het
allesbeheersende principe in Romeo's leven). Dat geldt dus ook voor de
heraklitische metafoor. Er is echter een belangrijke, zo niet
essentiële nuance met de gewone metaforisering: wat in
Herakleitos' fragmenten metaforisch met elkaar 'vereenzelvigd' wordt,
zijn niét louter van elkaar verschillende
categorieën maar, overeenkomstig de vermelde, dialectische
werkelijkheidservaring, elkaars tegengestelden.
Nemen we bv. het bekende fr.
80 (wellicht bedoeld als een kritiek op Anaximander):
"Weten moet men, dat
de oorlog gemeenzaam is, en dat strijd recht is, en dat alles wordt
geboren volgens strijd en behoren".
Hier worden de radicaal
tegenstrijdige principes van respectievelijk "oorlog"
(of twist) en "gemeenzaam(heid)", "strijd"
en "recht", en "geboorte" en
(dodelijke) "strijd", binnen
één metaforische "lógos" of
"samenhang", maar ook gewoon:
één zinsverband of propositie, gebracht.
Overeenkomstig
de algemene, cognitieve functie van metaforen,[25] hebben Herakleitos' metaforen
de (tegelijkertijd cognitieve en psychologische) functie bij de
toehoorders een hoger zijnsniveau
op te roepen (letterlijk: hen, mede door het shock effect, te dwingen
tot een verticale differentiatie), waarvan de betreffende
tegengestelden dan a.h.w. de 'aardse' manifestaties zijn. Let wel: het
gaat hierbij om (het overstijgen van) tegengestelde relaties:
namelijk van "strijd" versus "samenwerking"
(of: "gemeenzaamheid"), sc.
tussen de elementaire of particuliere, tegengestelde fenomenen (bv.
"droog" en "vochtig"). Wanneer hij met
name "levend-" en "dood-zijn"
met elkaar 'vereenzelvigt", dan wordt daardoor een hogere ("goddelijke")
vorm van "leven", zeg maar: "leven2",
opgeroepen, waarvan aards "leven" én "dood-zijn"
de tegenstrijdige manifestaties zijn (vergelijk nogmaals "ontvlammend
in maten en uitdovend in maten", van het vuur als principe).
Zie fr. 88:
"Hetzelfde: levend en
gestorven-zijn, wat waakt en slaapt, jong en oud; deze zijn omslaand
gene en gene zijn omslaand deze".
Of fr. 62:
"Onsterfelijken sterfelijken,
sterfelijken onsterfelijken, de (onsterfelijken) levend de dood van de
(sterfelijken), de (sterfelijken) stervend het leven van de
(onsterfelijken)".
Relevant hier is ook het
bekende fr. 53:
"Oorlog (pólemos)
is vader van alles, koning van allen, en sommigen toont hij als goden,
de anderen als mensen, sommigen maakt hij tot slaven, de anderen tot
vrijen".
Het feit dat Herakleitos'
medeburgers hem niét wilden volgen in zijn
'metafoorpedagogie' (ze waren allicht te véél
geshockeerd doordat hij 'goed' en 'kwaad", 'recht' en 'onrecht"
schijnbaar met elkaar vereenzelvigde), stelde hen bloot aan zijn
scherpe kritiek, zo bv. fr. 2:
"Daarom hoort men
het gemeenzame te volgen. Maar hoewel de lógos
gemeenzaam is, leeft de grote massa alsof ze over een private
verstandigheid beschikte".
Of aan het slot van (het
langere) fr. 1:
"De andere mensen ontgaat wat
ze doen wanneer ze wakker zijn, net zoals ze vergeten wat (ze doen)
wanneer ze slapen".
Nochtans, zo merkt hij op,
fr. 116, is het " aan àlle mensen gegeven,
zichzelf te kennen en verstandig te zijn". Tenslotte, om nog
even terug te komen op de heraklitische kritiek op het gangbare
('atomistische') taalbegrip, we vinden daarvan een spoor in fr. 32 (NB
in de minder gewone Griekse vorm van de naam van de oppergod, 'Zeus',
kan een verwijzing naar het Griekse werkwoord voor "leven"
(zên) worden gelezen; er wordt m.a.w.
gealludeerd op het feit dat het hogere principe het aardse 'leven', en
dus ook zijn tegengestelde, overstijgt):
"Het Ene, het alleen wijze,
is bereid en is niét bereid, genoemd te worden met de naam
van 'Zeus'".
2.2.3.
Psuchè
en Zelfbewustzijn.
Herakleitos was ook de eerste
om, gelijktijdig met zijn rationeel wereldbeeld, een (weliswaar nog
archaïsch) filosofisch zelfbewustzijn te
construeren. Zoals hij het kort stelt in fr. 101: "ik onderzocht
mijzelf". Zijn vele en scherpe uitvallen naar 'de anderen":
de naamloze "velen"
(hoi polloí) zowel als tal van prominenten - de
polemische fragmenten vormen de relatief grootste groep van thematisch
samenhangende fragmenten die ons werden overgeleverd -, mogen niet
getrivialiseerd worden tot een uiting van zijn 'slecht karakter' of
zijn "melancholía"
(zo Diogenes Laertios). Het is in belangrijke
mate bij middel van deze kritische
zelfdifferentiatie tegenover de
"dwazen" (fr. 79), d.w.z. de niet-filosofen, dat
Herakleitos' filosofisch denken zich heeft geconstitueerd, namelijk als
een "verhoudingsdenken".
De (psychologisch) hogere
organisatie van het "zelf", die Herakleitos
realiseert, blijkt uit de nieuwe betekenis die het woord "psuchè"
(ψυχή)
in zijn fragmenten krijgt. In de gedichten van Homeros was het
betreffende woord enkel in een 'negatieve context' gebruikt (bv. bij
bewusteloosheid, of vooral bij het sterven van een held: de psuchè
ontvliedt dan
diens lichaam naar de schimmenwereld; " hijzelf", d.i.
zijn lijk, blijft achter op het slagveld, zie de openingsverzen van de Ilias).
Bij Herakleitos wordt de psuchè (die
hij vereenzelvigt met het vuur) tot het centrale (en centraliserende)
menselijke levens- én bewustzijnsorgaan. D.w.z. ze fungeert,
positief, vooreerst als levenswarmte, levensadem en drager van de
levensfuncties: hij vergelijkt die centrale, vitale rol van de psuchè
met het gedrag van een spin in haar web, fr. 67a:
"Zoals een spin,
zegt Heraclitus, die zich in het midden van haar web bevindt, het merkt
zodra een vlieg een of andere draad van haar web vernielt, en snel
daarheen snelt, als leed ze pijn onder de vernieling van de draad, zo
ook haast de ziel van de mens, wanneer enig deel van het lichaam
gekwetst is, zich vlug daarheen als verdroeg ze de beschadiging niet
van het lichaam waarmee ze hecht en evenredig verenigd is" (weliswaar
zeer laat en in het Latijn overgeleverd).
Maar de psuchè fungeert
ook als ons Ego, dus
als drager van onze gedachten en emoties. Voor het eerst, anders
gezegd, is er sprake van een soort van "psychologische ziel",
met haar (onpeilbare) diepte en die enkel in
introspectie enigszins kan gevat worden: zie fr. 101, hoger, en vooral
fragmenten als fr. 45 en 115 (waarin lógos
en psuchè met elkaar verbonden worden):
"van
de psuchè kan je, al gaande, de
uiteinden niet vinden, ook al reis je langs iedere weg: zulke diepe lógos
heeft ze", en:
"van de psuchè
is er een lógos die zichzelf doet
aangroeien".
Op de rol van de psuchè
als kenorgaan wordt ook (kritisch) gealludeerd in
fr. 107:
"Slechte getuigen
zijn voor de mensen ogen en oren, wanneer ze een barbarenziel hebben".
Gelet op het oorspronkelijke
gebruik van het Griekse woord "bárbaros", namelijk
om te verwijzen naar een gebrekkig taalvermogen (het werkwoord "barbarízein"
betekent zoveel als "onverstaanbare, want ongriekse, klanken
uitbrengen"), lijkt het fragment er ons op te wijzen dat het
de psuchè is, die een mens al dan niet
in staat stelt om zinvolle uitspraken te formuleren en/of te verstaan.
De psuchè is bijgevolg de zetel van het
taal- en begripsvermogen van de mens, en als zodanig is haar toestand
ook een voorwaarde voor een goede werking van de zintuigen. Vgl. fr.
108: " Droge ziel is de meest wijze en de beste".
PS Zoals hoger reeds
aangestipt, verschilt ook de heraklitische visie op taal grondig van de
homerische: terwijl Homeros het nog hield bij losse "woorden"
(épea), die door sprekers 'in de lucht werden
geslingerd' als waren het pijlen, legt Herakleitos de klemtoon op de
betekenisstichtende samenhang, en zij wordt
gecreëerd door en in de lógos.
De vereenzelviging, echter,
van ziel en (kosmisch) vuur geeft aan dat deze heraklitische
subjectiviteit nog haar grenzen had: van een principiële
scheiding, of tegenstelling, tussen een innerlijk, geestelijk 'zelf' en
de (lichamelijke) buitenwereld was nog niet echt sprake. De psuchè
werd door hem integendeel ingeschakeld in de kosmische
transformatieprocessen, zie fr. 36:
"Voor psuchaí
is het dood, water te worden, voor water is het dood, aarde te worden,
maar uit aarde wordt water geboren, uit water psuchè".
Precies het feit dat het
onduidelijk is of dit fragment naar het kosmische proces verwijst, dan
wel naar de metabolismen in ons lichaam ("water" zou
dan bv. als semen kunnen begrepen worden), toont aan hoezeer voor
Herakleitos de makrokosmische en de mikrokosmische processen nog
samenvielen.
2.2.4. Epiloog.
Wat tenslotte de alom bekende, zogenaamd heraklitische formule betreft, "panta
rheî", πάντα
ῥεῖ, " alles vloeit", die
vandaag nog vaak (te pas
en te onpas) gebruikt wordt, bv. als naam voor tijdschriften,
verenigingen, scholen, enz.: zij is, 'helaas',
géén fragment van Herakleitos, maar is afkomstig
van Platoon.[25bis]
Deze laatste ontwikkelde een erg eenzijdige interpretatie van de
heraklitische filosofie (in een dialectische oppositie met Parmenides),
namelijk als was de zintuiglijke werkelijkheid dermate aan voortdurende
veranderingen onderhevig, dat ze op zich verregaand structuurloos en dus
onkenbaar was (in onderscheid met de wereld van de platoonse Vormen of
Ideeën). De platoonse formulering was
allicht geïnspireerd door het
zogenaamde 'rivierfragment", dat in een aantal varianten tot ons is
gekomen, bv. fr. 91:
"het is niet
mogelijk tweemaal in dezelfde rivier te stappen...; zij wijkt uiteen en
voert weer samen...; ze komt naderbij en gaat weg".
De boodschap, echter, die
Herakleitos wérkelijk wou brengen was dat, ondanks
de oneindig vele tegenstellingen en de continue transformatieprocessen,
de wereld, àls " kósmos",
tóch "één" was,
cf. nogmaals fr. 50:
"Niet naar mij
luisterend maar naar de lógos, is het
wijs met-de-lógos-in-te-stemmen (homologeîn
)
dat alles één is".
Om het zo correct mogelijk te
formuleren: volgens Herakleitos heeft de wereld haar (ononderbroken)
bestaan juist te dànken aan die
onophoudelijke "strijd" of spanning tussen de
(aardse) tegengestelden - net zoals een boog en een lier pas zijn wat
ze zijn (en doen wat ze doen) dank zij de tegenstelling tussen het hout
en de opgespannen pezen, cf. fr. 51 (met nog maar eens een kritiek op
het onbegrip van 'de anderen"):
"ze begrijpen niet
hoe het, in tweespalt, (toch) met zichzelf samenspant: een opgespannen
verbinding (παλίντονος
ἁρμονίη, palíntonos
harmoníè), zoals van boog en lier".
Herakleitos, m.a.w., heeft op
een meesterlijke manier filosofische gestalte gegeven aan de "dialectiek
van de natuur" (naar de titel van een werk van Friedrich
Engels), zoals de archaïsch-Griekse wereldvisie én
taal haar ongereflecteerd aanboden. Niet ten onrechte, daarom, heeft
men hem vergeleken met Hegel.
3. Parmenides
en De
"reddinG
der fenomenen".
3.1. Parmenides' Thesis.
Het theoretisch (symbolisch of preconceptueel)
construeren van een relatiebegrip, ten einde aan het kosmische leven
een vorm van wetmatigheid, en dus hogere
stabiliteit, te geven, werd in de eerdere, inleidende tekst, "Een
Aanloop" (kap. 2), gepresenteerd vanuit het oogpunt van de
'filosofen' zelf: namelijk als een kwestie van onthulling van
een 'objectief' gegeven maar "verborgen"
(Herakleitos, fr. 123)" natuur" of" ware
werkelijkheid", 'áchter' (of: 'boven', of:
'onder') de verschijnselen - wat de mens, zoals gezegd, moest in staat
stellen, " te zeggen en doen
wat waar/werkelijk is, in overeenstemming met natuur (phúsis),
gehoor gevend" (Herakleitos, fr. 112).
Welnu, die 'opdracht' kreeg er, nog tijdens het
leven van
Herakleitos (maar vermoedelijk zonder dat zij kennis hadden van elkaar), een tweede luik bij met de
tussenkomst van Parmenides. Deze stichter van de
zogenaamde "Eleatische school" (volgens sommige
historici is die 'school' een uitvinding van Platoon), is
vermoedelijk geboren rond 541 vK, en was dus een tijdgenoot van Herakleitos. Ook hij was van Ionische afkomst, maar hij werd geboren,
leefde en werkte in het westen van de Griekse
wereld, namelijk in de polis Elea. Elea (of Velia; nu: Ascea, en nu op
méér dan 1km verwijderd van de zee) was een
nieuwe stichting (rond 545) in Zuid-Italië (ten zuiden van
Napels), opgezet vanuit de Ionische polis Phokaia. PS: Deze door de
Grieken gekoloniseerde kusten van Z-Italië, al dan niet in
combinatie met Sicilië, werden in de oudheid "Groot
Griekenland" (Megálè Hellás, Lat.:
Magna Graecia) genoemd.
Het 'tweede
luik', dan, waarmee de natuurdenkers door en na Parmenides geconfronteerd
werden, betrof "het redden van de
verschijnselen" (sôizein ta phainómena).
- Waarom "redden"?
Parmenides, zo kunnen we zeggen, legde de grondslag (ondanks nog
'archaïsche' beperkingen) voor het latere, eigenlijke metafysische
denken van een Platoon. Eerdere en contemporaine denkers,
zoals we gezien hebben,
vertrokken van de voortdurend wisselende, tegengestelde
verschijningswijzen waarin mensen de wereld rondom continu ervaren
(namelijk als warm óf koud, licht óf duister,
vochtig óf droog, enz.). Die ervaringswijzen werden door hen
gethematiseerd (namelijk als "het warme", "het koude","
enz.) en ertussen (of: 'erboven') construeerden de phusikoí
een (symbolisch of pre-conceptueel) relatiebegrip,
dat ze vereenzelvigden met bv." lucht"
of "vuur". De
levensnoodzakelijke " éénheid"
of "orde" (kósmos) van (of beter:
"àchter") de verschijningswereld werd erdoor gewaarborgd
ondanks, of beter nog (volgens Herakleitos): dank zij
de" strijd" tussen die reële, maar
tegengestelde verschijningswijzen.
Welnu, door Parmenides werd dat
zelfde 'existentiële' probleem - namelijk het garanderen van
een symbolische of pre-conceptuele eenheid - op een totaal
verschillende, reflectieve wijze aangepakt: namelijk middels wat we moeilijk anders
kunnen omschrijven dan als een zijns- en kennisleer, gekoppeld aan een "metafysische
ontkenning" van de concrete, tegenstrijdige
verschijningswereld (in
contrast met Herakleitos, zou men zijn project dus als on- of anti-dialectisch kunnen bestempelen). Het talige uitgangspunt
ervan was het gegeven dat wat wij,
heel neutraal, "de dingen" noemen (in het
Latijn: de res), in het Grieks
wordt aangeduid als "ta ónta", letterlijk
"de (dingen) die zijn". Van groot belang
(ook voor de latere ontologie) is de meerduidigheid van
dat Griekse werkwoord voor "zijn", namelijk "eînai"
(εἶναι):
het wordt zowel gebruikt voor "er-zijn" of "het
geval zijn", "bestaan", als
voor" (F)-zijn" (dus als koppelwerkwoord)
én voor "waar-zijn".
Parmenides,
opvallend genoeg, heeft zijn nieuwe denken gepresenteerd in de vorm van
een leerdicht, d.w.z. een tekst geschreven in de taal en het metrum van het homerische
epos ((het prooemium heeft het over "de paarden die mij voeren... over de
befaamde weg van de Godin", D-K 28B1); de inhoud
ervan is ons slechts heel fragmentarisch overgeleverd (via 'indirecte
bronnen') [26]
. Hij confronteert er zijn toehoorder of lezer in de eerste plaats, niet met
de fysische werkelijkheid, maar met een
methodologie:
d.w.z.
met de twee, dichotomisch tegengestelde, énige
"wegen van onderzoek" (hodoí dizèsios,
cf. ons woord "methode", waarin ook het Griekse
woordje "hodós" zit), die er
zijns inziens althans a priori zijn "om te
denken" (fr. 2.2: het werkwoord "denken" heeft
hier nog een brede of banale betekenis, in de zin van: bedenken, of
zich indenken): kort gezegd, de weg van de
"alètheia" (ἀλήθεια),
versus die van de
"dóxa" . De twee "wegen"
worden door hem op zodanige manier gepresenteerd dat ze elkaar
uitsluiten - dus, in termen van de latere logica: volgens een
'exclusieve disjunctie'.
Wat " de weg van
de alètheia" betreft, als fundamentele thesis
wordt door Parmenides (in het epische verhaal: door de Godin)
verkondigd: "(het) is" (ἔστι
, ésti). Die uitdrukking
moet begrepen worden naar het grammaticale model van (alledaagse)
uitdrukkingen als: "het regent", of "het
sneeuwt". Voluit, daarom, luidt de
thesis: "wat is, is", [27] of:
"wat bezig-is-te-zijn, is",
of nog, uitgebreider: " al zijnde is het" (in het
Grieks:
ἐόν ἔστι
). Daaraan wordt dan onmiddellijk de
dubbele ontkenning gekoppeld: "en het is niet mogelijk
niét te zijn" (zie D-K, 28 B 2; cf. ook fr. 6.2:
"maar het niets is niet").
In hun combinatie - beide
onderdelen: " wat is, is" en" wat niet is,
is niet", vormen samen één thesis -
zouden we een (eleatische) aanzet kunnen zien voor de latere, logische
principes van de niet-tegenstrijdigheid en uitgesloten derde, of in
het Latijn:" tertium non datur" (A óf
niet-A; niét: A én niet-A"). In aaneensluitende
vertaling luidt fr. B 2 dus:
"Er
zijn slechts twee wegen van onderzoek (om) te denken: de ene, dat het
is en dat het niet mogelijk is dat het niét is, is de weg
van de overtuiging, want de waarheid vergezelt hem; de andere dat het
niet is en dat het noodzakelijk is dat het niet is. Die weg, zeg ik u,
is een pad waarvan in het geheel niets kan vernomen worden, want wat
niet is, kunt ge niet kennen (want dat kan niet volbracht worden), en
al evenmin (kunt ge hem) onder woorden brengen".
De thesis -
door hem, in fr. 8.1-2, samengevat als "het énig
overblijvende woord (mûthos) van de weg: (namelijk) 'is'"
- wordt dus niet enkel verkondigd, maar ze wordt
óók geargumenteerd. Ook
hierin was Parmenides de eerste. Dat gebeurt in eerste instantie
"ex absurdo", namelijk vanuit de absolute onmogelijkheid om "wat
niét is" "te kennen of onder woorden te
brengen" (ibidem) - waardoor tegelijkertijd de
onmogelijkheid wordt aangetoond van de twééde, of
(enige) àndere "weg", namelijk: "dat
het niét is"; of anders geformuleerd:
dat "wat is, niet is" en/of "dat wat
niet-is, is" (deze weg impliceert dus tegelijkertijd
"zijn" én" niet-zijn"). Die
weg wordt nadien (dus: na de logos, of
argumentatie, door de Godin) als "ondenkbaar"
(anóètos) en "onbenoembaar"
(anónumos, eventueel: "naamloos")
bestempeld (fr. 8.17).
Enkel "wat is",
bijgevolg, in de absolute en
noodzakelijke zin van het woord, kan "gekend", en
dus: "gedacht" worden. Zoals het geformuleerd wordt
in het korte fr. 3:
"hetzelfde is
(er) om te denken (νοεῖν)
en te zijn (εἶναι)".
Denken en zijn, anders
gezegd, zijn onafscheidelijk, althans in die zin dat er zonder zijn
geen denken is. Of nog anders: "denken"
(en spreken) betekent "verplichtend: te zeggen en te denken
dat het, al zijnde, is" (fr. 6 v.1). Het zijnde, of wat-is,
is derhalve oorzaak van, voorwaarde voor àlle denken en
zeggen [28]. Je zou dit
Parmenides' principe of 'wet' van de intelligibiliteit kunnen
noemen.
"Zijn(de)", "denken"
en "(uit)spreken"
vormen daarmee een soort van triade, in de fragmenten. De latere
vanzelfsprekendheid, dat een "filosofische"
uitspraak per definitie een
(gedachte en) uitspraak is die aanspraak maakt op
de " waarheid",werd op die
manier door Parmenides als eerste verwoord (Parmenides zelf maakt nog
geen gebruik van termen als "filosoof": hij houdt
het nog bij een omschrijving als de "man die weet"
(eidóta phôta, fr. 1.2).
3.2. " Lógos"
versus "Dóxa".
Met deze
énig mogelijke "weg van onderzoek" (fr.
2), werd door Parmenides, samen met de absolute uniciteit, dus ook de
principiële denkbaarheid bevestigd van " wat is".
Of, om het anders te stellen: vergelijkbaar met wat Herakleitos deed
(cf. diens fr. 30) maar op een heel verschillende, want veel meer abstracte manier,
slaagde Parmenides erin, met behulp van
"ésti" of "zijn", de
werkelijkheid te
conceptualiseren, en dus: denkbaar te
maken - en dus ook, op die manier, een meer universele
verhouding t.a.v. de werkelijkheid te construeren (cf. supra, Piaget).
Het paradoxale, echter, van zijn conceptualisering is dat
zij zelf door hem als de énige "werkelijkheid"
werd
beschouwd en daarmee in radicale tegenstelling komt te staan met de fenomenale
werkelijkheid.
Om het anders
te formuleren: voor Parmenides' conceptualisering moest er een 'prijs'
worden betaald (je zou kunnen zeggen: in de vorm van een verregaande
vervreemding): verandering, immers, in al haar
vormen - ontstaan en vergaan, beweging,
veranderingen in kwaliteit, kwantiteit, enz., enz. - zoals mensen die
continu ervaren, voldoet niét aan die 'wet'. Elke
verandering impliceert onvermijdelijk "niet-zijn"
(of: de combinatie van" zijn" en "niet-zijn");
en aangezien wat "niet-is"
per definitie "niét is", d.w.z. niet
bestaat, is verandering derhalve ondenkbaar of niet-intelligibel. Alle
(ervaring van) verandering, daarom, moet vanuit filosofisch
('metafysisch') oogpunt, "ontkend" worden: zij
berust louter op "(dwaal)mening" (dóxa).
Deze laatste - en dus: ook de "tweede
weg" - is een menselijke " fictie" (fr.
6.5: pláttontai), te wijten aan 's
mensen onwetendheid (cf. "de stervelingen,
die niets weten", fr. 6.4), warrigheid
(mensen zijn " tweekoppig", díkranoi,
fr. 6.5) en stuurloosheid ("ze lopen allemaal voortdurend
heen en weer", fr.
6.9), hun doofheid en blindheid (d.w.z. de zintuigen
misleiden hen), én hun "dwalende geest"
(nóos; wordt door Parmenides nog 'lichamelijk"
gedacht, cf. fr. 16). Dat alles
helpt begrijpen waarom voor de mensen, inderdaad,
"geldt
(nenómistai) dat zijn en niet-zijn
hetzelfde en niét hetzelfde zijn" (fr. 6.8-9).
Op het eerste
gezicht, zou ook de dialectische visie van een Herakleitos onder deze
dóxa kunnen gerangschikt worden [29].
Toch is het niet erg waarschijnlijk dat
Parmenides hierbij aan zijn tijdgenoot uit Efese zou gedacht hebben (in
de oudere historische literatuur werd fr. 6 wél vaak in die
zin geduid, en dus als een aanwijzing voor de althans filosofische
prioriteit van de Efesiër). Parmenides bekritiseert hier
vermoedelijk nog heel algemeen de "onwetende"
meerderheid, of massa der mensen. Dat is goed vergelijkbaar met de
"sneers" van dezelfde Herakleitos tegen "hoi
polloí"" (letterlijk: "de velen").
Met dàt wezenlijke verschil, nochtans, dat de menselijke "dwaalmeningen"
door Parmenides niet enkel aan de kaak worden gesteld (zoals
Herakleitos het regelmatig doet, in zijn fragmenten), maar dat ze ook
"weerlegd" worden: in fr. 7.5 heeft de Godin het over
haar "strijdlustige weerlegging" (élenchos);
en de lezer/leerling wordt bovendien door haar
opgeroepen om die "bewijsvoering" ook kritisch te "beoordelen"
(krînai: is een imperatief!),
namelijk bij middel van "lógos",
of "redenering" [29bis]. De
bedrieglijke "misleiding" (apátè),
daarom, vanwege de dóxai (meervoud van dóxa)
der mensen, staat lijnrecht tegenover de
argumentatieve " overtuiging(skracht)" (peithô)
van de weg van de alètheia.
Dat verregaande,
menselijke " ónvermogen" (amèchaníè),
zo merkt Parmenides nog op, heeft niet enkel de vorm aangenomen van een
"hardnekkige gewoonte" (éthos,
fr. 7.3), waaraan de lezer/leerling zich zou moeten trachten te
onttrekken, maar het heeft ook zijn neerslag (en dus: bastion) gevonden
in de
taal, namelijk in de vorm van woorden of "namen"
(vergelijk en contrasteer met de taalkritiek van
Herakleitos, supra):
"ontstaan en vergaan, zijn en
niet-zijn,
van plaats veranderen en wisselen van zichtbare kleur: (het) zijn
allemaal (louter) namen (onómata) die de
stervelingen instelden, in de (foute) overtuiging dat zij waar/
werkelijk zijn" (fr. 8, vv. 38-41; zie ook fr. 19.3, over de "namen"
die de mensen aan alles hebben gegeven).
Het is dus a.h.w. tegen de
'valse getuigenissen' van: de menselijke zintuigen, de gewoonte of
traditie, én de menselijke taal, dat de "strijdlustige
weerlegging" van de Godin gericht was.
Het woordje "élenchos",
ἔλεγχος,
ging vanaf de 6de eeuw inderdaad vooral gebruikt
worden in een juridische context. Als een soort
van collectieve term, staat het voor het geheel van gegevens, feiten en
bewijzen die samen een eigenlijke beschuldiging vormen (bewijsvoering
van een aanklacht), of de weerlegging ervan. Het werkwoord "krínein",
d.w.z." een krísis,
of rechterlijk oordeel, vellen", onderstreept die juridische
context (samen met "krísis" en
"ákritos" - gebruikt voor de mensen, die niet bij
machte zijn tot een standvastig "oordeel" te komen,
fr. 6.7 - komt het woord vijfmaal voor in
de bewaarde fragmenten). De lezer, trouwens, van het
gedicht wordt al onmiddellijk geconfronteerd met die context, namelijk
in de (allegorische) inleiding ervan: we lezen daar dat "de
sleutels" voor de hoge (dubbele) deuren van Nacht en Dag,
langs waar de ik-figuur het "huis" van de Godin, en
dus van de Waarheid, werd binnengevoerd, toebehoren aan godin "Díkè
polúpoinos", d.w.z. "Recht
met-haar-vele-straffen" (fr. 1.14). Zoals Cordero (2004:135)
daarom terecht schrijft:" the Poem is full of references to
the sphere of law".
Samen vormen ze een
onmiskenbare aanwijzing voor de concrete
maatschappelijke praxis binnen dewelke
Parmenides' denken tot ontwikkeling is kunnen komen: namelijk die van
de polis als rechtsstaat, d.w.z. een samenleving
waarvan de democratische rechtspraak (d.w.z. met
vrij woord en wederwoord, aanklagers en verdedigers, t.o.v.
democratisch aangeduide rechters of
juryleden) een essentiële pijler ging vormen. Aan deze context
wordt ook de "uitvinding"
toegeschreven van de retorica, als "overredingskunst"
(téchnè), zie bij: de Sofistiek. Volgens een aantal (latere) antieke
bronnen, heeft Parmenides zelf zich ook actief geëngageerd in
het 'politische' leven van Elea: hij zou met succes de wetten of
constitutie voor de polis hebben opgesteld (D-K 28 A 1 en A 12). We
mogen daarom allicht concluderen dat het inderdaad de
(interiorisering van de) eleatische rechtspraktijk was,
die het voor Parmenides heeft mogelijk gemaakt om tot zijn nieuwe,
meer abstracte en argumenterende wijze van denken te komen.
In het licht, dus, van dat
alles, diende volgens Parmenides de "ware werkelijkheid"
van "wat is" - als een permanente, tijdloze
aanwezigheid of tegenwoordigheid - gedacht en beschreven te
worden als:
"(ge)heel", "uniek", "één"
(er kunnen geen verschillende soorten van "zijn"
zijn)[30] , "onbeweeglijk"
(i.e.
onveranderlijk), "ongeboren en dus: onvergankelijk",
"onwankelbaar", "vol", "volledig homogeen", "continu"
en "gelijk", of
zelf-identisch, "geheel evenwichtig", "geheel intact",
"volmaakt",... "gelijk de massa van een
goed-geronde sfeer" (σφαίρη, fr. 8.43).
Met dat
laatste beeld van een "sfeer" wil vermoedelijk
vooral beklemtoond worden dat elk
verschil in kracht of intensiteit van "zijn" uitgesloten
is (Cordero, 2004:175). De betreffende argumentatie is ons bewaard in
het lange fr. 8, waarin we inderdaad de kern vinden van Parmenides'
denken. Er wordt vertrokken van de "vele aanwijzingen",
of "tekens" (Grieks: sèmata),
die zich bevinden langs, of op de "weg" van
het "het éné woord: is"; zij
vormen even zovele getuigen voor de absoluutheid en noodzakelijkheid van
"wat is" (eón). De weg en haar inhoud versmelten
hierbij: vandaar dat de sèmata de vorm
aannemen van de vermelde predikaten of hoedanigheden, die toekomen aan
"wat is"; ook hier wordt vooral gebruik gemaakt van
argumentaties ex absurdo. De logische noodzakelijkheid van die
argumentatie wordt ook allegorisch onderbouwd, met behulp van de
godinnen Díkè, Anánkè
("noodzaak", maar het is niet zeker dat het in 8.30
om een verpersoonlijking gaat), en Moira.
Vanuit Parmenides'
historische, d.w.z. nog 'archaïsche' context is het allicht te
begrijpen, dat hij deze metafysische waarheid/werkelijkheid (tegelijkertijd
óók de "weg",
ὁδός, of "methode
van onderzoek": cf. ook zij is
circulair) toch nog altijd als
'lichamelijk' dacht, of in elk geval niét als geestelijk of
conceptueel (het metafysische onderscheid tussen lichamelijk, of
stoffelijk, en geestelijk, of onstoffelijk, zou pas door Platoon worden
gemaakt).
Om hetzelfde op een andere, anachronistische wijze te formuleren: Parmenides heeft, met zijn "Weg van de Alètheia",
als eerste
de voorwaarden beschreven waaraan (filosofisch of wetenschappelijk) denken en kennen moeten voldoen om
waarlijk als denken en kennen beschouwd te worden; tegelijk
kon hij niet anders dan die voorwaarden nog als 'lichamelijk', d.w.z.
als (meta)fysisch poneren.
In het
twééde
deel van het gedicht, ontwikkelt Parmenides
(de Godin) alsnog een, wat hij zelf noemt, "misleidende"
beschrijving (fr. 8.52, letterlijk: "een misleidende kosmos,
of orde, van woorden") van een louter "waarschijnlijke"
kosmogonie (8.60). Zij vertrekt van twee
tegengestelde elementen (die eveneens het resultaat worden genoemd van
menselijke "naamgeving"): "licht",
of "vuur", en "duistere nacht" (cf.
fr. 8, slot, en 9; in de doxografie heeft men het over "vuur"
versus "aarde"). Dat zij zich
toch, in allerlei combinaties, met elkaar verbinden, is te danken aan
het optreden van de liefdesgod, Eros. Allicht moeten we nogmaals een
beroep doen op de archaïsche context om te verklaren waarom
Parmenides het (klaarblijkelijk) niét nodig oordeelde
(eventueel: niet mogelijk achtte) om enige logisch-positieve
bemiddeling te expliciteren tussen deze paradóxale
"weg van de dóxa" en de
éigenlijke en énig" denkbare" "weg",
namelijk " van de alètheia".[30bis]
3.3. Demokritos' Atomisme.
Van
hieruit zagen de op Parmenides volgende denkers: voornamelijk
Empedokles (van Agrigente, Sicilië; hij zou Parmenides "gehoord"
hebben), Anaxagoras (van
Klazomenai, Ionië) en de atomist Demokritos, zich voor de
opdracht geplaatst, Parmenides'" twee wegen" alsnog
met elkaar te verzoenen of toch te bemiddelen. Anders gezegd: op de een
of andere manier de "fenomenen te redden",
namelijk door ze (fysisch) te verklaren. Ze deden dat allen met behulp
van een vorm van fysisch
pluralisme - in
onderscheid met het "monisme" van de eerste Ioniërs. Ook bij
Parmenides kunnen we nog spreken van een, weliswaar "metafysisch",
monisme; zijn " misleidende" kosmogonie, echter,
werkte reeds met twee "elementen". Namelijk door de constructie van
een "ware werkelijkheid", die enerzijds recht deed
aan de "wet van Parmenides" ("alleen wat
is, is"), maar anderzijds, middels voortdurend wisselende
combinaties van een véélheid van zijnselementen,
toch ook in zekere
mate recht kon doen aan de ervaringsfenomenen. Deze laatste kregen
daarmee een afgeleid of secundair karakter. Zoals Empedokles het bv.
nog sterk "parmenideïsch" formuleerde (D-K 31 B 8): [31]
"...
van niets van al dat sterfelijk is,
is er geboorte (phúsis), evenmin enig
eind' in verwenste dood,
maar slechts menging (mixis) is er en wisseling van
't gemengde:
'geboorte' (phúsis) is maar de naam
daaraan door de mensen gegeven".
Laat ik mij
echter even toespitsen op de laatstgenoemde in dat rijtje: Demokritos
(burger van Abdera, aan de kust van
Thrakië, 2de helft van de 5de eeuw). Hoewel zijn omvangrijk en
gediversifieerd oeuvre volledig verloren ging (zie de catalogus, bij
Diogenes Laërtios, IX, 66 45-49= D-K, 68 A 33), zijn wij
omtrent zijn belangrijkste opvattingen toch min of meer
geïnformeerd, vooral dank zij Aristoteles en Theophrastos.
De ware
werkelijkheid bestaat volgens Demokritos uit "atomen en
leegte"; als zodanig vormt zij het object van de
"ware" of "legitieme" kennis of gedachte (gnómè).
Alle soorten daarentegen van zintuiglijke perceptie - zoals: zien,
horen, ruiken, smaken en betasten -, worden door hem als "illegitieme",
"bastaard" of "duistere" kennis
bestempeld (fr. 11, d.w.z. D-K 68 B 11). Ze betreffen inderdaad
fenomenen - zoals kleuren, warmte-koude, geluiden, smaken,
enz. - die "niet
waarlijk, maar (enkel) door gelding (nómooi)" het
geval
zijn (vergelijk met de werkwoordvorm, "nenómistai",
supra,
bij Parmenides). Bijvoorbeeld badwater, "geldt" als
" warm" (of: "koud")
maar "is" het niet. Zoals hij het in fr. 9 (ook in
fr. 125) formuleert:
"Door gelding
(nómooi) is er zoet, door gelding (nómooi)
is er bitter, door
gelding (nómooi) is er warm,
door gelding (nómooi) is er koud, door
gelding (nómooi) is er kleur, in
werkelijkheid (eteêi) zijn er (slechts)
atomen en leegte".
We mogen dat niet begrijpen in de zin
dat kleuren, smaken, enz. louter subjectieve inbeelding of
"waan" zouden zijn
(zoals Parmenides het blijkbaar stelde), wel integendeel. Vergelijkbaar
met wat de Engelse filosoof, John Locke, veel later "secundaire
kwaliteiten" zou noemen, krijgen alle empirische
kwaliteiten bij Demokritos een fysische, en dus objectieve basis: ze
worden teruggevoerd op, en fysisch
verklaard uit specifieke atomencombinaties langs de zijde van de
"objecten" (zie D-K 68 A 135, op basis van Theophrastos). Die
atoomconstructies werken op een fysische manier in op onze zintuigen
(wat het zicht betreft, naar het voorbeeld van
Empedokles, dacht Demokritos dat er voortdurend "beelden"
of filmen loskwamen van de objecten); die zintuigen bestaan
vanzelfsprekend eveneens uit atomencombinaties: elke (nieuwe)
perceptie, mening, enz. beantwoordt daarom aan een - reële
-
"vormverandering" in (de atomenstructuur van) het betreffende
orgaan. Blijft, weliswaar, dat kleuren, smaken,
enz. an sich niet bestaan: ze zijn slechts het
voortdurend wisselend effect van de interactie van
(tijdelijke) atoom(plus-leegte)constructies. Elk apart atoom,
daartegenover - dat, op zich, door zijn kleinte aan onze zintuiglijke
perceptie ontsnapt: het is enkel kenbaar voor onze (fijnstoffelijke)
"geest" -, beantwoordt wél aan "de wet van
Parmenides": het "is" in absolute zin, en
dat komt overeen met: " is vol", of "massief";
het is dus niet deelbaar, maar integendeel "átomos",
"ondeelbaar".
Tegenover het "volle" is het "lege"
(to kenón) datgene wat
"niet-is". Tóch - en dat is
essentieel voor de demokritische theorie - moet
erkend worden dat het lege wel degelijk " er is":
het is net dank zij dat er-zijn van de oneindige lege ruimte dat het
oneindig aantal atomen onophoudelijk in beweging (kunnen) zijn, met elkaar in
botsing (kunnen) komen en allerlei combinaties (kunnen) aangaan, zoals: sterren
en planeten, de aarde, mensen, dieren, planten, kleuren, enz., om
nadien eventueel weerom te segregeren. Méér nog:
zónder het er-zijn van het lege zouden er überhaupt
geen (per definitie afzonderlijke) "atomen" kùnnen zijn. [32]
Het filosofisch zo cruciale
werkwoord "zijn" (eînai), anders gezegd,
kreeg bij Demokritos een tweevoudige betekenis:
namelijk van, enerzijds, absoluut of substantieel "zijn",
en, anderzijds, betrekkelijk "er-zijn", of "het
geval zijn". Als zodanig, werd de basisstelling van
Parmenides, namelijk: "(énkel) wat is, is",
door Demokritos wel degelijk fundamenteel herdacht.[33]
Laat ik nog
even terugkeren naar die atomen. Vanuit ontologisch opzicht zijn alle
atomen elkaars gelijke; ze "zijn" allemaal in
gelijke, absolute mate. Ze hebben noch kleur, noch geur, noch
temperatuur, noch gradaties van dichtheid, enz. Ze hebben nochtans wel
één "kwaliteit" (maar dat wordt gewoonlijk niet
als "kwaliteit" gecategoriseerd), namelijk een "vorm".
Onder deze laatste wordt begrepen: een geometrische vorm, zoals rond of
sferisch,
hoekig, vierkantig, zelfs met haken, enz., plus een
grootte. Elk (onzichtbaar) atoom wordt dus gedefinieerd door zijn "vorm".
Het Griekse woordje voor zulke vorm
is... "eîdos", of "idéa"
- wat dezelfde woordjes zijn als degene die Platoon gebruikte. Ook zijn oudere tijdgenoot, Demokritos, bijgevolg, had een "ideeënleer". Alleen:
bij hem zijn die "ideeën" of beter: "vormen",
geen onlichamelijke of geestelijke, maar
integendeel voluit fysische entiteiten, die dank zij hun combinaties
onze verschillende
gewaarwordingen fysisch veroorzaken, en dus verklaren:
bijvoorbeeld een zoete smaak (die dus "an sich"
niet bestaat) wordt teweeggebracht door "sfeervormige"
atomen; een prikkelende smaak door " hoekige"
atomen, enz.
4.
Epiloog.
Terugblikkend
op de zgn. phusikoí, of
"natuurdenkers", zoals ze vanaf Aristoteles doorgaans
genoemd werden, kunnen we besluiten dat zij allemaal gepoogd hebben een
post-mythisch en theoretisch antwoord te geven op het van de mythe
overgeërfde probleem van de verzoening of eenheid van de
tegengestelde krachten die de leefwereld van de mens domineren (de "Lebenswelt",
zoals Husserl die wereld van de natuurlijke,
prerationele ervaring noemde). Het was immers van die eenheid (of:
samenwerking) dat het (voort)leven van de werkelijkheid, en dus ook van
de mens, direct afhankelijk was. Ze moesten dat echter doen met talige
en intellectuele middelen die nog in verregaande mate "geïntegreerd"
waren in die (archaïsche of pre-klassieke) cultuur - net zoals
ook zijzelf, als burgers, nog in verregaande mate geïntegreerd
waren in de menselijke samenleving: als wetgever of politicus,
handelaar en/of ingenieur, medicijnman, enz. Vandaar dat we zelfs bij
de eerste "metafysicus", Parmenides, nog altijd geconfronteerd worden
met, zeg maar, een vorm van "materialisme" (het woord is eigenlijk
verkeerd gekozen, want het vooronderstelt ook zijn tegendeel).
Pas
wanneer er sprake zal zijn van een verregaande vorm van intellectuele
"vervreemding" ten aanzien van de samenleving (zeker niet
uitsluitend, maar wellicht toch onder meer teweeggebracht door de
vervolging en executie van Sokrates), met de uitbouw van een louter
intellectuele of intellectualistische levenswijze: die van de bíos
philósophos, binnen de muren van een "school"
(zelf, misschien niet toevallig, vaak buiten de stadsmuren
gelokaliseerd), zullen we niet enkel mogen spreken van "filosofen"
als een voortaan aparte
categorie van mensen, maar zal er ook in het denken een radicale
tweedeling worden doorgevoerd tussen een puur geestelijke orde en de
lichamelijke, zintuiglijke werkelijkheid. Deze nieuwe denkvorm - waarin
de "ware werkelijkheid" vereenzelvigd wordt met het
louter geestelijke of intelligibele - zal de
creatie zijn van de vertegenwoordigers van het zgn. Atheense
rationalisme: Sokrates, Platoon en Aristoteles.
___________________________
NOTEN:
*
Met uitzondering van § 3 (Parmenides), is het hoofdstuk gebaseerd op de
syllabus, De Ioniërs. Het Archaïsche
Natuurdenken: van Thales tot Herakleitos, UGent 1999 (nu op deze website: http://www.flwi.ugent.be/cie/ioniers/index.htm
). De
prachtige munt, afgebeeld bovenaan, werd geslagen door de polis Naxos,
op Sicilië, in de 5de eeuw; de geportretteerde godheid is
Dionusos, "ter ere van
wie wij razen en in vervoering zijn, (maar die) dezelfde is als Hades"
(Herakleitos, fr. 15). Voor een literatuurlijst, zie het deel "Encyclopedie".
[1]. zôion
politikón; letterlijk misschien beter: "poliswezen".
Zie bv. Politica, I.2., 1253a3; voor andere
passussen en ruimere bespreking, zie H.De Ley, Phúsis
& Polis. Aristoteles' Praktische Filosofie,
(1996:191), en aldaar n. 56 met andere verwijzingen (nu op deze website:
http://www.flwi.ugent.be/cie/aristoteles/7politike.htm#N_56_ ).
[2].
Gewoonlijk, maar niet helemaal
correct, vertaald als "stadstaat" (Latijn: civitas,
Engels: "city", Frans: "cité"):
ze berustte op een nauwe eenheid tussen stedelijk centrum en platteland
(zie hierover De Ley, 1996). Voor wie niet vertrouwd is met de antieke
geschiedenis, moge erop gewezen worden dat de "stadstaat" in de Griekse
wereld de politieke basiseenheid vormde, althans tijdens de
archaïsche en de klassieke periode (Thessalië
bijvoorbeeld was hierop een uitzondering). Naar moderne normen vaak
belachelijk klein (alleen "Athene" bezat een uitgebreid territorium:
Attika), maakte elke polis haar eigen wetten, bezat ze haar eigen
instellingen en rituelen, sloeg ze haar eigen munt en vocht ze oorlogen
of ging ze verdragen aan met haar buren. Het is dus bijzonder
misleidend om van "Griekenland" te spreken, voor de periode van ca 700
tot het einde van de 4de eeuw (toen de Griekse staatjes definitief
werden ingelijfd in het Macedonische rijk): wanneer we het, voor de
archaïsche en klassieke periode, hebben over "de
Grieken", beter:"de Hellenen", hebben we
het eigenlijk over honderden soevereine staatjes, verspreid over het
continent, de Egeïsche kust en eilanden, de Zwarte Zee,
Sicilië en Zuid-Italië en andere kusten van de
Middellandse zee. Zij vormden in mindere of meerdere mate een
taalkundig en cultureel continuüm, maar ze konden
desalniettemin
opvallende verschillen manifesteren. Weliswaar werd in de 5de eeuw, na
de Perzische oorlogen, vooral vanuit het imperialistische Athene (zie
het Attische drama) een ideologische, Helleense identiteit geconstrueerd
, voornamelijk bij middel van de negatieve (racistische) beeldvorming
omtrent "de Barbaar", als de anti-Helleen. Over
die ideologie (die de uitbuiting van andere groepen, o.m. in de
slavernij, moest legitimeren), zie H.De Ley, Rationaliteit
en Racisme: het Griekse Model (1999), zie URL:
http://www.flwi.UGent.be/cie/CIE/deley13.htm
[3]. En
dús met het "man-zijn"
(anèr, meervoud andres).
De creatie van de "politiek", in de Griekse oudheid, vanaf het einde
van de 8ste eeuw, zou de publieke, geweldloze communicatie mogelijk
tussen met elkaar wedijverende huishoudens (oîkoi).
Maar tegelijkertijd was politiek de hoeksteen van wat een "androcentrisch
protocol" is genoemd, d.w.z. van een gendersysteem waarin de
mannen voor zichzelf een actieve, publieke rol opeisten, maar hun
vrouwen zoveel mogelijk in een passieve, "onzichtbare" rol (binnen het
huishouden) drongen. Zie hierover nogmaals De Ley, 1996 (hfst. 4); ook
De Ley, Eros en Polis. Het Socio-seksuele Systeem in Klassiek
Athene, 1992 (zie nu op
deze site). Over politiek, als een mannelijke "uitvinding",
bedoeld om de natuurlijke superioriteit van de vrouw te "counteren",
zie reeds S.R.L.Clark, Aristotle's Woman, in:
History of Political Thought, 3 (1982:177-191).
[4].
E.Carlton, Ideology
and Social Order (1977:230); zie ook ibid., p.241: "...
de Atheense situatie, waar men bezig was religie te vervangen door een
geritualiseerd humanisme" [wat misschien wel wat te ver
gaat, HdL]. Zie ook G. Murray, Five Stages of Greek Religion
(1943), p. 75: "De ware religie... was een devotie aan de
Stad zelf". Voor een inleiding tot de Griekse religie, zie P.E.Easterling & J.V.Muir (edd.), Greek Religion and
Society, Cambridge 1985, met een woord vooraf van Moses I.
Finley.
[5]. De
(weliswaar onvoltooid
gebleven) Summa Theologiae van Thomas van Aquino
(gest. 1274) heeft daaraan zijn meest indrukwekkende literair-wetenschappelijke uitdrukking verleend.
[6]. D-K
68B251. Citaten i.v.m. de
archaïsche natuurdenkers en de Sofisten worden in de regel
gevolgd door een verwijzing naar de uitgave van H.Diels en W.Kranz
(vandaar de afkorting "D‑K"), Fragmente der Vorsokratiker
(1952). De letter "B" in de cijfercode duidt erop dat het om een
"citaat" ("fragment") gaat; een letter "A", dat het een indirecte
getuigenis (" testimonium") betreft: d.w.z. een
samenvatting, parafrase, commentaar, enz. [Zie het onderdeel
"Bronnen", in deze syllabus].
[7]. Die
ökonomische Entwicklung und die antike Polis, in:
H.G.Kippenberg (ed.), Seminar: Die Entstehung der antiken
Klassengesellschaft (Ff./M), 1977:121.
[8]. Clemens
van Alexandrië
(2de eeuw nK!) weet ons te melden dat Herakleitos een efesisch tiran,
Melankomas, zou overtuigd hebben om vrijwillig afstand te doen van de
macht (D-K 22A3). Of we daaraan geloof mogen hechten, lijkt
twijfelachtig (maar zie E.Capizzi, Eraclito e la sua leggenda,
1979:47 e.v.).
[9]. Voor het
probleem van de zowel
persoonlijke als ideologische opstelling van de Griekse filosofen
t.a.v. politiek en machthebbers, zie ook de (weliswaar niet erg
diepgaande) studie van F.L.Vatai, Intellectuals in Politics
in the Greek World. From Early Times to the Hellenistic Age,
(1984). Vatai beklemtoont veeleer de aristocratische afkomst van de
meeste filosofen en de "compensatorische" functie van hun scholen in de
context van het polisregime: "In philosophical schools, the
politically declining aristocracy found a new cohesiveness"
(p.2).
[10].
Frischer, 1982:18-19.
[11]. Met
name voor de klassieke
filosofie van Platoon en Aristoteles (bijvoorbeeld ten aanzien van de
onderdrukking en uitbuiting van de niet-Grieken) is dat onloochenbaar.
Zie De Ley, 1999.
[12]. In
zijn Magic,
Reason and Experience (1979:247-257).
[13]. Maar
is
dat wel een bezwaar? Schreef Hegel al niet, in de Vorrede van zijn Grundlinien
der Philosophie des Rechts (1820; Suhrkamp Theorie,
p. 28):" zo komt bovendien de filosofie altijd te laat. Als de
gedachte van de wereld verschijnt ze pas in de tijd nadat de
werkelijkheid haar vormingsproces voleindigd heeft en zich heeft klaar
gemaakt... De uil van Minerva begint haar vlucht pas met de invallende
deemstering".
[14]. Zo
Predrag Vranicki, Philosophie
und Revolution (1969:45).
[15]. In
zijn bundel Les
Carrefours du Labyrinthe (1978:271).
[16]. Vorlesungen
zur
Geschichte der Philosophie, p. 55.
[17]. Ik
parafraseer J.Habermas, Zur
Rekonstruktion des Historischen Materialismus (1976:133).
[17bis].
Voor overzichtelijke kaartjes van de
verschillende
Griekse regio's die van belang waren voor de filosofie, ook m.b.t. de
latere hoofdstukken, zie URL:
http://www.mlahanas.de/Greeks/Maps.htm
[18]. Het
hoofdaandeel nochtans van
de overgeleverde tekst (7 tabletten) voert een lofzang op Marduk;
slechts 2 tabletten behandelen de schepping. Voor een bespreking ervan
zie Thorkild Jacobsen, Enuma Elisj, in: D.van der
Plas, B.Becking & D.Mejjer (eds.), De Schepping van
de wereld. Mythische voorstellingen in het oude Nabije Oosten
(1990:57-83).
[18bis].
Voor een
analoge, religieuze waardering van water, maar dan in de context van
een monotheïstische religie, namelijk de islam, zie: H.De Ley,
"Zeg nooit: "'t is maar water. Water in Koran en
Islam", op de
CIE-site.
[19]. Zie
Mansfelds uitstekende
vertaling en commentaar: Aldus sprak Heraclitus. De Fragmenten, bezorgd,
vertaald en toegelicht, 3de, opnieuw herziene en vermeerderde druk,
Groningen 2006. PS Wij geven onze eigen vertaling en volgen de mechanische
nummering der fragmenten in Diels-Kranz.
[19bis].
Zo bv.
R.Bogaert, art. "Geld", in: Reallexikon
für Antike u. Christentum, 9 (1975), kk. 797-907, zie kk.
817-8.
[20]. Zie
mijn syllabus, De
Ioniërs, UGent 1999:181-198. Een belangwekkende,
zeer recente publicatie hieromtrent (die door de opsteller van deze
syllabus helaas nog niet kon verwerkt worden) is: Richard Seaford, Money
and the Early Greek Mind. Homer, Philosophy, Tragedy,
Cambridge 2004. Ik citeer de achterflap: "How were the Greeks
of the sixth century BC able to invent philosophy and tragedy? In this
book Richard Seaford argues that a a large part of the answer can be
found in another momentous development, the invention and rapid spread
of coinage which produced the first ever thoroughly monetised society.
By transforming social relations, monetisation contributed to the ideas
of the universe as an impersonal system (presocratic philosophy) and of
the individual alienated from his own kin and from the gods (in
tragedy)".
[21].
Ch.G.Starr, The
Economic and Social Growth of Early Greece 800-500 B.C. (New
York) 1977:114.
[22].
Zie hierover uitvoerig
K.Polanyi, The Livelihood of Man. Ed. by
H.W.Pearson. (New York) 1977:97 e.v.
[23].
De (paradóxale)
uitdrukking, "Realabstraktion", stamt van Alfred
Sohn-Rethel: zie zijn belangrijk opstel, Warenform und
Denkform, opgenomen in zijn Geistliche und
körperliche Arbeit (Frankfurt 1972; ook in het
Engels vertaald); zie ook R.W.Müller, Geld und
Geist. Zur Entstehungsgeschichte von Identitätsbewusstsein und
Rationalität seit der Antike (Frankfurt 1977).
[24].
Zie E.Will, Ueberlegungen
und
Hypothesen zur Entstehung des Münzgeldes in:
H.G.Kippenberg (ed.), Seminar: Die Entstehung der antiken
Klassengesellschaft (Ff./M), 1977:205-222.
[24bis].
Bruno Snell, Die Sprache Heraklits, in: Hermes 61
(1926), pp. 353-381; maar zie ook en vooral K.Held, Heraklit,
Parmenides und der Anfang von Philosophie und Wissenschaft. Eine
phänomenologische Besinning, Berlin 1980. PS Een
belangrijk punt van controverse in de moderne literatuur betreft de
vraag of de heraklitische "vuurleer" en "logosleer" samenvallen; anders
gezegd, of het vuur, als kosmisch principe (cf. hoger), voor
Herakleitos het fysisch aspect vormde van de lógos.
De latere Stoa, in haar "navolging" van Herakleitos, zou beide
alleszins met elkaar vereenzelvigen. Persoonlijk betwijfel ik of
Herakleitos die stap al gezet heeft (vergelijk dit met het
"paratactisch" naast elkaar plaatsen, door Parmenides, van de "weg van
de waarheid" en de "weg van de dóxa",
zie verder).
[25].
Zie
B.Leondar, Metaphor
and Infant Cognition, in: Poetics, 4, 1975:273-287.
Herakleitos alludeert wellicht zelf op zijn bijzonder,
niet-argumentatief maar "suggestief" taalgebruik in fr. 93: "De
vorst van wie het orakel in Delphi is [d.w.z. god Apolloon],
legt niet uit (oute légei) of verbergt
niet, maar geeft tekens". In vergelijking met een eigenlijke
argumentatie (het volgen waarvan het hogere abstractievermogen vergt om
"met lógoi om te
gaan" - zie ook Sokrates en Platoon), oefent metaforisering
een soort van geestelijk "geweld" of dwang uit: cf. Leondar, die
beschrijft hoe het kind geconfronteerd wordt met een soort van "metaphoric
clash".
[25bis].
Bv. in de dialoog Cratylus,
402A8: "panta rheî kai oudén
ménei", "alles verstroomt en niets blijft"; zie
ook ibid., 440C1-D2: "alles vervloeit als lekkende aarden
kruiken; werkelijk, net zoals mensen die aan een
neuscatarre lijden, zo zijn, naar hun mening, ook de dingen gesteld: al
wat bestaat is ten prooi aan vloed (rheuma) en
catarre"; ook Theaetetus,
181AB, waar de zogenaamde "herakliteërs" spottend
" de verstromenden" (hoi
rhéontes) worden genoemd. Platoon had hoe dan ook
de gewoonte om de schepper van een bepaald systeem verantwoordelijk te
stellen voor stellingen die later verkondigd werden door degenen die er
aanspraak op maakten er de erfgenamen van te zijn. Vergelijk ook met
zijn behandeling van Parmenides (waar hij de - foutieve -
interpretaties van Melissos rechtstreeks aan de Eleaat toewijst, cf.
zijn Sofist).
[26].
Ook door zijn literaire vorm, dus, onderscheidt Parmenides' tekst zich
van de proza-stijl gebruikt door de eerdere, Ionische denkers.
Aansluitend bij die epische vorm (metrum: de dactylische hexameter; en
taal: de Ionische kunsttaal van Homeros), wordt ook de filosofische
inhoud van de tekst binnen een mythologisch of allegorisch kader
gepresenteerd: het "gedicht" begint met de reis of
zoektocht te verhalen van de ik-figuur, op een door merries getrokken
wagen; door de Heliaden (Dochters van de Zon), langs een weg die "ver
ligt van het pad der mensen" (fr. 1.27), werd hij tenslotte
doorheen de hoge poorten van Nacht en Dag, naar het licht en tot bij "de
Godin" gevoerd. Deze laatste is dan voor de rest van de
tekst aan het woord.
[27].
Vergelijk nogmaals de (banale) uitdrukking "het regent"
(maar let op: in het Griekse taalgebruik wordt het persoonlijk
voornaamwoord bij een werkwoord, hier:
"het", normalerwijze niet geëxpliciteerd). Wanneer
je de vraag stelt, " wàt regent?", luidt
het antwoord onvermijdelijk pleonastisch: "regen regent". Vandaar dat,
wanneer je in verband met Parmenides' thesis, "het is",
de vraag stelt: " wàt 'is'?", het antwoord
luidt: "wat-is is". NB Ik
volg in deze bespreking van Parmenides de tekst en interpretatie van
Néstor-Luis Cordero, By Being, It Is. The Thesis
of Parmenides, Las Vegas 2004 (de Griekse tekstuitgave is
weliswaar onbruikbaar wegens te vele drukfouten). Dat geldt met name
ook voor Cordero's argumentatie dat er in het gedicht slechts
twéé "wegen" worden uiteengezet. De
meeste moderne interpretatoren, daarentegen, verdedigen dat er sprake
zou zijn van drié wegen: namelijk (a)
"wat is, is"; (b) "wat niet-is, is"; en, als zgn. "menselijke"
weg, (3) "zowel wat is als wat niet-is zijn". Het zou deze laatste zijn
die in het tweede deel van het gedicht, "de weg van de
dóxa" zou worden uiteengezet.
[28].
Let
op: Parmenides
zegt niét, idealistisch, dat wat "gedacht"
wordt, ook automatisch "is"; anders gezegd, dat
het zijnde het denken a.h.w. zou insluiten. "Zijn"
is voor hem wel degelijk prioritair aan "denken"; "denken" niét
aan " zijn".
[29].
Zie bv. fr. 10: "Samenvoegingen:
gehelen en geen gehelen; samenspannend in-tweespalt, samenklinkend
uiteenklinkend; uit alles één en uit
één alles"; fr. 49a: "<Tweemaal?>
in dezelfde rivieren stappen we en stappen we niet; we zijn en we zijn
niet"; of fr. fr. 88: "Hetzelfde zijn: levend en
gestorven, wat waakt en wat slaapt, jong en oud; zijn zijn omslaand
gene en gene zijn omslaand deze".
[29bis].
De Godin kwalificeert ook haar eigen betoog als een "betrouwbare
lógos" (fr. 8.50).
In de hedendaagse literatuur wordt deze (erg ongewone) Godin daarom wel
eens een "maîtresse de philosophie"
genoemd (zie Cordero, 2004:134 en n. 567). Contrasteer met dit
argumentatieve model, het "quasi-oraculaire" model van Herakleitos,
zoals hij dat zelf aangeeft met fr. 93: "De vorst van wie het
orakel in Delphi is [d.w.z. god Apolloon], legt
niet uit (oute légei) of verbergt niet,
maar geeft tekens". Hoger (§ 2.2.3) hebben we dit "tekens-geven"
in het geval van Herakleitos begrepen in de zin van het formuleren van metaforen.
-PS Net
zoals bij Herakleitos, mag "lógos"
bij Parmenides niét verstaan worden in de zin van (het
latere) "rede", of " ratio",
en dan in contrast met de lichamelijke zintuigen (cf. ook de "nóos",
of menselijke "geest", wordt
in vraag gesteld door de Godin). Zoals het ermee verbonden werkwoord, "légein",
gaat het in de eerste plaats om "sprekend-denken
én denkend-spreken", d.w.z. het voeren van een redenering
(in dit geval: een correcte of ware), of een geargumenteerd betoog. De
algemene regel is dat "lógos" bij de
Presokratici nooit "rede" betekent. Zie Cordero,
2004:136-137.
[30].
Dit mag volgens Cordero
niét begrepen worden in de "fysische" zin die er later door
Platoon is aan gegeven (en nadien de traditionele visie zou worden over
"de Eleaten"), namelijk dat "alle
dingen (door Parmenides) herleid werden tot één"
(Sofist 242D), d.w.z. in tijd en ruimte. Het was
Parmenides integendeel te doen om de eenheid of identiteit te
beklemtonen van het " zijn", dat op alle dingen,
d.w.z. ta ónta (letterlijk:" de
zijnden"), toepasselijk is. De ware
schuldige, echter, voor deze foutieve interpretatie was Melissos, die
Parmenides slechts "van verre" kende (hij leefde op Samos). Zo althans
nog altijd Cordero, 2004:177. Wat nog Platoons visie op Parmenides
betreft, is het wellicht relevant dat hij "Sokrates", in de
Theaetetus, i.v.m. Parmenides' "diepzinnigheid
(báthos)" laat zeggen: "ik ben bang
dat we zijn woorden niet begrijpen en dat we wat de bedoeling van die
woorden betreft, nog veel meer in gebreke blijven" (Theaet.,
184A1-3).
[30bis].
Weliswaar wordt in het eerste deel (bv. fr. 6) gezegd (door de Godin)
dat ook de "tweede weg", als die van de "warrige"
enz. mensen, zal moeten gepresenteerd worden, en
wel ten einde er de tegenstrijdigheid, en dus "ondenkbaarheid"
(en dus...:" onzegbaarheid"!) van aan te tonen;
enkel door die kennis ervan kan voorkomen worden dat de leerling er
zich zou door laten " misleiden". Maar bevredigend,
vanuit logisch oogpunt, kan je dat niet noemen. - PS
In de moderne literatuur wordt meestal aangenomen dat Parmenides, met
deze "schijnbare kosmogonie", wel
dégelijk concrete filosofische opponenten op het oog had, en
dan met name pythagoreërs: cf. Z-Italië
stond op het einde van de 6de en het begin van de 5de eeuw onder sterke
pythagorische invloed (Puthagoras, zo weten we, is reeds rond 530 van
Samos naar het Italische Krotoon verhuisd). Volgens de latere
overlevering, trouwens, was Parmenides een "leerling" van de
pythagoreër Ameinias, ter ere waarvan hij ook een mausoleum
zou hebben opgericht (D.L., IX, 21= D-K 28A1). Tenslotte, dat "licht"
en "duisternis" inderdaad twee pythagorische principes waren
(naast andere, weliswaar), weet Aristoteles ons te melden (Metaphysica
A, 896a22, met een "tafel" van 10 tegengestelden). Volgens
Cordero, 2004:160, heeft het hoe dan ook geen enkele zin van een
"parmenideïsche kosmogonie" te spreken, te meer omdat we voor
nadere informatie daaromtrent quasi volledig afhankelijk zijn van late
doxografie waarin citaten ontbreken.
[31].
Zie ook het
syllabusonderdeel, "Aristoteles' Natuurfilosofie", §
3.
[32].
Zo argumenteerde zijn tijdgenoot Melissos van Samos (die, wellicht ten
onrechte, sedert Platoon tot de "Eleatische school" is gerekend)
precies vanuit de ontkenning van "het
lege", dat het (kosmische) zijnde een "volle",
en dus " onbeweeglijke", "eeuwige"
("het is, was altijd en zal altijd zijn"),
oneindige en homogene " eenheid" vormde, zie D-K 30 B
2 & 7. De stoïcijnen zullen daaromtrent met een andere
oplossing komen (zie verder).
[33].
Op een analoge, maar niet
identieke want "logische", wijze argumenteerde nogmaals Platoon, in de Sofist,
dat het" niet-zijnde niet-zijnde is", en
dus wel degelijk (op betrekkelijke wijze) "is",
namelijk als" andersheid" of "alteriteit",
cf. Sofist 258D, met
kritische verwijzing naar twee regels van fr. 7 van Parmenides.
Maar zie ook reeds de sofist Gorgias,
in zijn (althans ogenschijnlijke) "parodie" van de
parmenideïsche zijnsleer, Over het niet-zijn of Over
natuur (zie hierover: "De Sofistiek, deel 2", kap.
3). PS Contrasteer Demokritos' "fysisch"
onderscheid tussen het "volle" (= het "zijnde")
en het "lege" (= het "niet-zijnde"),
die allebei er-zijn, met Platoons "metafysisch"
onderscheid tussen het "lichamelijke" en het "onlichamelijke"
of " geestelijke": alleen dit laatste "ís",
voor Platoon, in de volle zin van het woord (d.w.z. van alètheia),
terwijl van het lichamelijke en zintuiglijke moet gezegd worden dat het
tegelijkertijd "is" én "niet-is"
(het "wordt" voortdurend), waardoor het
als zodanig het domein vormt van de "dóxa", een
notie die nu ook de (ontologische) connotatie van "schijn"
krijgt.
|