HOOFDSTUK 10:
Filosofie in de Late
Oudheid (2):
Augustinus' Christelijk Platonisme
Inhoud:
Inleiding
1.
Leven en Werk
2.
De Innerlijkheidsmethode:
2.1.
Inleiding
2.2. Schepping en
Genade
2.3. De Wil
2.4. De Tijd
2.5. Kennis en
Waarheid
2.5.1.
"Si fallor, sum"
2.5.2.
"Subjectief objectivisme"
3.
De
"Twee Steden":
3.1.
Inleiding
3.2. Kerk en Rijk
3.3. De
civitate Dei
3.4. Het Saeculum
3.5. Twee
"civitates"
3.6. Eenheid van
geloof
3.7. "Kerk" en
"Imperium"
3.8. De "civitas
terrena"
3.9. Politiek na
de Zondeval.
Epiloog
Literatuur
Inleiding:
1. Een heel bijzondere
plaats in het laat-antieke denken in het algemeen, en in de
christelijke, Latijns-patristische literatuur in het bijzonder, wordt
ingenomen door de Afrikaan Aurelius Augustinus (354-430).
Vanuit een aantal opzichten kan hij als de
“voltooiing” beschouwd worden van het antieke,
filosofische denken. Zoals de godsdiensthistoricus Adolf Harnack
(1850-1930) het al formuleerde (m.v.):[1]
“Augustinus heeft
de ontwikkeling van de antieke filosofie tot haar eind gevoerd doordat
hij het proces dat uit het naïef-objectieve naar het
subjectief-objectieve voerde, tot voltooiing heeft gebracht. Wat al
lang werd nagestreefd, namelijk het innerlijke leven tot het
uitgangspunt te maken van het denken over de wereld, dat heeft hij
gerealiseerd”.
Tegelijkertijd heeft géén
ander antiek, christelijk auteur zulk een overweldigende betekenis
gehad voor het latere West-Europese denken. Zijn zeer omvangrijk oeuvre
- 97 werken, bestaande uit 232 "boeken", verder 218 brieven en meer dan
500 sermoenen - vormde voor onze middeleeuwers een "tweede Bijbel". Er
was omzeggens géén middeleeuws denker die
zichzelf niet als een augustiniaan beschouwde, hoezeer zijn opvattingen
in werkelijkheid ook mochten afwijken van andere auteurs zowel als van
Augustinus zelf - zoals Chr. Morris schrijft.[2]
Zowel de “Hegel van de vroege
middeleeuwen”, Johannes Scottus Eriugena (9de
eeuw), de latere augustinianen Anselmus (11de eeuw) en Bonaventura
(13de eeuw), als de "aristotelicus" Thomas van Aquino beschouwden
Augustinus als hun hoogste autoriteit; zowel de verdedigers van de
pauselijke theocratie, bv. Augustinus Triumphans, als een Wilhelm van
Ockham, die de pauselijke aanspraken bestreed, beriepen zich op de
Kerkvader van Hippo. Ook de middeleeuwse mystiekers - zowel Bernard van
Clairvaux, 1091-1153, als later, iemand als Ruusbroeck, 1293-1381 -
zouden zich inspireren op de augustinische "fruitio Dei"
(“genieting van God”).
Maar zijn werking bleef niet beperkt tot de
middeleeuwen. Weliswaar was er in de "Nieuwe Tijden" - met uitzondering
van de milieu's waarin de scholastieke tradities overleefden (bv. in de
orde der Augustijnereremieten, die der Dominikanen en die der
Franciskanen) - geen sprake meer van een "Augustinus
Magister", d.w.z. van Augustinus als
een dogmatische autoriteit waaraan het eigen denken op
één of andere wijze wel moést
geconformeerd te worden. Bezield door een nieuw historisch bewustzijn,
zou men voortaan naar Augustinus teruggrijpen in het kader van de
behoefte aan historische voorbeelden.[3]
Dat geldt voor de Renaissance. Bijvoorbeeld voor
de Florentijnse Plato-Academie (Marsilio Ficino) leek Augustinus de
historische belichaming van de nagestreefde synthese tussen platonisme
en christendom. Maar ook de grote voormannen van de Reformatie beriepen
zich uitdrukkelijk op hem, en niet ten onrechte, blijkbaar (zie vooral
zijn leer over de genade en de predestinatie). Terwijl het bij tal van
middeleeuwse scholastiekers finaal om weinig meer dan "lippendienst"
ging, brachten Luther en Calvijn een religieuze revolutie teweeg door
a.h.w. alleen het "augustiniaanse deel" van het middeleeuwse denken te
aanvaarden en al de rest te verwerpen.[4] Zowel Luther ("Augustinus...
meus totus est") als Calvijn ("totus noster est")[5] eisten
hem daarom voor zich op, en men heeft het Protestantisme als de
"Augustijnse helft van het Katholicisme" kunnen bestempelen.[6] In de
katholieke landen, anderzijds, kan behalve naar de al vermelde
schooltradities ook verwezen worden naar het Jansenisme en Pascal,
Bossuet en kardinaal Newman. Het feit dat, in de laatste vijf eeuwen,
de output aan tekstuitgaven, vertalingen, commentaren en studies van
elk aspect van zijn denken de output gewijd aan gelijkwelk
ànder theologisch auteur, Thomas incluis, verre overtroffen
heeft,[7]
getuigt van de blijvende aantrekkingskracht die Augustinus op het
West-Europese, alleszins religieus-theologische denken uitoefent.
Wat zijn blijvende filosofische betekenis
betreft, moet wellicht vooral gewezen worden op de universele
geschiedenisfilosofie die hij als eerste geconcipieerd heeft. Alle
maatschappelijke fenomenen krijgen hier een zingeving vanuit het idee
dat de totale menselijke geschiedenis het product is van de strijd
tussen twee tegengestelde krachten en aspiraties, en moet uitlopen op
de realisatie van het "Eschaton". Zoals opgemerkt
wordt door E.Frank,[8]
zijn alle latere geschiedenisvisies, ook de geseculariseerde (denken we
bv. aan Marx' begrip van de "klassenstrijd", als
motor van de geschiedenis), daaraan in bepaalde mate schatplichtig
gebleven. Volgens dezelfde auteur, trouwens, moeten we nog
vérder gaan, en heeft Augustinus een algemene metafysica
gegrondvest, waarvan alle latere denken afhankelijk is (m.v.): [9]
“Augustinus verleende voor
de eerste maal een adequate filosofische uitdrukking aan de nieuwe,
christelijke opvatting over de mens, God en de wereld. Hij werd aldus
de grondlegger van een christelijke metafysica waarvan alle latere
filosofen afhankelijk zijn, ook wanneer zij zijn tegenstander zijn en
het christelijke dogma verwerpen”.
Om al die redenen is het wellicht niet overdreven
te stellen, zoals D.D.Williams, The Significance of
St.Augustine Today,[10] het doet, dat
“gelijk wie de structurele
ideeën wil kennen van de christelijke traditie en de westerse
filosofie, die gedurende vijftien eeuwen onze geesten hebben vorm
gegeven, moet St. Augustinus kennen” (m.v.).
Augustinus' plaats in de overgang van de antieke
cultuur naar die van het "Avondland" wordt door Andresen (1975b:6) zeer
passend vergeleken met die van een lens: langs de
ene zijde trekt zij de lichtstralen samen tot één
stralenbundel, maar ze zendt ze langs de andere zijde opnieuw uit in de
meest uiteenlopende richtingen (m.v.):
“Zoals Augustinus zelf aan
de meest uiteenlopende geesten van zijn tijd ontvlamde, zo hebben ook
de meest verschillende denkers van de cultuur- en geestesgeschiedenis
van het Avondland, maar vooral van de Kerkgeschiedenis, zich door hem
laten inspireren”.
Het unifiërend moment wordt hierbij
gegeven door de subjectiviteit van Augustinus'
geesteswereld. Hoog begaafd en beschikkend over een fenomenaal
geheugen, was Augustinus van een zeer gevoelige, zelfs overgevoelige
natuur, voor wie de herinnering aan vroegere ervaringen zelfs vele
jaren later nog weinig of niets had ingeboet aan intensiteit.
Tegelijkertijd wist hij als geen ander die gevoelens te articuleren en
uit te drukken.[11]
Vanuit die psychologische ingesteldheid heeft hij
zowel de historische omstandigheden en gebeurtenissen van zijn tijd -
die een tijd van crisis was - als de verschillende ervaringen en
invloeden die zijn eigen levensweg bepaald hebben, op een intense
manier beleefd en dermate geestelijk verwerkt dat ze ook zijn verdere
leven en denken diepgaand zijn blijven bepalen. Op zijn oude dag zouden
ze omzeggens nog even sterk blijven doorwerken als op jongere leeftijd.
Maar Augustinus was niet alleen de man van de "Zelfgesprekken"
(Soliloquia) en "Belijdenissen"
(Confessiones), d.w.z. van
een denken dat zichzelf genoeg wou zijn. Hij was ook de auteur van "filosofische
dialogen", en in het algemeen kan in zijn teksten een
opvallende dialectische ingesteldheid worden vastgesteld, die open
staat voor de standpunten en vraagstellingen die door anderen
aangebracht worden. Vooral zodra hij bisschop was, werd hij trouwens
aanhoudend geconfronteerd met andermans problemen, met vragen om
advies, om tussenkomst, enz. Al vlug trad hij in correspondentie met
alle uithoeken van de Middellandse Zee: met kloosterlingen in
Gallië, zowel als met Hiëronymus in Palestina.[12]
Als geestelijke leider van de Afrikaanse Kerk
(het formele hoofd ervan was de bisschop van Carthago), trad hij in het
strijdperk tegen "heidenen", "schismatiekers" en "ketterijen". Polemische werken
daarom zijn bijzonder sterk vertegenwoordigd in zijn oeuvre
(ook zijn beroemde De Civitate Dei is een polemiek,
namelijk met het "heidendom"). Kenmerkend bij dat alles is dat
Augustinus zich de vragen en problemen waarmee hij geconfronteerd werd,
op zo'n sterke wijze persoonlijk ging eigen maken dat ze ook zijn
denken op beslissende manier zouden beïnvloeden. Anders gezegd: de wijze waarop
hij de eigen opvattingen leerde definieren, werd in belangrijke mate bepaald
door en in zijn verzet tegen andersdenkenden. Zie
bijvoorbeeld het belang van zijn strijd tegen het donatisme voor zijn
sacramentenleer en politieke theologie; van die tegen het pelagianisme voor zijn
genade- en wilsleer; en van die tegen het manicheïsme voor zijn zondeleer. Andresen (1975b:9) spreekt terecht van "de dialectiek
van de augustinische historiciteit”,
en trekt daaruit twee conclusies:
1°) elke interpretatie moet rekening
houden met die fundamentele betrokkenheid van Augustinus’
denken op de eigen tijdsomstandigheden: “de
biografische schets en de historische omkadering zijn onontbeerlijk
voor de Augustinusstudie” (p. 10).
2°) de geestelijke wereld van
Augustinus mag niet vergeleken worden met een in zich gesloten en
homogeen systeem, organisch gegroeid uit één
wortel en geconstitueerd door gelijksoortige elementen: ze is veeleer
opgebouwd uit de meest heterogene bouwstenen, en gelijkt daarom eerder
op "een magnetisch spanningsveld" dan op een
harmonische eenheid. De geestelijke kracht, echter, van het
augustinische denken bestond erin dat het de heterogene elementen
telkens weer tot een "dialectische synthese" wist
te verenigen.[13]
Voor Augustinus' opponenten, begrijpelijkerwijze, waren vooral de
tegenstrijdigheden interessant waarin Augustinus onvermijdelijk
verwikkeld geraakte vanuit die 'dialectische' ingesteldheid (bv. op het
gebied van de vrije wil, tussen zijn eerdere, anti-manicheïsche en zijn
latere, anti-pelagiaanse formuleringen). In zijn late Retractationes
zou hij alsnog pogen dienaangaande 'de plooien glad te strijken' -
zonder daarin altijd goed te slagen.
2. Augustinus' leven viel in
één van de meest dramatische, zo niet meest
beslissende fazen in de overlevingsstrijd van het Imperium Romanum.[14]
Na de diepgaande crisis van de 3de eeuw, was het
rijk in het begin van de 4de eeuw door de hervormingen van vooral
keizer Diocletianus (284-305) a.h.w. op een nieuwe basis heropgericht:
met een leger dat geprofessionaliseerd was tot op de hoogste
échelons, een gemilitariseerde en gehiërarchiseerde
burocratie van een buitengewone complexiteit, een verpletterende
fiscaliteit, quasi erfelijke kasten (mede met het oog op een doelmatige
fiscaliteit), een repressief rechterlijk apparaat en een geheime
staatspolitie ("agentes in rebus" noemt
Augustinus hen), nam dat nieuwe rijk de trekken aan van een totalitaire
staat. De ideologische sluitsteen van deze hervormingen werd gelegd
door Constantijn (306-337): door de adoptie van het Christendom als
rijksideologie en de officiële introductie van de erfelijke
opvolging werden de laatste banden verbroken met de oude Romeinse
"burgerstaat", en werd het Imperium een monarchie bij de gratie Gods.[15] Het
hoeft dan ook niet te verwonderen dat de keizer zelf, hoewel een leek,
een actieve rol speelde in de concilies die de orthodoxe dogmatiek
vastlegden.
Dat het christendom de onmisbare ideologische
basis verleende aan de "nieuwe orde", was zeker niet toevallig, zoals
Starr opmerkt (1982:138):
“Want het christendom was
de meest volmaakte uiteenzetting van de nieuwe kijk op de wereld en de
mens; het liep op velerlei manieren parallel met het heidense denken,
maar stak het voorbij in zijn ultieme afwijzing van de klassieke
concepten. Aan de toenemende individualisering van de mensen in het
Imperium werd door het christendom voldaan op ten minste drie manieren:
het naar voren schuiven van een mens die leefde, stierf en verrees
binnen de historische tijd als de heiland in de nieuwe cultus; het
vestigen van een theologische basis voor individualiteit, tot dewelke
ontmoedigde mensen in het Imperium zich een na een konden wenden; en de
proclamatie van de spirituele gelijkheid van alle mensen in een
maatschappelijk systeem dat in de buitenwereld een als maar scherper
onderscheid maakte tussen aristocraten en plebejers”.
Het succes van die ideologische "omwenteling" kan
afgelezen worden aan het voortbestaan van het (later "Byzantijnse")
rijk in het Oosten, tegen de voortdurende agressies van buitenaf in.
Zoals Morris schrijft[16]:
“De Oosterse Kerk deed niet
weinig om de Byzantijnse staat te motiveren voor zijn niet-aflatende
strijd tegen de ongelovige. Laten we niet vergeten dat de Byzantijnen
zich herstelden van de Gothische inval om vervolgens de Perzen en de
Arabieren terug te slaan en gedurende vele eeuwen de Turken te
weerstaan. De Byzantijnse moraal is een niet te verwaarlozen factor in
de Europese geschiedenis en de kwaliteit ervan was wezenlijk en diep
christelijk. Het is hoogst onwaarschijnlijk dat een heidens Byzantium
het zo lang zou volgehouden hebben”.
In zijn jeugd was Augustinus getuige geweest van
de (kortstondige) restauratie van het Hellenisme door Joulianos, neef
van Constantijn en keizer van 361 tot 363 (hij sneuvelde in een
veldtocht tegen de Perzen). Die mislukte poging was gevolgd door een
nog sterkere binding van het Rijk aan het christendom onder de keizers
Gratianus en, vooral, Theodosius I, "imperator
Christianissimus, die het christendom tot
verplichte staatsgodsdienst maakte voor alle onderdanen. Mede als
gevolg van de supplementaire belasting die op de (primitieve
agrarische) economie gelegd was door de opname en uitbouw van de
kerkelijke hiërarchie in het staatsapparaat, werd het Rijk
naar het einde van de 4de eeuw toe in toenemende mate geplaagd door
economische moeilijkheden en een verscherpende sociale polarisatie -
met vooral in het Westen grootschalige boerenopstanden (zoals de "Bacaudae",
in Gallië, en ook de "Circumcelliones",
in Noord-Afrika)[17].
Het Rijk onderging ook zware politieke en
militaire schokken: in 378 was er de verpletterende nederlaag tegen de
Gothen bij Adrianopolis; na Theodosius werd het Rijk definitief in twee
verdeeld en viel het westelijke deel ten prooi aan de invallen van
Vandalen, Sueben, Visigothen, e.a. In 410 werd Rome drie dagen
geplunderd door de troepen van Alarik (een in het Rijk
"geïntegreerde" Visigooth)... Dat alles doet R.A. Markus
schrijven[18]:
“Van Augustinus’
leven kan in belangrijke mate gezegd worden dat het samenviel met de
overgang van de oudheid naar de middeleeuwen”.
Dat betekent natuurlijk niet dat Augustinus zelf
zich ervan bewust was het einde van het Imperium en de overgang naar
een "nieuwe tijd" te beleven[19].
Anderzijds mag uit het voorgaande ook niet worden afgeleid dat de 4de
eeuw op geestelijk en cultureel gebied een tijd van stagnatie of
achteruitgang zou zijn geweest. Het tegendeel is waar: het was een tijd
van nieuwe bloei en vitaliteit. De verklaring daarvoor moet vooral
gezocht worden in de grote sociale mobiliteit die de vestiging van de
nieuwe orde, ondanks alles, met zich had gebracht[20].
Vandaar dat de 4de eeuw door een enorme bouwwoede
gekenmerkt werd, uitdrukking van de hoge welstand die de "nieuwe orde"
gebracht had aan de heersende klassen: bv. de creatie van
Constantinopel als een zo goed als nieuwe metropool; maar ook andere
steden, bv. Trier, Milaan - de keizerlijke residentie in het Westen -,
Rome, e.a., kenden een architecturale explosie. Tegelijkertijd was er
ook een sterke heropleving van het geestelijke en intellectuele leven[21]. De
literaire testimonia die uit de 4de eeuw tot ons zijn gekomen, hebben
een volume en een verscheidenheid die je, aldus Starr (1982:164),
"versteld" doen staan.
Dat alles geldt met name ook voor het christendom
dat zich in deze periode, ondanks de weerstand van het "paganisme" en
ondanks de bedreigingen uitgaande van schisma's en ketterijen, toch op
alle vlakken ging ontplooien. De 4de eeuw is dan ook "l'âge
d'or" van de Kerkvaders, en Augustinus, of hij ze gekend
heeft of niet, was de tijdgenoot van de grootsten onder hen: bv. de
zgn. Cappadociërs: Basileios de Grote, Gregorios van Nyssa en
Gregorios van Nazianze.[22]
De Kerk, inderdaad, zou voortaan een aantrekkingspool vormen voor de
meest ambitieuze en creatieve krachten in de samenleving. Ze werd aldus
een gevaarlijke concurrente voor de Staat, waaraan ze, behalve
financiële en materiële middelen, in toenemende mate
ook de levensnoodzakelijke man- én denkkracht onttrok. Zoals
Starr het formuleert (1982:163): “De Kerk slikte
gulzig zowel geld als mankracht, en misschien kon die mankracht nog het
minst gemakkelijk gemist worden”. Het was dan ook
niet op de laatste plaats door déze ontwikkeling dat de Kerk
althans in het Westen een actieve bijdrage leverde tot de verzwakking
van de Rijksorde. Om Momigliano te citeren (1964b:9):
“Hoewel de Staat poogde
alles te reglementeren, was hij niet bij machte de concurrentie van de
Kerk te voorkomen of onderdrukken. Een man kon daadwerkelijk aan de
autoriteit van de Staat ontsnappen door de Kerk te vervoegen. Als hij
van macht hield, zou hij spoedig ontdekken dat er binnen de Kerk meer
macht kon worden gevonden dan in de Staat. De Kerk trok de meest
creatieve geesten aan - St. Ambrosius, St. Hiëronymus,
Hilarius van Poitiers, St. Augustinus, in het Westen; Athanasius,
Johannes Chrysostomos, Gregorios van Nazianze en Basileios van Cesarea
in het Oosten: bijna allemaal geboren heersers, heersers van een type
dat, met uitzondering van de intellectueel gevormde keizer Joulianos,
moeilijk te vinden was op de keizerlijke troon”.
"Inquietum est cor nostrum", "rusteloos
is ons hart", schrijft Augustinus in de aanvang van zijn Confessiones.
Hij drukt daarmee, doorheen zijn persoonlijke ervaringen, ongetwijfeld
ook de algemene "rusteloosheid" uit die kenmerkend was voor zijn tijd.
Van die tijdsomstandigheden was hij een bevoorrecht getuige, en
tegelijkertijd heeft hij een beslissende bijdrage geleverd tot de
nieuwe ontwikkelingen op theoretisch, religieus en ideologisch gebied
die eruit zijn voortgekomen.
1. Leven en Werk [23]
1.1. Aurelius Augustinus werd
geboren in 354 in Thagaste, een klein provincieplaatsje (180 km ten
oosten van het huidige Constantine) in Noord-Afrika (het toenmalige
Numidië), in een eerder bescheiden sociaal milieu. Zijn vader,
kleine grondeigenaar, behoorde tot de klasse van de zogenaamde
curiales, d.w.z.
“die provinciale notabelen
die verpletterd werden onder het gewicht van hun collectieve
verantwoordelijkheid inzake fiscaliteit - m.a.w. hij behoorde tot een
kleinburgerij die op weg was naar proletarisering”.[24]
Zijn moeder was christen (de "H.Monica") en gaf
aan Augustinus een christelijke opvoeding. Zoals echter gebruikelijk
was in die tijd, werd zijn doop uitgesteld. Dank zij grote
financiële offers vanwege zijn ouders, en niet zonder de steun
van een rijk weldoener uit de buurt, kreeg Augustinus een degelijke,
"klassieke" opleiding. Zij moest hem tot een eminent vertegenwoordiger
maken van de antieke cultuur, een "vir eloquentissimus atque
doctissimus", en moest als zodanig de springplank worden
voor een succesvolle wereldlijke carrière. Dergelijke
opleiding was in de late oudheid essentieel literair en retorisch.
Tegelijkertijd was ze erg conservatief: het opzet ervan was de geest te
vormen naar het model van de hoogstaande producten uit het verleden.
Bovendien was het een overwegend Latijnse vorming.[25]
Omwille van de financiële nood thuis
(zijn vader was ondertussen overleden), begon Augustinus op 19-jarige
leeftijd, met succes, zelf les te geven in de retorica, eerst in
Thagaste, daarna in Carthago, de hoofdplaats van Numidië (in
374), vervolgens in Rome (383). Uiteindelijk werd hij in 384, op amper
30-jarige leeftijd, houder van de publieke leerstoel voor
welsprekendheid in Milaan, de keizerlijke residentie in het Westen.
Zijn "broodje was gebakken", zo leek het: hij mocht het vooruitzicht
koesteren op een gouverneurschap en een huwelijk met iemand uit de
plaatselijke aristocratie.
1.2. Voor filosofie was in
Augustinus’ opleiding geen plaats geweest: "rhetor"
en "filosoof" drukten in de oudheid twee
tegengestelde levenswijzen uit, de eerste gericht op maatschappelijke
(politieke) praktijk en wereldlijk succes, de tweede op wereldvlucht,
ascese en studie. Het was de min of meer toevallige lectuur, op
18-jarige leeftijd, van de Hortensius van Cicero -
een (verloren) werk waarin de oude Cicero, naar het voorbeeld van
Aristoteles' Protrepticus, een pleidooi houdt voor
de filosofie - die hierin (een begin van) verandering zou brengen[26]. Dank
zij die lectuur werd Augustinus a.h.w. gewonnen voor de
"filosofie", d.w.z. voor een leven gewijd aan het zoeken naar
de sapientia, of wijsheid. Met
de begripsontwikkeling die “philosophia”
in de latere oudheid had ondergaan, kwam die betrachting neer op een
zoeken naar "God", als het summum bonum, het
"opperste goede", dat, alléén, aan de
mens de ware beatitudo, of "gelukzaligheid",
kon geven. Zoals hij het later nog in zijn De civitate Dei
(CD) zou schrijven, VIII:1:
"Si sapientia Deus est..., verus
philosophus amator Dei (est)", of:
“indien de wijsheid God is..., dan is de ware wijsgeer Gods
minnaar”.[27]
Helaas, op het ogenblik dat Augustinus aldus de
filosofie ontdekte, werd hij door de familiale omstandigheden verplicht
zich met zijn broodwinning bezig te houden. Van filosofie studeren
kon geen sprake zijn, en Augustinus' filosofische cultuur zou bijgevolg
altijd die van een autodidact zijn.
Vanuit die vereenzelviging tussen "wijsheid"
en "God", en gedetermineerd als hij was door zijn
christelijke opvoeding (het enige dat zijns inziens ontbrak in de Hortensius
was de naam van Christus), wendde Augustinus zich tot het christendom
en de Bijbel. Zoals zovele anderen, echter, werd hij afgestoten door
het primitieve antropomorfisme en de ongecultiveerde taal en stijl van
de Bijbel, "die mij niet waardig leek om vergeleken te
worden met de Tulliaanse (i.e. ciceroniaanse) waardigheid" (Conf.,
III:5). Augustinus bekeerde zich daarom integendeel tot het...
manicheïsme.
Het manicheïsme wees het
judaïsme en het Oude Testament af en was zichzelf gaan
presenteren als een superieure, meer rationele versie van de
oorspronkelijke boodschap van Christus. Zoals Battenhouse het
formuleert (1955b:24):
“De boeken van de
manicheërs... leken een kosmopolitische en rationele vroomheid
te bieden, gezuiverd van bijgeloof. (Ze) gingen er prat op in staat te
zijn de principes van de rationele wetenschap te verzoenen met
‘de essentie’ van de lering van Christus”.
Hoewel het zelf een beroep deed op een
fantastische mythologie, voerde het manicheïsme in het
Romeinse rijk een succesvolle propaganda naar de geletterden toe, met
de slogan, dat "het schandelijk (was) te geloven zonder
rationele basis" (Augustinus, De utilitate credendi,
XIV:31).
De
manicheïsche Kerk was gesticht door
de Pers Mani
(Manes), geb. 216. Voor zijn
openbaring beriep hij zich zowel op Zoroaster, op
Boeddha, als op Christus: hij riep zich uit tot "de Parakleet"
(cf. Joh., 14:16 en 26: "de Trooster, de
Heilige Geest, die de Vader zenden zal in mijn naam") en de "apostel
van Jesus"; hij beschouwde zichzelf ook als het “zegel
der profeten” (later, in de Koran, hernomen voor
Mohammad). Aanvankelijk gesteund door de sassanidische heersers, werd hij in 276
of 277, na dagenlange folteringen, ter dood gebracht (volgens sommigen
gekruisigd). De traditionele visie, dat het manicheïsme in
oorsprong een oosters fenomeen was, dat slechts secundair in het
Romeinse Rijk christelijke elementen zou hebben opgenomen, is in een
meer recente periode tegengesproken, onder meer op basis van de Griekse
Mani-codex van Keulen (reeds een zo vroeg tegenstander als Alexander
van Lykopolis, ca 300, presenteert het manicheïsme als een
christelijke sekte)[28].
Het manicheïsme
- de “religie van het Licht”, of
de “religie van de Rechtvaardigheid” -
was een "paradoxaal publiekelijk gnosticisme"[29] en, in
latere moslimtermen, een "religie van het Boek"
(het had zijn "Groot Evangelie"). Het evenaarde de
katholieke Kerk zowel in organisatie (het had bv. ook bisschoppen), als
in propagandatechnieken (het maakte gebruik van prachtig
geïllustreerde codices), als in missionarisijver (Mani had aan zijn "uitverkorenen"
- waaronder ook veel vrouwen - de verplichting opgelegd voortdurend
rond te reizen; het was hen verboden een huis te bouwen). Ondanks de
systematische vervolgingen - het manicheïsme is wellicht de
meest vervolgde godsdienst uit de wereldgeschiedenis[30] -
kende het een grote en hardnekkige verspreiding, gedurende vele eeuwen
(in 732 werd het verboden in China; in de middeleeuwen kwam het in het
Westen terug als de Katharenkerk).
Het
manicheïsme was gebaseerd op een
extreem dualisme: al wat bestaat, de wereld zowel als de mens, is het
product van een (rampzalig maar voorlopig) mengsel van de twee
(stoffelijke) absolute oerbeginselen: het Goede of het Licht, en het
Kwade of de Duisternis. Als participant in de kosmische strijd, moet de ("geestelijke” ziel in de) mens zich door een strenge (o.m.
seksuele) ascese bevrijden uit de greep van de "lichamelijke”
ziel. Waar de 3de en de 4de eeuw, als periodes van crisis, vooral
gepassioneerd waren door het probleem van het "Kwade", was de grote
aantrekkingskracht van het manicheïsme vooral gelegen in zijn
materialistisch determinisme aangaande de oorsprong ervan; de zondige mens kon
zich aldus ook "verontschuldigd" voelen.
Organisatorisch
was de manicheïsche kerk
onder meer gekenmerkt door een indeling in twee klassen van volgelingen: (a) een
élite van "uitverkorenen" (electi: bij hen
domineerde het "geestelijke" bestanddeel in het mengsel), die ingewijd waren in de centrale "mysteries"; ze werden geacht de strengste ascetische levenswandel te volgen;
(b)
een periferie van "toehoorders" (auditores) die meer soepele
geboden naleefden en er door het dienen van de "uitverkorenen" konden op rekenen in een volgend leven als "uitverkorene" terug
te keren.
Zie voor het
manicheïsme in het Romeinse
rijk nog altijd: Em. De Stoop, Essai sur la Diffusion du
Manichéisme dans l'Empire Romain,
Gent 1909. Over de leer, zie H.Ch.Puech, Le
Manichéisme, son fondateur, sa doctrine (Paris
1949), en Sur le Manichéisme et autres essais
(1979); voor het manicheïsme in Afrika, zie F.Decret, L’Afrique
Manichéenne (IVe-Ve s.). Etude historique et doctrinale
(1978).
Het
manicheïsme was in het Romeinse rijk
dus vóór alles "une religion d'
intellectuels, de rhéteurs et de professeurs" (De
Stoop, 1909:6-7); het pretendeerde naar God te voeren "mera
et simplici ratione", "door de zuivere en eenvoudige rede" (Augustinus,
De util. cred., I:2).
De jonge Augustinus werd er dan ook volledig voor
gewonnen, en overhaalde zelfs vele vrienden hem te volgen (later zou
het hem de grootste moeite kosten ze er weer uit te "bevrijden"). Na
verloop van tijd, echter - hij bleef 9 jaar manicheër, zij het
een "toehoorder", wat ongetwijfeld met zijn
losbandige levenswandel te maken had -, ging het manicheïsme
zijn greep op hem verliezen: het dogmatische pseudo-rationalisme ervan;
de absurditeiten en tegenstrijdigheden van een mythische kosmologie[31], die
bovendien strijdig waren met de wetenschappelijke gegevens van zijn
tijd; het steeds maar opnieuw uitgesteld worden van de "ultieme
openbaring" die alle twijfels moest oplossen en, bovenal, de
intellectuele zwakte van de leider van de Kerk in
Noord-Afrika, namelijk bisschop Faustus, die hij na 9 jaar eindelijk
mocht ontmoeten, deden Augustinus tenslotte zijn illusies verliezen,
cf. Confessiones, V:6, 10-13[32]:
"Gedurende de 9 jaar ongeveer dat ik,
ongedurig van geest (animo vagabundus), hun
toehoorder was, ging ik met een steeds hoger gespannen verwachting de
komst van die Faustus verlangen. Want alle andere manicheërs
die ik toevallig ontmoette en die in gebreke bleven bij mijn vragen
omtrent zulke onderwerpen, brachten mij die man naar voor: zodra hij
was aangekomen en een gesprek op gang was gebracht, zouden al mijn
vragen, en zo mogelijk nog zwaardere, met het grootste gemak opgelost
worden... Zodra hij dan kwam, maakte ik kennis met een aangenaam mens
en een gezellige prater, die over dezelfde zaken babbelde als de
anderen, maar op een veel meer onderhoudende manier... Zodra ik in de
gelegenheid was (een vertrouwelijke gedachtewisseling met hem te
hebben), vond ik al dadelijk in hem een man die, met uitzondering van
de grammatica, onbedreven was in de vrije kunsten... Nadat mij
genoegzaam was gebleken, dat hij onkundig was in die wetenschappen
waarin hij, naar ik meende, zou uitmunten, begon ik de hoop op te geven
dat hij mij datgene wat mij niet met rust liet, zou kunnen verklaren en
oplossen... Zo had de studieijver die ik besteed had aan de geschriften
van Mani, een knak gekregen, en ik wanhoopte nog veel meer m.b.t. hun
overige geleerden...".
Het conflict dat Augustinus aldus doormaakte
tussen "rede" (de antieke wetenschap) en "geloof" (het
manicheïsme) - zie Conf., V:3,6 - deed hem
nochtans niet echt breken met het manicheïsche milieu (het
vormde in Noord-Afrika het middelpunt van een actief cultureel leven);
hij bleef met name geloven in de manicheïsche leer over het
kwade en het materialistisch determinisme.
1.3. Ook tijdens zijn
verblijf in Rome (383) bleef Augustinus in contact met
manicheërs. Zijn intellectuele onvrede nochtans deed hem zich
wenden tot de akademische skepsis (vooral Karneades, 219-129 vK),
waarvan hij de kenniskritische standpunten eveneens uiteengezet vond
bij Cicero. Ze hielpen hem zich verder te bevrijden van het
manicheïsch dogmatisme; tegelijkertijd leerden ze hem dat de
zintuiglijke werkelijkheid geen bron kon zijn van zekere en
onbetwistbare kennis.
Een beslissend keerpunt voor zijn latere leven en
denken kwam dan met zijn aanstelling (dank zij een
manicheïsche "piston" bij Symmachus, de heidense stadsprefect
van Rome!) voor de retorica-leerstoel in Milaan (384). Mede daartoe
gestimuleerd door zijn moeder (die was overgekomen uit Afrika), kwam
hij er in contact met de sterke persoonlijkheid van bisschop Ambrosius.
Hoewel vooral religieus-praktisch en pastoraal
ingesteld, vormde die bisschop het centrum van een kring van
christelijke intellectuelen. In onderscheid met het erg
joods-legalistische karakter van het oorspronkelijke Latijnse
christendom, hadden zij een platonische, d.w.z. plotinische
interpretatie ontwikkeld van de christelijke leer. Op basis daarvan
brachten ze een meer spirituele lectuur van de Bijbel. De "scharnier"
tussen christenen en platonici in Milaan was de proloog van het
Johannesevangelie (cf. CD, X:29)[33].Ook Ambrosius zelf blijkt in
zijn teksten en sermoenen volop gebruik te hebben gemaakt van teksten
van Plotinos en Porphurios[34].
Het was echter de lectuur van de "libri
Platonicorum”, “de boeken van de platonici"
zélf - d.w.z. van de Latijnse vertaling van teksten van
Plotinos en Porphurios door Marius Victorinus (eveneens een Afrikaans
retor die ca 355, op late leeftijd christen was geworden), - die op
Augustinus het effect zou hebben van een openbaring: ze deed hem
tenslotte besluiten, in 386, te verzaken aan zijn (sterke) "vleselijke"
en wereldlijke verlangens en de definitieve stap te zetten naar het
christendom (hij ging daarop ook de Brieven van Paulus lezen). In die "boeken
der platonici", inderdaad, las hij
"wel niet woordelijk, maar wat toch
volkomen op hetzelfde neerkomt, en met vele en velerlei bewijzen
gestaafd, dat 'in den beginne was het Woord en het Woord was bij
God..."' (Conf., VII:9,13).
Zoals zovelen voor hem, m.a.w., begreep ook
Augustinus de neoplatonische teksten als een filosofische weergave, en
justificatie, van de christelijke Waarheid. Ook wanneer hij later, door
zijn bisschoppelijke werkzaamheden, dichter bij het "Vulgärkatholizismus"
kwam te staan, en meer oog kreeg voor de
tégenstellingen tussen platonisme en christendom
(bijvoorbeeld m.b.t. de Incarnatie), blééf
Augustinus het platonisme huldigen als een "voorbereiding"
op het Evangelie (vgl. bv. CD, VIII:5: "nulli nobis quam isti
(sc. Platonici) propius accesserunt", "geen anderen dan de Platonici
zijn ons zo nabij gekomen").
De voornaamste filosofische problemen waarmee
Augustinus tot dan toe geworsteld had, vonden door zijn ontdekking van
het neoplatonisme een oplossing: de intelligibele wereld, als zijns- en
kennisgrond, bevrijdde hem van zijn materialisme en skepticisme,
terwijl Plotinos' leer van het kwade, namelijk als
"afwezigheid-van-zijn”, hem afstand kon doen nemen van het manicheïsch dualisme[35]. Bovenal leerde Plotinos hem
de innerlijkheidsmethode kennen om tot zelfkennis en kennis van God te
komen (zie verder).
Met die bekering tot een platoniserend
christendom had Augustinus’ zoektocht naar de “sapientia”,
die hij op 19-jarige leeftijd onder inspiratie van Cicero had aangevat,
een beslissende vooruitgang gemaakt (maar nog geen eindpunt bereikt).
Hij was, zoals hij het in De beata vita, I:1, zelf
uitdrukt, geland in
"de haven van de filosofie, vanwaar
men kan verder gaan naar de streek en het land van
het gelukkige leven (beata vita)" (m.o.).
Ook voor Augustinus, m.a.w., was zijn bekering
tot het christendom een bekering tot de "ware filosofie",
zodat ze tegelijkertijd ook een bekering betekende tot de ascetische,
teruggetrokken en op studie gerichte levensvoering (bíos)
van de filosoof[36];
het daadwerkelijk realiseren van de sapientia,
en dus van de beatitudo, moest
daarvan het finale resultaat zijn.
Na zijn bekering en in afwachting van zijn doop
(Pasen 387), trok Augustinus zich terug, met vrienden en verwanten, op
een even goed filosofische als religieuze "retraite" in een villa te
Cassiciacum, buiten Milaan. Uit de filosofische discussies die hij er
voerde en het filosofisch onderricht dat hij er, à la
Platoon, gaf, resulteerden de zgn. "filosofische dialogen": Contra
Academicos, De beata vita, De
ordine, Soliloquia, De
immortalitate animae...[37], Hij zou daarin ook proberen
af te rekenen met zijn manicheïsch verleden. Daarnaast werd
hij door zijn pedagogische bekommernissen ook geïnspireerd om
een grootschalig project op te starten van handboeken over de artes
liberales, of “vrije kunsten
(wetenschappen)”: zie zijn De musica
(voltooid in Thagaste) en zijn De dialectica[38].
Typisch aan dit laatste opzet was het integreren van de artes
in het platonisch-plotinisch project van ascensio,
of opklimming van het zintuiglijke naar het geestelijke: ze werden
etappes in een dialectiek van opklimming.
Augustinus zette die literaire productie verder,
eerst tijdens een tweede verblijf in Rome (herfst 387 - zomer 388),
vervolgens terug in Afrika, met de oprichting te Thagaste van een
kleine klooster-, tegelijkertijd filosofengemeenschap. Hierbij werd in
de eerste plaats de anti-manicheïsche polemiek verder
ontwikkeld: cf. De quantitate animae (Rome), De
moribus ecclesiae catholicae et manichaeorum (Rome), De
libero arbitrio (boeken II en III ervan werden pas voltooid
wanneer hij al priester was in Hippo), De Genesi contra
Manichaeos, De vera religione. Verder
schrijft hij het bekende De magistro (ook in
dialoogvorm) en voltooit hij, zoals gezegd, De musica.
1.4. Had Augustinus, in
Thagaste, ongetwijfeld de bedoeling de rest van zijn leven door te
brengen in de gelukzalige afzondering van de filosofische contemplatie
met geestesgenoten, dan werd daaraan door een toevallige reis naar
Hippo Regius een bruusk einde gesteld: "ontdekt" onder de gelovigen
tijdens de misviering, werd hij, zijns ondanks, aangesteld tot priester
("presbyter"), in 391. Enkele tijd later werd hij bisschop van Hippo.
Zijn leven werd voortaan voor het grootste deel in beslag genomen door
pastorale en religieus-praktische (liturgie, sacramenten, prediking,
catechese...: een bisschop moest toen alles zelf doen), maar ook door
tal van administratieve en bestuurlijke bekommernissen (zo moest hij
bv. ook recht spreken: ook in dit opzicht was de 5de eeuw een stap naar
het middeleeuwse type van christenheid, namelijk dat de bisschop steeds
meer politieke en juridische bevoegdheden toegeschoven kreeg vanwege de
centrale overheid). Daarenboven moest hij ook deelnemen aan concilies,
colloquia, e.d., regelmatig op reis gaan, enz. In zijn brieven doet hij
dan ook zijn beklag over de "episcopalis sarcina", "de
bisschoppelijke last", waaronder hij gebukt gaat (bv.
Epistula 86).
Desalniettemin slaagde Augustinus erin in deze
drukke jaren een immens oeuvre bijeen te schrijven, zij het dan dat dat
niet altijd zonder moeilijkheden ging. Een overwegende plaats hierin
wordt ingenomen door de polemische werken. Drie groepen komen hier
prominent naar voor: de teksten tegen de manicheërs, die tegen
de donatisten en die tegen de pelagianen. Wat de manicheërs
betreft, bleef Augustinus tijdens de eerste jaren van zijn kerkelijke
aanstelling verdergaan met zijn afrekening. Dat leverde geschriften op
als De duabus animabus, Contra Fortunatum
Manichaeum, Contra Faustum Manichaeum,
e.a.[39]
1.4.1. Augustinus'
geschriften tegen het donatisme betreffen vooral het terrein van de
ecclesiologie, de sacramentenleer, e.d., en dienen hier derhalve niet
opgesomd te worden. Wél moet aangestipt worden dat
Augustinus' hardnekkige strijd tegen de donatistische scheurkerk ervoor
gezorgd heeft dat zijn visie op de twee "civitates",
en met name zijn conceptie van de "civitas
Dei", of “stad van
God”, in belangrijke mate geïnspireerd is
door de donatistische visie op de Kerk als een "societas
sanctorum", d.w.z. als een gemeenschap van "heiligen",
of "integri'" (zie hierover verder, in kap. 3)[40].
Het donatisme
was eerder
een schismatieke dan een ketterse beweging. Het was ontstaan in 312
binnen de Afrikaanse Kerk rond het probleem van de zogenaamde
"lapsi" ("gevallenen"),
of "traditores", d.w.z. de christenen die tijdens
de vervolgingen bezweken waren en hun boeken hadden “overgeleverd”
aan de heidense overheid. Volgens de donatisten
- genoemd naar Donatus (de Grote), de eerste effectieve aartsbisschop
van Carthago (313-347); hij had ongeveer 300 bisschoppen onder zich -
moesten zij verwijderd worden uit de Kerk. Huns inziens was de Kerk dus
een kerk van martelaars, en waren alle religieuze en sacramentele
handelingen waarbij lapsi op een of andere wijze
betrokken waren, ongeldig.
Het donatisme was bijgevolg het product van de
aanpassingsmoeilijkheden die de radicale Afrikaanse christenheid
ondervond bij de overgang van een vervolgde naar een erkende, en dus
geseculariseerde kerk[41].
Interessant is dat het donatistisch fenomeen - dat nog ten tijde van
Augustinus een zeer sterke inplanting had, en met name in Hippo de
meerderheid van de bevolking achter zich had - ook een belangrijke
politieke en sociale betekenis had: de donatisten rekruteerden
voornamelijk in de Berbergebieden, die het minst geromaniseerd waren,
én onder het landbouwproletariaat dat onderdrukt werd door
de grootgrondbezitters. Zoals Marrou (o.c. p.51) het uitdrukt: "il y a
dans l'agitation donatiste tout un aspect de révolte sociale
et de jacquerie". Zo werd met name de opstandige beweging
der Circumcelliones geïnspireerd door
het donatisme[42].
Vanuit die zelfde context tendeerde het donatisme er ook toe de
Romeinse beschaving en de antieke cultuur te verwerpen[43]. Geen
wonder, dus, dat Rijk en Kerk elkaar vonden in de strijd ertegen.
Augustinus, vanuit zijn filosofische
ingesteldheid, deed zijn uiterste best om door middel van overreding en
discussie de hereniging van beide kerken te realiseren. Mede omdat hij
gehandicapt was door zijn sociale positie - hij was al bij al een
geprivilegieerd burger -, liep dat uit op een mislukking. Het Rijk
greep daarop in: in 405 werd door een edict van keizer Honorius de
donatistische Kerk "opgeheven", goederen en gebouwen werden
in beslag genomen, misviering werd verboden, enz. Die maatregelen nochtans
konden de weerstand niet volledig breken. In 411 werd dan van
staatswege een religieus colloquium georganiseerd tussen katholieken en
donatisten. Toen dat eveneens op niets uitliep, werd alsnog met ijzeren
hand, d.w.z. door brutale repressie, executies, enz. de "pax
catholica" doorgedrukt. Althans op korte en middellange
termijn, bleken die vervolgingen succesvol: de gewijzigde
tijdsomstandigheden sedert het ontstaan van het donatisme, de vele, ook
familiale problemen, die de scheuring meebracht, enz., maakten dat heel
wat mensen de gedwongen bekering klaarblijkelijk met een soort
opluchting ondergingen. Dat feit deed Augustinus zijn mening over het
gebruik van dwang en geweld in religieuze zaken herzien. Hoewel het volkomen
inging tegen zijn principiële uitgangspunten[44], zou
hij voortaan het "compelle (of: coge)
intrare" - "dwing ze binnen te komen" -, d.w.z. het gebruik
van geweld als "raccourci" aanvaarden (zijn teksten
in dat verband zouden in de middeleeuwen gretig gebruikt worden als
rechtvaardiging voor de kettervervolgingen)[45].
1.4.2. Veel interessanter,
vanuit filosofisch oogpunt, was de strijd die Augustinus a.h.w. tot op
zijn sterfbed zou voeren tegen het pelagianisme.
Pelagius
was een tijdgenoot
van Augustinus en was van Britse (wellicht Welshe) afkomst (zijn naam
zou een vergrieksing zijn van de Keltische naam Morgan, begrepen als "Marigena").
Werkzaam in Rome in het begin van de 5de eeuw, had hij zich zowel door
zijn voorbeeldige levenswijze als door zijn krachtige dialectiek en
warme welsprekendheid een onbetwiste autoriteit opgebouwd in de
Latijnse christenheid. Op theoretisch vlak hield hij zich bezig met de
strijd tegen het arianisme en vooral tegen het fatalistisch dualisme
van de manicheërs. In 410 moest hij, als zovele anderen, samen
met zijn leerling Caelestius uit Rome wegvluchten voor Alarik en diens
Gothen, en belandde hij in Noord-Afrika. Daarna trok hij naar het
oosten.
Pelagius was in de allereerste plaats een moralist. Zijn optreden
moet gesitueerd worden in de nieuwe context van een geofficialiseerd christendom. Het theologisch vraagstuk omtrent
de respectievelijke bijdrage van menselijke inspanning (de "werken") en
goddelijke genade tot het verwerven van de gelukzaligheid vroeg in die
gewijzigde omstandigheden een aangepast antwoord: het traditionele,
naïeve synergisme (i.e. dat beide "samenwerken") schonk
inderdaad geen bevrediging meer. Pelagius, als consequent moralist,
ontwikkelde een visie die bovenal gefundeerd was op de "werken" of de
praxis, en dus op de menselijke verantwoordelijkheid. De gelovigen
dienden er z.i. toe aangezet te worden een actief deugdzaam leven te
leiden, in bewuste gehoorzaamheid aan de goddelijke geboden[46].
In een dergelijke parenetische context
(d.w.z. van nood aan morele "aansporing") was het een "must"
dat de mensen ervan overtuigd werden dat ze effectief bij machte waren
de goddelijke Wet, die was geopenbaard in de H.Schrift, te
kennen-en-begrijpen én te gehoorzamen-en-uitvoeren; én dus hun eigen heil te
bewerkstelligen.
Vandaar dat Pelagius ertoe neigde, niet zozeer het belang van de goddelijke
genade volledig te ontkennen, maar wel te bepérken tot de
"natuurlijke" gave van rede en vrije wil (de mens is immers geschapen
"naar Gods beeld"). Door die natuurlijke gave lag
de verantwoordelijkheid, de keuze, om goed of slecht te leven - en dus
om in het Hiernamaals beloond of gestraft te worden -, wel degelijk bij
de mens zelf[47]. Een
gevolg hiervan was dat ook niet-christenen, bv. de eigentijdse
"heidense" filosofen, door een deugdzaam leven te leiden een "naturalis
sanctitas", een “natuurlijke
heiligheid” konden verwerven. Vanuit zijn anti-manicheïsme, tenslotte,
loochende Pelagius uitdrukkelijk de erfelijke overdracht van Adams
zondeval (ieder kind wordt dus schuldloos geboren). Christus nam daardoor veeleer de gedaante aan
van een gids en onderwijzer dan van een "verlosser"; de doop, evenzo, was
geen bevrijding van de zondigheid maar gaf toegang tot het koninkrijk
Gods.
Interessant is dat Pelagius en de pelagianen
ook gedreven werden door de behoefte aldus de rechtvaardigheid van God
te bewijzen (cf. beloning en straf; vgl. met later in de Islam de
positie van de Mutazilieten, als "mensen van de
rechtvaardigheid"). Hun radicale afwijzing in dit verband van
Augustinus' leer van de Gratia - ze stonden bekend
als de inimici Gratiae, "de vijanden van de Genade" -
had ook sociale implicaties, en ging gepaard met een veroordeling van
corruptie en sociale onrechtvaardigheid[48]. Augustinus, als "kampioen van
de Genade", stond, nogmaals bij implicatie, voor het tegenovergestelde.
Armstrong (1967b, l.c.), wijst er nog op dat de Pelagianen hiermee zo
goed als alléén stonden in de Kerk: de overgrote
meerderheid van die Kerk had géén problemen met
de wraakroepende sociale ongelijkheden, onrechtvaardigheden en
wreedheden in het late Rijk, "which is one of the worst
scandals in the history of Christendom"[49]. Ter illustratie geeft
Armstrong nog het volgend citaat uit een pelagiaans
geïnspireerd traktaat, De divitiis,
12.2:
"Schaf
de rijken af en ge zult geen armen meer hebben. Als niemand
méér heeft dan hij nodig heeft, zal iedereen
zovéél hebben als hij nodig heeft, want het zijn
de enkele rijken die de oorzaak zijn van het groot aantal armen".[50]
Augustinus had aan de pelagianen een veel
zwaardere kluif dan aan de donatisten. Eerstgenoemden
behoorden tot de intellectuele en culturele élite van
zijn tijd en waren geschoold in de filosofie[51].
Misschien niet zonder enige ironie, verwijst hij zelf naar zijn
tegenstanders als "die grote en subtiele geesten" (Ep.
186.5).
De pelagianen, in elk geval, pakten hem aan op
zijn eigen terrein: zijn eigen geschriften werden ontleed en
tégen hem gebruikt. Eén van de kritieken die hem
het zwaarste troffen - de waarheid kwetst? -, was ongetwijfeld dat hij
nog altijd het slachtoffer was van zijn manicheïsch verleden.
Ook Von Campenhausen (1967:303) oordeelt daaromtrent:
“Er bestaan daadwerkelijk
banden die onmogelijk te verdoezelen zijn, tussen de augustinische
theologie van de genade en zijn eertijds
manicheïsme”. [51bis]
Augustinus’ verweer tegen het pelagianisme, juist omdat het zo
moeilijk was, had belangrijke, 'dialectische'
consequenties voor zijn eigen theoretische positie: betreffende de problemen van vrije wil, predestinatie en genade
werd hij in
een ('manicheïsch') radicalisme gedrukt dat indruiste tegen zijn oorspronkelijke
positie (hij had, zoals gezegd, eertijds zélf een tekst De
libero arbitrio, “over de vrije
wil”, geschreven). Een centrale plaats daarin werd ingenomen door zijn leer
van de erfzonde: de zondeval in de Tuin van Eden, teweeg gebracht door
trots of hoogmoed ('superbia' of 'tyfus'), was wel degelijk
'fataal'. Via de geslachtsgemeenschap was ze doorgegeven aan àlle mensen
en iedereen, bijgevolg, werd "schuldig" geboren. De goddelijke
genade, weliswaar, kon die zondigheid overstijgen en het kwade aldus toch
een plaats geven binnen een omvattende structuur van het goede (Forsyth,
1997:437).
Reeds in 412, nadat zijn aandacht
gevestigd was op Pelagius' opvattingen, had Augustinus een omvattende behandeling ontwikkeld
van zondigheid en verlossing, in zijn traktaat De peccatorum
meritis et remissione libri tres. Met dat traktaat - "'une
véritable somme sur la condition de la nature humaine
destituée de la grâce" (De Plinval,
1966:16) - meende hij definitief verlost te zijn van het probleem.
Niets was minder waar. Tot aan zijn dood zou hij erdoor in beslag
genomen worden.
In 413 had Pelagius zich in Jerusalem gevestigd
en bevond hij zich op het toppunt van zijn roem. Zijn leer kende een
onbetwistbaar succes en bracht "een golf van bekeringen" te
weeg (De Plinval, 1966:12). Maar tegelijkertijd begon het onder meer
ook sociaal provocerend karakter ervan - cf. Pelagius’
prediking van een integraal ascetisme, zijn tirades tegen
"naamchristenen", e.d. - over het ganse rijk vijandige reacties uit te
lokken. Terwijl het rationalisme ervan op heel wat sympathie mocht
rekenen in de Griekse kerk, ging het pelagianisme vooral in Afrika op
hardnekkige weerstand stuiten. Het was uiteindelijk door de "forcing"
van de Afrikaanse Kerk onder de intellectuele leiding van Augustinus
dat het in 418 officieel veroordeeld werd (wat niet zonder zware
repercussies in de Kerk gebeurde: in Italië alleen al moesten achttien
bisschoppen worden afgezet).
Hierna echter ontwikkelde zich een half-pelagianisme,
met name in Zuid-Frankrijk, met figuren als
Johannes Cassianus en de al genoemde Julianus van Eclanus. Het sloot
dichter aan bij het traditionele synergisme: het begin van de wending
naar het goede lag bij de mens, maar ze behoefde Gods genade om
voltooid te worden. Desalniettemin werd het door Augustinus op even
hardnekkige wijze bestreden, a.h.w. tot aan zijn dood. Zijn
anti-pelagiaans corpus beslaat in totaal 15 traktaten, waarvan het
laatste (tegen Julianus) onvoltooid is gebleven. In die teksten legt
hij de nadruk op de ver strekkende negatieve gevolgen van de erfzonde,
en op de absolute noodzaak van de goddelijke genade om ervan bevrijd te
worden. Van daaruit verdedigt hij een volledige predestinatie:
van de massa
perditionís is slechts een bepérkt
aantal mensen finaal uitverkoren (aangezien iedere nazaat van Adam
het 'verdient' verdoemd te zijn, is dat zijns inziens geen onrechtvaardigheid
van God)[52].
Bijna een eeuw na Augustinus’ dood, in
529, zou ook het half-pelagianisme officieel veroordeeld worden (Synode
van Orange), maar die veroordeling berustte eerder op kerkpolitieke
omstandigheden: in werkelijkheid kwam het officiële kerkelijke
standpunt dicht bij het half-pelagianisme te liggen[53].
Dat mocht later de Saksische monnik Gottschalk
ondervinden, die in de 9de eeuw de bekende karolingische
predestinatiestrijd uitlokte: zich beroepend op uittreksels van
(de oude) Augustinus, verdedigde hij de extreme stelling dat elke mens, ongeacht
zijn schuld of verdienste, voorbestemd was door een gemina
praedestinatio, d.w.z. tot zaligheid of verdoemenis. Gottschalk werd
veroordeeld en stierf in de ban[54].
1.4.3. Naast zijn vele
polemische geschriften, echter, heeft Augustinus in deze periode ook
zijn belangrijkste theoretische werken geschreven, zij het dat de
compositie ervan soms vele jaren in beslag nam:
– zijn Confessiones,
voltooid ca 400;
– zijn De Trinitate libri XV,
tussen 399 en 422;
– zijn De doctrina
christiana libri IV, een eerste stuk in 396, het laatste in
426;
– zijn De civitate Dei
libri XXII, tussen 413 en 426.
Verder zijn nog te vermelden: De
utilitate credendi (391-392): belangrijk voor de studie van
zijn methode; De Genesi ad litteram, hoofdbron voor
de studie van zijn kosmologische opvattingen; een reeks hoofdzakelijk
religieuze werken (Enarrationes in Psalmos, 391-; In
Johannis Evangelium, 416-417; De anima et eius
origine, 419-420); sermoenen en Brieven.
Enkele jaren voor zijn dood, 426-427, stelde
Augustinus dan nog zijn Retractationes op, een "catalogue
raisonné" van al zijn werken, waarin hij sommige
van zijn stellingnames preciseert, justifieert en, uitzonderlijk,
corrigeert; ook: al dan niet schijnbare interne tegenstrijdigheden poogt te
verzoenen.
Augustinus stierf in 430, terwijl de Vandalen
voor de poorten van Hippo stonden (de stad zou enkele weken later
volledig verwoest worden).
Laten we nu terugkeren naar Augustinus’
filosofie. Gelet, nochtans, op de complexiteit ervan, zal ik me
beperken tot een tweetal, weliswaar belangwekkende onderdelen ervan:
vooreerst zijn christelijke adaptatie van de plotinische
innerlijkheidsmethode; en vervolgens, kap. 3, zijn leer van de
"Twee Steden" (i.e. zijn geschiedenisfilosofie en zijn
politieke filosofie). Voor een meer uitvoerige
bespreking moet ik verwijzen naar mijn oudere syllabus over
"De Late Oudheid" (1985-86).
2. De Innerlijkheidsmethode
2.1.
Inleiding. Levend, zoals gezegd, in een
tegelijkertijd boeiende én woelige tijd, kende Augustinus,
na een, naar eigen zeggen, "wilde" adolescentie, een
bliksemcarrière die hem, op enkele jaren tijd, vanuit een
provinciaal "nest" katapulteerde in de hoge regionen van de westerse
Romeinse samenleving. In die existentiële situatie, met zijn
gevoelige én hartstochtelijke natuur, werd hij geestelijk
gedreven door een soort van "psychologische nood".
Aldus G.Maertens, in zijn studie, Augustinus over de Mens. Een
visie op de menselijke innerlijkheid tussen Hellenisme en Christendom (1965:29).[55]
Terwijl het maatschappelijke leven werd beheerst door onzekerheid, snelle en onophoudelijke veranderingen
en desintegratie, zocht Augustinus
naar een psychisch houvast dat hem innerlijke zekerheid, stabiliteit en
eenheid kon brengen. Precies die drang naar eenheid en integriteit -
niet enkel van het eigen "ik" maar complementair ook die van een coherent
wereldbeeld - leverde de emotionele "drijfkracht" voor de zoektocht
naar "sapientia", waarop Augustinus zich in zekere zin reeds op 19-jarige
leeftijd had geëngageerd. Zijn latere, geestelijke en religieuze
gedrevenheid stond volledig ten dienste van die "drang naar zelfintegratie", aldus
nogmaals Maertens, 1965:223. Dezelfde auteur merkt reeds aan het begin
van zijn studie op (p. 37):
"We mogen dus reeds hier besluiten
dat dit alles op de eerste plaats een zaak van levensorganisatie zal
zijn, en dat de bekommernis van Augustinus zeker niet geweest is een
filosofisch systeem te ontwerpen. Daarmee kan men in het interpreteren
van termen en affirmaties niet genoeg rekening houden".
Voor Augustinus, bijgevolg, zou de levensopgave
van de mens altijd de "sokratische" opgave zijn van het bereiken van "zelfkennis",
als kennis van de ziel door die ziel. In zijn particuliere
tijdsomstandigheden, echter, maar ook goed aansluitend bij de
(midden-)platonische traditie, was een dergelijke zoektocht naar het
zelf tegelijkertijd ook een zoektocht naar God. Zoals zijn bekende
formulering luidt: “noverim me, noverim
te”, of: “ik zal mezelf kennen,
ik zal u kennen” (Soliloquia,
II:1).
Anders gezegd, hij zou dat zo gezochte,
geïntegreerde bewustzijn realiseren binnen het kader en de
categorieën van de christelijke religie. Of om het in
piagetiaanse termen uit te drukken: hij zou tot een nieuwe
"equilibratie" komen, een hoger, geïntegreerd
zelfbewustzijn, met behulp van een christelijk godsbegrip (dat hij
daarmee zelf hielp constitueren). Dat zou aan zijn essentieel
psychologische bekommernissen onvermijdelijk ook een theologische
dimensie geven. De "gehéle filosofie",
bijgevolg, herleidde zich voor Augustinus tot twéé
soorten kennis: "de ene over de ziel, de andere over God" (una
de anima, altera de Deo", De ordine,
II:xviii.47). Of zoals hij het formuleert in zijn Soliloquia,
I:2.7:
"Mijn (gehele) verlangen is God en de
ziel te kennen. - Niets anders? - Neen, niets anders".
In die zoektocht, zoals hoger al gezegd, heeft
hij maar een beslissende stap vooruit kunnen zetten dank zij de
lectuur, in Milaan, van de “libri
Platonicorum”, d.w.z. vooral van een aantal
(vertaalde) traktaten van Plotinos. Die lectuur
bracht hem wat we kunnen bestempelen als “het
godsdienst-filosofische programma van de inkeer in het eigen innerlijke
als weg naar het schouwen van God” (zo Andresen,
1975b:7).
Volgens Plotinos was de overwinning van de
menselijke zelfvervreemding - wat hij de
“terugkeer naar ons vaderland” noemde -
een kwestie van het zich afwenden van de zintuiglijke buitenwereld en
het zich in-zichzelf-keren, in introspectie. Plotinos’ gehele
filosofie, daarom,
“kan een filosofie van de
innerlijkheid worden genoemd: zijn manier van denken wordt
hoofdzakelijk hierdoor gekenmerkt dat hij als methode een
‘terugkeer in zichzelf’ huldigt”,
aldus Maertens (1965:8). Gelet op de
hiërarchische structuur van het platonisch wereldbeeld in het
algemeen, en van het plotinische in het bijzonder, was die tocht naar
binnen tegelijkertijd een “opklimming”
(Latijn: een ascensio), namelijk vanaf de veelheid
en desintegratie van het zintuiglijke en lichamelijke "omhoog"
naar de eenheid en eeuwigheid van de intelligibele zijnsgrond. Anders
gezegd, de methode ging van het externe naar het interne, en van het
interne naar het hogere, om uit te monden bij het hoogste beginsel. De
zelfkennis resulteerde vandaar ook in godskennis - en juist die kennis
vormde de voltooiing van de (re)constructie van het zelf, d.w.z. was de
eigenlijke “thuiskomst”.
Augustinus heeft die twee zaken - de
innerlijkheidsweg en het hiërarchisatieprincipe - dankbaar van
Plotinos overgenomen. De neoplatonische ascensio
langs de hiërarchisch geordende zijnsgraden leerde hem onder
meer “dat het kwaad geen substantie is, maar een
tekort”[56].
Bovenal echter leerde hij dat de zoektocht naar God - en dus naar de
beatitudo - diende te gebeuren over de menselijke
innerlijkheidssfeer, via een inkeer in zichzelf; dat
alléén de authentieke kennis van het zelf leidde
naar de (kennis van de) transcendente grond ervan. Zoals hij het later
in zijn Belijdenissen (III:6) zou formuleren: “God
die innerlijker zijt dan mijn innerlijkste, en hoger dan mijn
hoogste” (interior intimo meo et superior summo meo).
In de samenvatting van zijn methode, aan het slot
van zijn werkje De ordine geeft Augustinus
uitdrukking aan dat nieuw gewonnen besef dat eenheid en orde waar elke
bewuste mens naar tracht, enkel te realiseren zijn door middel van
zelfkennis die tegelijkertijd kennis van de ziel én van haar
oorsprong, d.w.z. God, is. Methodologisch uitgangspunt voor de
ontwikkeling van die innerlijke blik zijn voor Augustinus, zoals bij
Plotinos, de wetenschappen (de zgn. artes liberales),
die ons de eenheid leren ontdekken in wat ons omringt. Het meest
essentiële element in dat opzicht, zoals in de zintuiglijke
werkelijkheid zelf, is het getal. Al het
zintuiglijke is daaraan onderworpen en daarom is het getal de sleutel
“die toegang verschaft naar de wereld van het
intelligibele”[57].
Nog in zijn Belijdenissen
wordt “de ontdekking van de innerlijkheidsmethode
zelf (door Augustinus) in puur plotinische stijl weergegeven”[58]. In
boek VII ervan alludeert Augustinus ook op enkele pogingen, tijdens
zijn verblijf in Milaan, om langs puur intellectuele weg tot een
“plotinische" extase te komen. Maar die pogingen schonken hem
geen volle bevrediging. Zoals hij schrijft in Conf.,
VII:18:
“En ik zocht de weg om de
kracht te bekomen, die mij in staat zou stellen om U te genieten, en ik
vond hem niet...”.
Dat verklaart waarom Augustinus zich in zijn
milanese bekeringsperiode finaal niét beperkte tot de
lectuur van de “libri Platonicorum”:
hij ging ook de Brieven lezen van Paulus (Conf.
VII:21), wat hem in contact bracht met de paulinische antropologie[59]
- en de belangrijke rol erin van de van Adam overgeërfde zonde (bv. Rom, 5:12). Augustinus’ bekering was er al bij al een tot het
christendom, niet tot het neoplatonisme, en dat had ook belangrijke
implicaties voor de innerlijkheidsmethode.
Weliswaar was ook de plotinische methode
"theocentrisch", d.w.z. wou ze een conversio en dus
een vereniging zijn met het hoogste, goddelijke zijn. Toch lag ze
hoofdzakelijk in de orde van het kennen:
het probleem van de verlossing en het heil werd langs cognitieve of
intellectualistische weg opgelost. De specifiek augustinische methode,
daarentegen, zoals ze bepaald werd door de integratie van een aantal
christelijke categorieën, zou zich veeleer situeren op het
terrein van het willen. Anders
gezegd, bij Augustinus zou het niet langer gaan om een
“conversio mentalis”, of intellectuele
bekering, maar om een “conversio
moralis”[60]. Om het ook nog anders te
formuleren: Augustinus zag de vereniging met God niet als een zuiver
filosofische en theoretische contemplatie, maar als een soort van
liefdesdaad (zelf heeft hij het over fruitio Dei,
“genieting van God”).
De door Augustinus geïntroduceerde
christelijke categorieën gaven aan zijn innerlijkheidsmethode
dus
“een heel eigen karakter en
sfeer: ze (maakten) de innerlijkheid tot een verovering in de tijd, in
de geschiedenis, tot een avontuur”[61].
De drie belangrijkste dergelijke
categorieën waren: (a) die van schepping en genade, (b) de wil
en (c) de tijd. In wat volgt zullen we er achtereenvolgens kort op
ingaan.
2.2.
Schepping en Genade.
De joods-christelijke scheppingsnotie heeft
belangrijke implicaties, meer in het bijzonder voor wat de relatie
betreft tussen de mens(elijke ziel) en het goddelijke, en bijgevolg ook
voor de innerlijkheidsmethode.
In het kader van de plotinische, zogenaamde emanatieleer werd
de menselijke vervreemding gezien als een moment van het universele,
continue proces van neerdaling (proödos) en
terugkeer (epistrophè), van en naar het
absolute Ene. Voor Plotinos bijgevolg was de band tussen mens en
godheid als het ware ontologisch van aard: de ziel is
goddelijk, ze is “de god in ons”.[62] De
vereniging met het goddelijke is bijgevolg, nog altijd vanuit ontologisch
oogpunt, permanent gegeven. Het enige dat nodig is, is dat zij door de innerlijkheidsmethode ook erkend
wordt. Eens de ziel zich
gezuiverd heeft van al het stoffelijke of lichamelijke dat zulk besef
verhindert - eens ze m.a.w. “alles heeft
afgelegd” (Enneaden, V.3, 17) -,
zodat ze geheel en al “licht”
is geworden, is de ascensio een feit[63]. Aan
een of andere leidsman of gids daarbij heeft de ziel
uitdrukkelijk geen behoefte, nogmaals Enn., I.6, 9:
“Dan ben je zélf
gezicht en oog geworden; wees dan vol zelfvertrouwen: omdat je reeds de
hoogste trede bereikt hebt, heb je niemand meer nodig om de weg te
wijzen; richt je oog en zié!”.
Met het christelijke leerpunt van de
creatuurlijkheid van de menselijke ziel kwam dat onvermijdelijk volledig anders te
liggen. God heeft de wereld geschapen “uit het
niets” (de zogenaamde creatio ex nihilo)
door zijn almachtige wil, en tussen beide, God en schepping, is er
de onoverbrugbare kloof van de transcendentie. Reeds vóór
Augustinus hadden christelijke auteurs als Gregorios van Nyssa maar
ook Ambrosius erop gewezen dat de mens slechts bij machte was “omhoog”
te klimmen naar God, indien en in de mate dat God de mens tegemoet kwam. In het kader van de
heilsgeschiedenis was dat exemplarisch gebeurd met de Incarnatie. Bij
zijn latere terugblik in de Belijdenissen, daarom,
beschouwde Augustinus zijn bekering tot het christendom pas als een
feit zodra hij dàt was gaan inzien, vergelijk Conf.,
VII:10, 16:
“(Door de lectuur van het
Oude Testament) aangemaand om tot mijzelf terug te keren, trad ik in
mijn binnenste onder uw leiding (intravi in intima mea duce te)
en ik kon dat wijl 'gij mijn helper geworden zijt’ (Psalmen,
29:11). Ik trad erbinnen en zag met het oog mijner ziel, hoe
zwak het ook was, boven datzelfde oog mijner ziel, boven mijn geest,
een onveranderlijk licht... Het was niet zo boven mijn geest als olie
op het water, noch als de hemel boven de aarde, maar het was hoger,
omdat het mij gemaakt heeft, en ik lager, omdat ik erdoor gemaakt
ben”.
Vooral de eerste zin van voorgaand citaat lijkt
een bewuste inversie te zijn van de Plotinostekst die hoger geciteerd
werd. Precies die inversie van een principe dat voor Plotinos
essentieel was, toont de grote afstand tussen neoplatonisch en
christelijk mysticisme.
In vergelijking, echter, met zijn christelijke voorgangers zou Augustinus,
vanuit zijn intense zelfanalyse en met de rol die daarin gespeeld
werd door zijn zondigheidsbesef, in
zijn innerlijkheidsmethode een nog veel uitdrukkelijker gewicht geven aan die
goddelijke "tegemoetkoming": zónder bestendige goddelijke
tussenkomst en hulp - m.a.w. zonder goddelijke genade
- was de mens zijns inziens compleet machteloos om tot enige
zelfkennis te komen. Dat verklaart waarom het geschrift
waarin Augustinus zijn nieuwe "equilibratie" exemplarisch gerealiseerd
heeft, de Confessiones, de voor ons
bevreemdende vorm heeft van één aanhoudende
smeekbede, namelijk om verlichting[64].
In moraliserend taalgebruik kon Augustinus het
principiële onderscheid met de plotinische methode vereenzelvigen als de
tegenstelling tussen heidense superbia,
of hoogmoed, en christelijke humilitas, of deemoed. Precies die
superbia, die er niet voor terugschrok goddelijke en menselijke natuur
met elkaar te vereenzelvigen, had de val veroorzaakt zowel van de engel
(Satan) als van de mens (Adam); ze lag ook ten grondslag aan ketterijen
zoals het manicheïsme. Zoals gezegd, ging Augustinus veel verder dan zijn christelijke
voorgangers in de beklemtoning van de menselijke hulpeloosheid én
de noodzakelijkheid zowel als de volstrekte gratuïteit van Gods gratia of genade. Geen christelijk
theoloog vóór hem had zo onomwonden gesteld dat
elke menselijke inspanning in het religieus en zedelijk leven volkomen nutteloos
was tenzij de voorafgaandelijke tussenkomst van die genade
de mens in staat had gesteld alsnog in de juiste richting te gaan (met de
predestinatie als een bijkomende "complicatie").[65]
De theorie van de erfzonde, eens ontwikkeld ("ergens tussen 400 en
406", Forsyth, 1997:406), zou voor Augustinus de theologische
hoeksteen gaan vormen van een visie die een (labiel) evenwicht zocht
tussen de manicheïsche en pelagiaanse antipoden. Het ermee verbonden, door
hem gecreërde christelijke wereldbeeld blijkt daarmee gebaseerd op een
spanning, namelijk tussen 'n
monotheïstisch geloof, enerzijds, en 'n tussen 'goed' en 'kwaad',
'licht' en 'duister', gespleten
universum, anderzijds - cf. later, zijn "Twee Steden", "waarvan de
tegengestelde naturen en tendensen de totale, kosmische en menselijke
geschiedenis verklaren", (Forsyth, 1997:404-405).
2.3. De Wil (voluntas)
De introductie in Augustinus’
platonisme van het scheppingsbegrip leidde onvermijdelijk tot een
sterker beklemtonen, zelfs centraal stellen, van het
voluntaristisch aspect van de conversio.
Volledigheidshalve, nochtans, dient erop gewezen dat het menselijke
“willen” reeds bij Plotinos op een bijzondere
belangstelling mocht rekenen: in zoverre de twee beslissende “wendingen”
van de ziel - de eerste “naar beneden”,
als een soort van “vermetelheid”
(Grieks: tolma) van de ziel die 'haar
eigen baas' wil zijn; de tweede naar “omhoog”,
als conversio - uitdrukking geven aan een soort van
verlangen, bezat Plotinos’ filosofie onvermijdelijk
“voluntaristische” trekjes. Vanuit het oogpunt van
de terugkeer, meer in het bijzonder, speelde het menselijke willen een
bescheiden en vooral negatieve rol, ondergeschikt aan de intellectuele
inspanning. Het moest ervoor zorgen dat alle onreinheden (passies,
affecties, enz.) die de intellectuele blik hinderden, weggezuiverd
werden. Zodra al die hindernissen verwijderd waren (door de graduele
realisatie van de deugden), wàs de
conversio gerealiseerd, wàs de ziel
herenigd met de goddelijke zijnsgrond. Zoals Maertens het formuleert
(1965:108):
“De plotinische ascese is
negatief en heeft de eenzaamheid als ideaal. Zijn innerlijkheid
gaaf-maken is, voor Plotinos, wegnemen wat van buiten-af is
binnengedrongen... Zelfkennis is na deze operatie onmiddellijk
Godskennis... Plotinos is hier schatplichtig aan de
socratisch-platonische traditie: deugd valt samen met kennis. Komen tot een
zuivere kennisdaad: aldus laat de moraal zich resumeren” [voor de
klemtoon in de Griekse traditie op kennis en de afwezigheid van een
eigenlijk wilsbegrip, zie hoger, de inleiding bij deze syllabus, "De Aanloop",
kap. 2].
Worden daarentegen mens en wereld gezien als het
resultaat van een vrije scheppingsdaad van God, dan wordt de terugkeer
heel wat problematischer. Kennis volstaat niet meer; de terugkeer zal
de inzet vragen van de gehéle mens en vooral van het
vermogen waaraan het beslissen toekomt: de wil. Boek VIII van de
Confessiones maakt dat bijzonder duidelijk. Op het ogenblik
dat Augustinus de theoretische kennis al verworven had (dank zij
Plotinos), wordt de eigenlijke ascensio beschreven
als een moeizaam en pijnlijk, innerlijk wilsconflict.
Zo heeft hij het, Conf.,
VIII:8, over:
“die grote strijd in mijn
inwendige woning, die ik heftig had aangebonden met mijn ziel... Ik
woedde in mijn geest, verontwaardigd met de geweldigste
verontwaardiging, omdat ik nog niet kwam tot een overeenkomst en een
verbond met u, mijn God... En dààr was niet te
komen met schepen of wagens of te voet; het was niet eens zo ver als ik
uit dat huis naar die plaats was gegaan waar wij zaten [sc. in
de tuin]. Want, in waarheid, niet enkel daarheen te
gààn maar ook er te kómen, was niets
anders dan te wíllen gaan (velle ire),
maar dan krachtig en volledig...”.
In het kader van de hoger vermelde vrije creatio
zou hier behalve de goddelijke ook de menselijke
vrijheid moeten
optreden. Helaas, zoals we 'allemaal weten', was laatstgenoemde wegens Adams zondeval
daartoe vanuit
zichzelf niét meer in staat. God diende daarom zelf een stap nààr de
mens toe te zetten - wat exemplarisch gebeurde in de Incarnatie:
“(en ik vond de weg niet)
totdat ik omhelsde ‘de Middelaar tussen God en de mensen, de
mens Christus Jesus, die God is...’ (Joh.,
14:6)” (Conf., VII:18).
Hoe paradoxaal het ook moge schijnen, op het
eerste gezicht: de sleutelrol die "voluntas", of
het wilsconcept, zou spelen in alle onderdelen van
Augustinus’ denken, méér nog: de
constructie zélf van dat concept waren het resultaat van een introspectie
die geleid werd door de vaste overtuiging van de zondigheid en dus:
volslagen machteloosheid van de (gevallen) mens en van de onmisbaarheid
van de goddelijke genade.
Vanuit zijn introspectie kwam Augustinus tot de
constructie van een concept van menselijke wil (als element in een
triade waarvan intelligentia en memoria de
andere elementen vormden) die niet langer ondergeschikt was (zoals in
de Griekse traditie) aan de rationele cognitie, en vandaar de objectieve,
kosmische orde, en tévens fundamenteel onderscheiden was van
het gevoelsleven. Zelf gaf hij er de volgende definitie van (in zijn De
duabus animis, X:14):
“de wil is een beweging van
de ziel om, in afwezigheid van elke dwang, iets hetzij niet op te geven
hetzij te verwerven” (voluntas est animi motus, cogente
nullo, ad aliquid vel non amittendum, vel adipiscendum).
Met die - in principe zelfstandige - wil kon de
mens antwoorden, het weze positief of negatief, op de (soms
onverklaarbare) uitingen van Gods wil, en aldus ofwel gehoorzamen ofwel
zondigen: “non igitur nisi voluntate
peccatur”, of: “er wordt dus
enkel door de wil gezondigd”.
Kennis werd hierbij -
naar het goddelijke model - ingesloten in, en dus ondergeschikt aan de wil:
wie vanuit dit mensbeeld een (eventueel immorele of zondige) daad stelt,
doet dat 'willens-en-wetens'. Anders gezegd: "willen"
betekent per definitie dat men niet onbedacht handelt maar integendeel
'wéét' wat men doet (en het tóch doet). Augustinus heeft die wilsconceptie, zoals gezegd, aangewend in alle onderdelen van zijn
denken.
2.4.
De Tijd
De derde categorie waarmee Augustinus een geheel
nieuw karakter gaf aan de plotinische innerlijkheidsmethode, was die
van de tijd. Zij hangt eveneens nauw samen met de scheppingsnotie.
Ook de tijd was door Plotinos natuurlijk niet
geloochend. Hij anticipeerde Augustinus zelfs door de tijd binnen de
ziel te situeren, zie Enn, III.7 (“Over
eeuwigheid en tijd”), bv. kap. 11 (slot, p. 356
Ferwerda):
“We moeten de tijd niet
opvatten als zijnde buiten de ziel... en ook niet als een begeleidend
verschijnsel, of een ‘later’..., maar als iets dat
in de ziel voor het zicht opdoemt en daarin is en daarmee samen
is...”.
Hij evalueerde die tijd echter volkomen negatief:
zoals beweging een ontaarding is van rust, en handelen (praxis)
een verzwakte contemplatie (theoria), zo is tijd
volgens Plotinos een corruptie van de eeuwigheid.
Het bestaan zelf van de tijd is het gevolg van het zich afwenden door
de ziel(en) van haar (hun) eeuwige zijnsgrond en het zich toewenden
(door tolma, of roekeloosheid) naar het lagere,
d.w.z. het lichamelijke. De tijd moet dus gesitueerd worden in het
kader van “de val”: ten
aanzien van de eigenlijke, eeuwige, geestelijke werkelijkheid, is
in-de-tijd-zijn in feite “niet-zijn”,
is de tijd een illusie.
Tijd is voor Plotinos dus niet te zien als
initiatief (namelijk voor schepping), maar als een incident:
het gaat
om het verbreken van het evenwicht dat de eeuwigheid kenmerkt.[66] Gevat
in een natuurlijke, of cyclische tijdsconceptie
(cf. de seizoenen), betreft de
geschiedenis (met inbegrip van het maatschappelijke gebeuren met zijn
onrecht, ongelijkheid, enz.) enkel de uitwendige mens: ze heeft geen
positieve waarde en staat volkomen los van de inwendige mens. Typerend
daarvoor is Plotinos’ attitude, zoals beschreven door
Porphurios: “(Plotinos) kon... het niet verdragen,
over zijn afkomst of zijn ouders of zijn vaderland te
vertellen” (Leven, kap. 1); en,
kap. 2: “noch de maand waarin hij geboren was, noch
zijn geboortedag heeft hij aan iemand verteld, omdat hij niet wilde dat
iemand op zijn verjaardag zou offeren of feest vieren”. Dat
Plotinos een werk zou geschreven hebben van dezelfde aard als
Augustinus’ “Belijdenissen”,
waarin het zichzelf-verhalen centraal staat, is dus volkomen
uitgesloten.
Wegens het negatieve karakter ervan - de conversio
wordt er alleen maar door afgeremd en tussen tijd en eeuwigheid is er
géén doorgang - was de plotinische methode
volkomen afgestemd op het negeren of opheffen van tijd en
geschiedenis, ten behoeve van het bereiken van een toestand van
onbeweeglijkheid: zie zijn beschrijving van de extase, Enn VI,
9, 11 (citaat in het vorige hoofdstuk,
kap. 6.8).
Ook voor Augustinus, zoals hoger gezegd, was het
streefdoel wel degelijk de rust, de totale immutabilitas, en
dus het ontsnappen aan de tijd. Wat evenwel de weg ernaartoe
betreft, kwam hij tot een positie die omzeggens diametraal
tegenovergesteld was aan die van Plotinos. De religieuze oorsprong
ervan is onloochenbaar: wat de christelijke religie in de eerste plaats
kenmerkt, inderdaad, is de dominerende rol die de geschiedenis erin
speelt. Het wezen van God is voor de christen geopenbaard in een
historische persoon; diens leven-en-sterven is de
openbaring zonder meer. Ook Augustinus, na zijn bekering, bevestigt
uitdrukkelijk:
“Het kapitale punt (caput)
van deze religie is de geschiedenis (historia) en de
profetie van de wijze waarop de goddelijke voorzienigheid in de tijd te
werk gaat met het oog op de verlossing van het menselijk geslacht, dat
moet hervormd en hernieuwd worden voor het eeuwig leven”
(De vera religione, VII:13).
In tegenstelling tot de helleense
tijdsconceptie,
wordt in de christelijke visie de ontwikkeling van de wereld in het
algemeen en van de mensheid in het bijzonder niét meer beschouwd als
een cyclisch natuurproces, dat zich steeds herhaalt volgens dezelfde
“rationele” wetten. Ze is nu een lineair
en irreversibel, eigenlijk historisch
proces, met
een absoluut begin - de schepping (en in een meer antropologische zin:
de Zondeval) - en, eens, een absoluut einde, het eschaton,
of Eindgericht. Tùssen die twee punten ontwikkelt zich de geschiedenis,
als de ontplooiing van het goddelijke heilsplan, met de strijd tussen
goed en kwaad - zowel op het kosmische niveau (cf. Augustinus' analyse van de
eerste vijf verzen van Genesis, gecentreerd rond de door God
gemaakte "scheiding tussen het licht en de duisternis", Gen 1:3-4)
als op dat van de mensheid (zie ook verder, kap. 3).
Het was Augustinus’ verdienste aan die
visie een filosofische basis te hebben gegeven. Met name in zijn Stad
Gods gaat hij uitdrukkelijk de confrontatie aan met de
“pagane” visie, zie bv. CD,
XII:14:
“... Het weze ver van het
rechte geloof (het bestaan te aanvaarden van) die kringlopen (circuitus),
waardoor volgens de (filosofen-van-deze-wereld) dezélfde
omwentelingen van de tijden en van de tijdelijke dingen zich op een
zodanige manier herhalen, dat bijvoorbeeld zoals de filosoof Plato in
onze wereldorde (saeculum), in de stad Athene, in de
Academie geheten school, zijn leerlingen heeft onderwezen, ook in de
ontelbare àchter ons liggende periodes, met weliswaar
langdurige maar toch vaststaande tussenpozen, diezélfde
Plato, diezélfde stad, diezélfde school en
diezélfde leerlingen óók al hebben
bestaan, en dat zij zich ook in de ontelbare periodes die op de onze
zullen volgen, wéér zullen moeten herhalen. Het
is uitgesloten, zoals ik al zei, dat wij zulke beweringen geloven.
Christus is namelijk slechts éénmaal voor onze
zonden gestorven, en ‘na uit de doden te zijn verrezen,
sterft hij niet meer, en de dood zal verder geen macht meer over hem
hebben’ (Paulus, Rom
6:9)”.
Mocht Augustinus' weergave van de filosofische
tijdsconceptie wat karikaturaal lijken: zoals wij gezien hebben, in het
onderdeel over de Stoa (zie hoger), werd zij in deze radicale versie
wel degelijk geargumenteerd, met name door Zenoon van Kition, stichter
van de Stoa (ca 333-262 vK). De eenmaligheid,
daartegenover, is een
basisgegeven in de nieuwe tijdsconceptie. Doordat de ziel niet
wedergeboren wordt - zodat ze zich ook niet meer kan
herpakken -, wordt haar eeuwig lot bepaald door
een eenmalig en uniek leven, d.w.z. door de eenmalige daden die het
individu stelt, op basis van zijn vrije wil, binnen de grenzen van
geboorte en dood. Elke particuliere handeling, elke particuliere
beslissing kreeg daardoor een betekenis die tot dan toe nog niet
geconcipieerd was.
De menselijke tijd wordt
dus principieel onderscheiden van de natuurlijke
tijd, namelijk als een aaneenschakeling van eenmalige, creatieve
momenten. De begrippen van “schepping”
en van “wil” vormen wezenlijke
aspecten van wat ook het moderne tijdsbegrip is. Zoals E.Frank het
formuleert (mijn vertaling)[67]:
“Met de historische
handeling van een scheppende wil doorbreken wij deze dwangmatige afloop
van de natuur en betreden het nieuwe land (das Neuland) van een heden
dat de toekomst bepaalt. [...] Ook de moderne mens
gelooft in de mogelijkheid van creatieve ogenblikken in de geschiedenis
van zowel het individu als van een volk. Want hoe zou hij die
mogelijkheid van een vrije wil bij zichzelf in twijfel trekken, d.w.z.
de kracht tot (het nemen van) initiatieven en daarmee tot het begin van
een nieuwe binnenwereldse causale keten...? Niemand betwijfelt ernstig
de mogelijkheid van zulke creatieve ogenblikken in zijn eigen leven,
d.w.z. tijdpunten waar hij het eeuwig terugkerend natuurproces
doorbreekt en een nieuw heden betreedt dat zijn vroeger bestaan tot een
onherroepelijk verleden maakt. Is niet de opeenvolging van deze
creatieve tijdpunten dat wat wij gewoonlijk
‘geschiedenis’ noemen?”
In de christelijke context van de
creatio, zoals gezegd, wordt de ascensio
een kwestie van de wil. De terugkeer is m.a.w. een moreel probleem,
én, zo moet nu aangevuld worden, “hij
verloopt doorheen de tijd”[68]. Een absolute voorwaarde
daartoe - nogmaals, zoals gezegd - is de goddelijke tegemoetkoming,
exemplarisch in de Incarnatie (bij Plotinos was het de ziel die
neerdaalde, in het christendom is dat de transcendente God zelf). Door deze laatste
vond, binnen de historische ontwikkeling, een nieuw begin
plaats: terwijl van de Schepping moet gezegd worden dat ze “vóór”
de tijd plaats vond[69],
gaat het bij de Incarnatie om een binnenbreken van de eeuwigheid in de tijd. De
relatie tussen (goddelijke) eeuwigheid en (menselijke) tijd werd er volledig door veranderd. Zoals Maertens het
formuleert (1965:115):
“Het Woord is niet alleen
uit God geboren, zoals ook de neoplatonici zeggen, maar is ook mens
geworden: en daardoor heeft de onveranderlijke God de tijd geassumeerd;
daardoor is een gans andere verhouding ontstaan tussen tijd en
eeuwigheid en kan men waarachtig doorheen de eerste naar de laatste
gaan”.
Het goddelijke initiatief heeft dus een richting
en zin gegeven aan de menselijke geschiedenis. Dat hier een
fundamenteel verschil lag tussen het (neo)platonisme en het christendom
wordt door Augustinus zelf aangestipt, Conf., VII.9:
“dat
vóór alle tijden en boven alle tijden uw
eniggeboren Zoon, even eeuwig als gij, onveranderlijk bestaat,... dat
staat (in die boeken van de platonici); maar dat hij ‘volgens
de tijd (secundum tempus) voor de goddelozen
gestorven is’ (Rom., 5:6), en
‘gij uw enige Zoon niet gespaard hebt...’
(Rom., 8:32), dàt staat daar
niét”.
Uit dat alles volgt dat het schouwen van de
onveranderlijke God in een beweeg- en tijdloze extase weliswaar het
doel blijft. Alleen, die extase wordt voor haar vervulling verschoven
naar het Hiernamaals. Ondertussen krijgt de weg ernaartoe
een positieve waardering, én die weg
situeert zich in de tijd. Voor het augustinische
innerlijkheidsideaal betekent het dat het a.h.w. gedynamiseerd wordt[70]: de
zelfkennis wordt gerealiseerd in en doorheen de tijd, en is progressieve
beweging, een
vooruitgang: van de duisternis naar het licht, van de onwetendheid of dwaling (cf. Augustinus'
eigen, eerdere manicheïsche dwaling) naar de waarheid. Weliswaar zal die
zelfkennis nooit “af” zijn, binnen deze tijd (dat zal pas het geval zijn
op het "einde der tijden"). Toch wordt de tijd aldus geladen met positieve
elementen - zij het dat dit afhankelijk is van de menselijke wil (binnen
een intern wilsconflict: cf. “die grote strijd in mijn inwendige
woning, die ik heftig had aangebonden met mijn ziel", aldus
Augustinus, VIII.8, geciteerd hoger), die echter zelf afhankelijk is van
de goddelijke genade.
Terwijl voor Plotinos het geestelijke zelf net zoals
de waarheid onveranderlijk gegeven waren en slechts
hoefden gevàt te worden in de volmaakte zelfanalyse, dienen voor
Augustinus dat zelf en die waarheid in ons gemaakt
worden, vgl. Conf., X:1:
“Ik wil de waarheid maken
in mijn hart, bij u, in mijn belijdenis (volo facere in corde meo coram
te in confessione)”.
De waarheid, dus, voor Augustinus is nooit zo
maar in ons: we moeten ze voortdurend “maken”
(facere). Dat opent althans het perspectief dat de waarheid, althans vanuit
menselijk oogpunt, nooit
een kant-en-klare leer of doctrine kan zijn, die men aanvaardt en eens
en voor goed verwerft: “de Waarheid is essentieel
niet iets dat men vindt, maar dat men zoekt”[71].
Die nieuwe voorstelling over tijd en
geschiedenis, meer bepaald de visie op het
“zelf” als iets dat in de tijd
moest gemaakt worden, kreeg een exemplarische gestalte in
Augustinus’ Confessiones of
Belijdenissen. Dat werk mag niet louter als een soort van autobiografie of
“mémoires”
worden beschouwd: het is doorhéén dat werk,
d.w.z. doorhéén de kritische reflectie over zijn
levensloop - zijn 'zondige' levenswijze als adolescent en jongvolwassene; zijn
'manicheïsme'; zijn ontdekking van het neoplatonisme; tot, dank zij de
goddelijke genade, zijn definitieve "bekering" -, dat Augustinus zijn nieuwe zelfbewustzijn
(van zichzelf, maar ook van de wereld: cf. het tweede deel, na bk X) metterdaad heeft
geconstrueerd. De “Belijdenissen”
moeten dus geapprecieerd worden als een grootschalige
oefening in het realiseren van zelfkennis, d.w.z. van psychische
zelfintegratie. Binnen dit perspectief beschouwd, is de discussie in de
moderne literatuur over de mate waarin Augustinus' bekeringsverhaal als
historisch correct dan wel als "gefabriceerd" zou moeten worden beschouwd
(verwijzingen bij Forsyth, 1997:409-410), volkomen irrelevant.
Augustinus was daarmee de eerste om niet langer
de objectieve zijnsorde maar de eigen levensgeschiedenis tot fundament
te maken voor het zelfbewustzijn. Die klemtoonverschuiving, van de
'objectieve' naar de 'subjectieve' orde, vinden we bevestigd in zijn
visie op kennis en waarheid.
2.5.
Kennis en Waarheid.
2.5.1.
"Si fallor, sum".
In de filosofische traditie, zoals we
in de vorige hoofdstukken
hebben kunnen vaststellen, werden de voorwaarden voor kennis aan de
'objectzijde' gezocht. De waarheid (alètheia),
als voorwerp van die kennis, had een objectief statuut,
was een "waarheid-werkelijkheid" - hetzij dat ze
langs empirische weg gezocht-en-gevonden werd (aristotelisme,
epicureïsme, stoïcisme), hetzij dat ze, in het kader
van een hiërarchisch wereldbeeld met verschillende
zijnsgraden, een puur geestelijk of intelligibel statuut kreeg (in het
platonisme). Dit "objectivistisch" uitgangspunt impliceerde dat
"ook het wezen van de ziel uitsluitend begrepen werd in de objectieve
vormen van deze wereld" (Frank, 1975a:191). De enige
dissonante noot in dit verband lijkt te komen van de Skepsis,
maar dat is niet volledig juist: ook voor de skeptici, kan je zeggen,
gold dat "objectivisme", alleen beschikte de mens huns inziens niét
over de mogelijkheid om verder te komen dan de veranderlijke, fenomenale
werkelijkheid, d.w.z. zoals ze aan ons telkens verschijnt (en
op basis waarvan we slechts tot altijd minder of meer betwistbare "meningen"
komen). De werkelijkheid "an sich" die,
alléén, absolute of zékere kennis (epistèmè)
zou kunnen geven, was ontoegankelijk; we moesten het dus
stellen met graden van grotere of kleinere
"waarschijnlijkheid".
Augustinus, zoals we gezien
hebben, had mede uit ontgoocheling over het manicheïsme in
Rome de opvattingen van de akademische Skepsis bestudeerd. Via de
teksten van Cicero (vooral de Academica) had hij
kennis gekregen van de standaardargumenten die de skeptici ontwikkeld
hadden tegen de aanspraken van de "dogmatici". Hij had eruit onthouden
dat het niet mogelijk was om vertrekkende vanuit de empirische
werkelijkheid tot zekerheid te komen. Eén van de klassieke
gemeenplaatsen in dat verband, die hij ook zelf graag hanteerde, was
die van de "gebroken" roeispaan in het water: wij worden daar manifest
misleid door onze ogen. Wat we omtrent dat particuliere fenomeen moeten
zeggen, niét: "de roeispaan is
krom", maar: "ze (ver)schijnt mij
krom" (Cicero, Acad., XI.26), diende
uitgebreid te worden tot alle andere empirische fenomenen en (dus) onze
perceptie ervan.
Dat inzicht, waaraan hij ook na
zijn bekering vasthield, had hem élders doen zoeken voor de
waarheid, namelijk niet in de empirie maar in de introspectie en
zelfreflectie. Niet de buitenwereld, zo concludeerde hij langs die weg,
leverde de (basis voor de) gezochte zekerheid, maar het eigen "ik".
Ànders, inderdaad, dan in die buitenwereld, waar elke
twijfel vanuit het oogpunt van zekerheid dodelijk is, wordt in ons
bewustzijn door de twijfel zélf bewezen dat we bestaan. Dat
is het beroemde "si fallor, sum" ("indién ik me
vergis, bén ik") argument. Het feit dat Augustinus
het op verschillende plaatsen in zijn oeuvre formuleert, illustreert
het grote belang dat hij eraan hechtte: Soliloquia,
II.1; De libero arbitrio, II.3; De
trinitate, X.10; De civitate Dei, XI.26.
In dit laatste werk luidt het omstandige argument aldus:
"Wij zijn, wij
weten dat we zijn en wij hebben dat zijn en dat weten lief. Bij deze
drie uitspraken verontrust ons geen vrees voor een onwaarheid die de
schijn van een waarheid zou hebben. Zij betreffen namelijk dingen die
wij - anders dan wat buiten ons ligt - niet aanraken met enig
lichamelijk zintuig, zoals wij kleuren zien, klanken horen, geuren
ruiken, smaken proeven, harde en zachte voorwerpen door betasting
gewaarworden, allemaal zintuiglijk waarneembare dingen waarvan wij ook
de goed-gelijkende, niet meer materiële beelden in ons denken
overwegen en in onze herinnering vasthouden, beelden waardoor wij dan
weer aangezet worden om die dingen te begeren. Ik heb echter de
volstrekte zekerheid dat ik ben, dat ik dat weet en dat ik dat liefheb:
ieder bedrog door de verbeelding met haar herinneringen en
fantasieën is daarbij uitgesloten. Ten aanzien van deze
waarheden vrees ik ook geen enkele tegenwerping van de Academici,
wanneer die zeggen: 'En als u zich nu vergist?' Als ik mij namelijk
vergis, dan bén ik (si enim fallor, sum).
Wie niet is, kan zich immers ook onder geen beding vergissen, en ik ben
dus, als ik mij vergis. En omdat ik dus ben, als ik mij vergis, kan ik
me onmogelijk vergissen in de uitspraak dat ik ben, aangezien het
vaststaat dat ik ben, als ik me vergis.
Omdat ik dus, zelfs
als ik me zou vergissen, iémand zou zijn, (namelijk) iemand
die zich vergiste, vergis ik mij ongetwijfeld niet door te zeggen dat
ik weet dat ik ben. Daaruit volgt dan weer, dat ik me ook niet kan
vergissen door te zeggen dat ik wéét dat ik dat
weet. Zoals ik immers weet dat ik ben, zo weet ik ook dat ik dat weet.
En als ik die twee liefheb, voeg ik ook die liefde, als een soort van
derde ding van niet geringere waarde, toe aan de dingen die ik al weet.
Ik vergis mij immers niet ten aanzien van mijn liefde, omdat ik me niet
vergis ten aanzien van de dingen die ik liefheb". [71bis]
Met deze aldus gewonnen zekerheid, werd de
relatie tussen de wereld en het zelf, die kenmerkend was voor de
antieke positie, als het ware omgedraaid. De wereld gold niet langer
als het fundament (en de inhoud) van het menselijke bewustzijn, maar
werd er het voorwerp van. Daarmee werd ook het
skepticisme overwonnen. Akkoord, zegt Augustinus tot Karneades, dat
het objectief bestaan van de wereld niet probleemloos is; dat de dingen
niet noodzakelijk zijn zoals ze aan mij verschijnen. Maar wàt onmiskenbaar is, is dat ik bepaalde ervaringen heb,
bepaalde verschijnselen ervààr
(bv. de "gebroken roeispaan"). Welnu, dat is voldoende: 'wereld'
noem ik voortaan dat wat aan mij, d.w.z. aan mijn bewustzijn, als
zodanig verschijnt - d.w.z. de som van al mijn
ervaringen; en het bestaan daarvan is onloochenbaar.
Zoals hij het
formuleert in zijn Contra Academicos, XI.24:
"Dat
geheel..., dat verschijnt aan mijn ogen, en waarvan door mij wordt
ervaren dat het een aarde en een hemel bevat, of een quasi aarde en
quasi hemel, dat noem ik 'wereld'" (... hoc totum... quod oculis meis
apparet, a meque sentitur habere terram et coelum, aut quasi terram et
quasi coelum, 'mundum' voco).
Voortaan is het dus vanuit het zelf,
vanuit het
innerlijke leven van het subject, dat het bestaan van de wereld kan
worden gefundeerd. PS: Augustinus twijfelt niet aan het bestaan van de
wereld die we via onze zintuigen waarnemen, cf. De trinitate,
XV, 12, 21; wààr het om gaat, is dat het
'criterium van de waarheid' in de geest wordt geplaatst en niet in de
zintuigen of in de wereld zelf. Zoals hij het formuleert in De
vera religione, XXIX.72: "Wil niet naarbuiten gaan,
keer terug in jouzelf; in de innerlijke mens woont de waarheid" (noli
foras ire, in teipsum redi; in interiore homine habitat
veritas"). Dat er in Augustinus' reflectie
nauwelijks aandacht wordt geschonken aan zo iets als natuurfilosofie,
hoeft ons van hieruit dus niet te verwonderen: "alleen God en
de ziel" tellen in zijn perspectief (in contrast bv. met
Paulus en diens "composante cosmique du salut",
Marrou, 1965:73).
2.5.2.
"Subjectief Objectivisme". De
conclusie uit het "si fallor"-argument - namelijk dat
"iedereen... de waarheid in zich draagt" (De trin.,
X.10) - mag, dat spreekt, geenszins aldus worden begrepen, als zou die
waarheid volkomen subjectief zijn, namelijk in de zin dat ze de natuur
van elk van onze individuele geesten niet zou
overschrijden. Reeds op het niveau van de zintuiglijke
perceptie diende volgens Augustinus uit de constatering dat (in vele,
zo al niet de meeste gevallen, althans) verschillende personen
gelijktijdig dezélfde fenomenen zien, horen, enz., te worden
afgeleid dat kleuren, geluiden, enz. niet behoren tot de natuur van
onze individuele ogen, oren, enz.,
"maar
gemeenschappelijk aan ons zijn als de objecten van onze zintuigen...
want wat de ogen van twee personen gelijktijdig vatten, kan niet worden
vereenzelvigd met iets dat tot de ogen van ofwel de ene ofwel de andere
behoort, maar moet een derde ding zijn waarop het zicht van beiden
gericht is" (ibid.).
Naar analogie daarmee,
concludeert hij evenzo dat wat wij (samen) geestelijk vatten, niet
louter kan behoren tot de natuur van onze individuele geest (cf. De
libero arbitrio, II.12, 33).
Alle mensen hebben als zodanig
een groot aantal 'waarheden' met elkaar gemeen. In zijn confrontatie
nochtans met de Skepsis dacht Augustinus niet in de eerste plaats aan
proposities uit de logica of de wiskunde. Wat deze laatste betreft,
inderdaad, zij zijn in het bezit van de bijzondere eigenschappen van
universaliteit, noodzakelijkheid en onveranderlijkheid. Dié
eigenschappen kunnen hoe dan ook niét afgeleid worden uit de
empirie (cf. Platoon, natuurlijk). Het impliceert dat de desbetreffende
universele waarheden niét gevat worden door de zintuigen,
maar door een geestelijk
vermogen dat enkel analoog
is aan het zintuiglijke zicht, namelijk de visio
intellectualis, cf. De ordine, II.3, 10:
"voor de geest (mens) is denken (intellegere)
dàt wat het zien is voor het zintuig" (cf. nogmaals reeds
Platoon, "De dialogerende rede", kap. 2.2.2).
Maar
Augustinus beschouwde de proposities van de logica en de wiskunde
geenszins als de enige, of als de belangrijkste klasse van absolute
waarheden die dank zij het "intellectuele zicht"
worden gekend: ook morele en esthetische waardeoordelen, en in feite het
gehele gebied van de "sapientia" - d.w.z. alles
waarmee de filosofie te maken heeft - kreeg van hem dezelfde status
toegewezen (zo Markus, 1967:365-366). Zoals hij het formuleert in het De
libero arbitrio, II.10, 29:
"Dus net zo goed als
die regels der getallen waar en onveranderlijk zijn, waarvan, zoals je
gezegd hebt, het beginsel en de waarheid (rationem atque
veritatem) op een onveranderlijke en universele manier
tegenwoordig zijn aan allen die ze bekijken; even goed zijn de regels
van de wijsheid (regulae sapientiae) waar en
onveranderlijk, ... en aan allen die bij machte zijn ze te schouwen,
liggen ze gemeenschappelijk ter contemplatie voor".
Goed platonisch, zijn het
uiteindelijk ook voor Augustinus a priorische denkvormen
die ten grondslag liggen aan de (betrekkelijke) objectiviteit of waarachtigheid
van de verschijningswereld. Zelf heeft hij het hierbij wel uitdrukkelijk
over "inwendige waarheidsnormen" ("interiores
regulae veritatis", De lib. arb., II.12,
34). In hun universaliteit, noodzakelijkheid en
eeuwigheid overstijgen zij de veranderlijke, individuele geesten waarin ze nochtans
moeten gezocht worden. Zij zijn m.a.w. transsubjectief - of, zo men wil,
"transcendentaal". Zouden we Augustinus derhalve als een
"Transzendentalphilosoph" kunnen bestempelen?
Augustinus - hoeft het gezegd? -
was natuurlijk géén Kant(iaan); hij
kón dat ook niet zijn in zijn historisch-maatschappelijke
context (cf. de agrarische samenleving). Dat geheel aan
onveranderlijke, gemeenschappelijke waarheden (de "communia")
verwees voor hem niét naar een transcendentaal subject
(het "ik" van "ik denk"), als eenheid van het zelfbewustzijn, maar het
had zijns inziens wel degelijk een objectieve zijnsgrond,
namelijk in de ene, transcendente Waarheid die met God kon
vereenzelvigd worden (vanuit christelijk oogpunt, zou men kunnen zeggen dat
het kantianisme in dit opzicht een vorm van secularisering is: wat door
Augustinus en in de middeleeuwen nog voorbehouden werd aan God,
namelijk het vermogen om intelligibiliteit te scheppen, is door Kant
toegewezen aan het menselijke denken). Zoals Maertens, 1965:55, het
formuleert:
"Voor Augustinus is
het een uitgemaakte zaak dat de Waarheid met God samentreft. Zijn
opvatting van de Waarheid is ontologisch. We zouden het zelfs zo
voorstellen dat het voor Augustinus meer een tocht is naar de Waarheid
dan naar God, in die zin, dat zijn bekeringsproces een streven was naar
een houvast in zijn leven en dat hij nu niet God ontdekt, maar beseft
dat God dit houvast is".
Deze voor hem evidente koppeling
tussen onze a priori kennis en God, als de objectieve voorwaarde voor
die kennis, leverde Augustinus zelfs een soort van "godsbewijs":
élke onveranderlijke waarheid die wij in onze
(veranderlijke) geest ontdekken (te beginnen met de meest banale,
zoals "2+2= 4"), 'bewijst' dan het bestaan van God als de Waarheid. Het
is het bewijs "ex veritatibus aeternis", en vooral
boek 2 van Augustinus' De libero arbitrio is ervoor
bekend.
Uit dat alles kan worden
afgeleid dat het centrale vraagstuk in de augustinische kennisleer
(zoals dat, in een andere context, ook reeds het geval was voor
Platoon) de vraag is, hoé het
geschapen en veranderlijke subject dat de mens is, in het bezit kan
zijn, a priori, van die eeuwige, onveranderlijke en
universele waarheid/waarheden. Anders gezegd, hoe de relatie tot stand
komt tussen de goddelijke Waarheid en de menselijke ziel. Zoals Platoon
(en natuurlijk ook Plotinos), moet Augustinus hierbij onvermijdelijk
een beroep doen op metaforen. De typisch augustinische metafoor in dit
opzicht is die van de zogenaamde
"illuminatie". In
de literatuur wordt daarom vaak van zijn "illuminatietheorie"
gesproken, maar van "theorie" in de strikte zin van het woord is zeker
geen sprake. De tijd en de ruimte ontbreekt om er hier verder op in te
gaan. Ik moge er nog enkel op wijzen dat de metafoor van de "illuminatie"
bij Augustinus niet enkel gebruikt wordt wat de
menselijke a priori kennis van de "communia"
betreft, maar ook met betrekking tot de scheppingsrelatie tussen God en
de wereld (vergelijk nogmaals met Platoon: de dubbelrol van diens
Vormen als tegelijkertijd zijns- en kennisprincipes).
3. De "Twee Steden"
3.1.
Inleiding.
Zoals hoger
gezegd, heeft Augustinus, met zijn De civitate Dei,
een filosofische basis gegeven aan de christelijke visie op de tijd en
de menselijke geschiedenis.
De naïeve, vroegchristelijke
eschatologie, met haar zuiver rechtlijnige teleologie, waarin
heilsgeschiedenis en empirische geschiedenis met elkaar samenvielen,
werd daartoe door hem vervangen door een kritische
geschiedenisfilosofie. Het globale teleologische perspectief, namelijk
van het finale Eindgericht, bleef daarin uiteraard behouden, maar de
geschiedenis werd nu geïnterpreteerd als de arena voor de
strijd tussen goed en kwaad. Deze laatste namen de gedaante aan van
twee tegengestelde "maatschappijen" (societates). Hun
onderlinge strijd bepaalde de echte, maar verborgen dynamiek van het
historische proces. De zichtbare geschiedenis, anders gezegd, kreeg een
karakter van voorlopigheid en dubbelzinnigheid. Ze ging fungeren als
een doorgangsstadium, of "peregrinatie", waarin de
mensen op de proef werden gesteld en, eventueel, gelouterd. Augustinus'
dynamische visie op de individuele
levensgeschiedenis - als een voortschrijden, met vallen en opstaan,
naar God, cf. supra - werd daarmee in het De civitate Dei
doorgetrokken naar de geschiedenis van de mensheid in haar geheel. Op
die manier werd het innerlijkheidsthema van de Confessiones
“a.h.w. op kosmische achtergrond
geprojecteerd” - aldus Maertens (1965:122).
De augustinische "filosofie van de geschiedenis",
bijgevolg, vergt een interpretatie van de
historische handelingen en gebeurtenissen, met het oog op het
blootleggen van hun spirituele en morele betekenis (bv. in zijn
bespreking van het Assyrische rijk is Augustinus' aandacht toegespitst
op het aspect dat hem de incarnatie lijkt te zijn van de "Stad
van Babel", in de morele betekenis). Zoals gezegd, kunnen we
een dergelijke benadering, met het belangrijke onderscheid tussen de
"oppervlakte" van het maatschappelijke gebeuren en de dieper liggende
wetmatigheden ervan, in een geseculariseerde vorm, nog toegepast vinden
in de geschiedenisfilosofie van Karl Marx.
3.2. Kerk
en Rijk.
De concrete aanleiding voor Augustinus
om
zijn De civitate Dei te beginnen schrijven, was de
enorme "schokgolf" die het Romeinse rijk had overspoeld als gevolg van
de (driedaagse) plundering en verwoesting van Rome, in 410,
door de West- of Visigothen van (de ariaanse christen) Alarik.[72] Hoewel
niet langer de zetel van het keizerlijke bestuur (dat was, vanaf het
einde van de 4de eeuw, in Ravenna gevestigd), had Rome in de 5de eeuw
nog altijd een grote symbolische betekenis. De verwoesting van dit "Roma
aeterna", of de "Urbs", die ook een grote
vloed aan vluchtelingen teweegbracht, leidde daarom in alle delen van
het Rijk tot een enorme consternatie en malaise, ook bij de
christenen.
Om dat laatste te begrijpen moeten we heel kort
even ingaan op de relatie, in de late oudheid, tussen Kerk en Imperium.
Nog vóór de politieke integratie van het
christendom door Constantijn, was de oorspronkelijke, afwijzende, of in
elk geval afwachtende houding van de vroege Kerk t.a.v. de rijksorde [73]
geleidelijk aan vervangen door een meer positieve visie. Alvast in het
oostelijke deel van het rijk, werd de ideologische integratie van het
Imperium in de christelijke visie in belangrijke mate ondersteund door
de christelijke Lógosleer. In
aansluiting bij de joodse Philoon, was zij in Alexandrië
filosofisch verder ontwikkeld door Origenes (eerste helft 3de eeuw). De
christelijke openbaring van een als een mens geïncarneerde
God, het stoïcijnse geloof in God als Lógos, d.w.z.
als het rationele principe dat inherent is in het universum, en de
joodse leer van een God die progressief geopenbaard wordt in de
geschiedenis, werden daarin op een knappe wijze met elkaar gefusioneerd
(zo Morris, 1967:192). Op die manier kon ook het "heidense" Rijk, dat
de "bewoonde wereld" (hè
oikouménè) verenigd had onder de
universele Pax Romana - en aldus had ontvankelijk
gemaakt voor de christelijke boodschap -, positief gewaardeerd worden
als de expressie van de progressieve werkzaamheid van de
Lógos in de wereld.[74]
Hoe dan ook, onder dat "heidense" Imperium, en
zeker in tijden van vervolgingen (zoals nog onder Diocletianus), hadden
de zaken er voor de Kerk vrij eenvoudig voor gestaan: ze had zich
ontwikkeld als een religieuze organisatie die zich, wat haar
institutionele verhouding tot het zogenaamde saeculum
betrof, kon beperken tot enkele algemene, "politieke" principes: zo dat
van de absolute scheiding tussen Kerk en Rijk, en dat van de civiele
(en énkel civiele) onderwerping van de christen aan de
imperiale orde. Die ideologisch simpele verhouding, echter, werd
volledig overhoop gegooid door de volledig onverwachte bekering van
Constantijn (in 312), spoedig gevolgd door de promotie van de
christelijke leer tot rijksideologie en de integratie van de kerkelijke
hiërarchie in het wereldlijke rijksapparaat. Deze verregaande "secularisering"
van het orthodoxe of "katholieke" christendom - de Kerk behoorde
voortaan zélf tot het saeculum -
gebeurde niet zonder problemen (zie bv. de donatistische scheurkerk).
Pas nu werd de Kerk echt verplicht om haar verhouding tot het
"wereldlijke" te definiëren en in haar leer een
plaats te geven aan het politieke: "het was Constantijn,
eerder dan Nero, die de Kerk ertoe bracht een politieke theorie te
ontwikkeling" (Morris, 1967:191). Nogmaals, vooral, maar niet
uitsluitend, in het Griekse Oosten waren de christelijke intellectuelen
bereid om de komst van het christelijke Imperium te
waarderen als een volgende stap vooruit in het goddelijke
verlossingsplan: na de universele vrede die Augustus tot stand had
gebracht, was nu dank zij Constantijn ook de universele erkenning van
de ene Waarheid gerealiseerd. Vooral de bekende Eusebios van Caesarea
(ca 263-ca 340), Constantijns "hofhistoricus" a.h.w., werd de grote
propagandist van een "imperiale theologie". Het
goddelijke heilsplan, dat al was aangekondigd in de profetieën
van het Oude Testament, was z.i. nu concreet gerealiseerd in de
geschiedenis. Terwijl Constantijn in zijn ogen een "model van
het godvruchtige leven" was (wat de keizer niet belette later
zowel zijn vrouw, zijn zoon als zijn schoonbroer te laten ombrengen),
was diens despotisch regime een perfecte kopie van de hemelse monarchie
van God.
Dergelijke visie leidde vanzelfsprekend tot een
verregaande vereenzelviging, in de geesten, van Rijk en Kerk, van romanitas
en christianitas, van "Rome"
en "Jeruzalem". Vandaar, dus, dat, zoals gezegd,
de (weliswaar tijdelijke) val van Rome ook onder de christenen een
grote beroering veroorzaakte. Augustinus' eigen correspondent in
Palestina, Hiëronymus, had nog kort tevoren angstig de vraag
gesteld: "Quid salvum est, si Roma perit?", "Wàt is
er nog veilig, als Rome ten onder gaat?" (Ep
123:16). En wanneer het dan zover is - "Capitur Urbs quae
totum cepit orbem!", "Genomen is ze, de Stad die de ganse wereld
genomen heeft!" -, citeert hij Psalmen,
79:1-3: "O God, heidenen drongen in uw domein, bevlekten de
tempel, uw heiligdom; ze maakten Jeruzalem tot een schuilhok..." (Ep
127:12). Die verwarring en malaise bij de christenen werden bovendien
nog vergroot door de "heidense propaganda"
(Wijdeveld, 1983:11), die precies het christendom verantwoordelijk
stelde voor de catastrofe. [75]
3.3. De
civitate Dei.
Augustinus
startte met het schrijven
(of dicteren) van zijn De civitate Dei in 412; het
gigantische werk zou pas door hem voltooid worden in... 426, wanneer
hij 72 jaar oud was. [76]
Hij zag zich daarbij voor een dubbele opdracht geplaatst:
* enerzijds moest hij de beschuldigingen van de
heidens partij weerleggen - wat al met al een vrij gemakkelijke,
apologetische opgave was: het volstond de vroegere geschiedenis te
overlopen van Rome, maar ook van andere heidense staten, zoals
Assyrië, om aan te tonen dat de "bescherming" vanwege heidense
goden in het verleden nooit veel zaaks was geweest. Het belet niet dat
hij er 10 boeken aan besteedt: de eerste vijf ervan zijn hoofdzakelijk
gewijd aan de politieke geschiedenis; de andere vijf aan de heidense
religie en filosofie.
* Veel gevaarlijker, echter, voor de Kerk waren
de verwarring, de zware geloofstwijfels zelfs, die de gebeurtenissen
van 410 in de geest van vele christenen hadden teweeggebracht.
Eusebios' imperiale theologie, anders gezegd, dreigde de Kerk mee te
sleuren in een eventuele val van het Rijk. Augustinus moest daarom
vooral déze, religieuze nood van de eigen
christengemeenschap pogen te lenigen. Hij doet dat in de tweede helft
van het werk (XI-XXII), waarvan de boeken gemiddeld anderhalf maal zo
lang zijn als de eerste tien.
Het is dus daartoe dat Augustinus een filosofie
van de geschiedenis ontwikkelt. De plaats van Rome in het goddelijke
heilsplan, en daarmee ook de relatie tussen de twee "maatschappijen"
worden er radicaal in herdacht. Het werk overstijgt daardoor de
historische gelegenheid die er de directe aanleiding voor was. Het
biedt als zodanig een mooi voorbeeld van Augustinus' talent om
concrete, particuliere ervaringen - van hemzelf en/of van anderen - op
een hoger, universeel niveau te tillen.
Laat ik hier de "eerste, grandioze
volzin" citeren van het werk (Wijdeveld, 1983:16), waarmee
Augustinus zijn thema aankondigt:
"De meest glorierijke stad van God -
zowel hier, in het voorbijsnellen van de tijden, nu die stad tussen de
goddelozen in den vreemde verblijft (peregrinatur),
'levend uit het geloof' (Habakuk, 2:4),
als ook in gindse bestendigheid van het eeuwig verblijf, dat zij nu nog
'in geduldige volharding verwacht' (Rom
8:25), 'tot op de dag waarop de gerechtigheid tot het oordeel
zal overgaan' (Ps., 94:15), maar
dat zij door haar voortreffelijkheid eenmaal zàl betrekken
in een ultieme overwinning en een volmaakte vrede - dié
(meest glorierijke stad van God) wil ik met dit werk, mede ondernomen
omdat een u gedane belofte mij daartoe verplichtte, mijn meest dierbare
zoon Marcellinus, gaan verdedigen tegen degenen die boven haar Stichter
hun eigen goden stellen: een groot en moeilijk werk, maar 'God is onze
helper' (Ps. 62:9)".
Uit de lange periode blijkt alleszins dat, hoewel
het werk over een lange tijd en in verschillende onderdelen tot stand
is gekomen, Augustinus reeds van bij de aanvang een concept had van het
gehéle opzet. Het was hem dus aanvankelijk niet enkel te
doen om een weerlegging van het heidendom.
3.4. Het Saeculum.
De essentie van
Augustinus' oplossing voor de ideologische crisis van zijn
geloofsgenoten na 410 (cf. ook zijn sermoenen in die periode) bestaat
erin om, lijnrecht tegen Eusebios' imperiale theologie in, aan het
Imperium, en bij implicatie aan de politieke orde of de "Staat", in het
algemeen, elke wezenlijke religieuze betekenis te onttrekken.
Zijn theologisch uitgangspunt is het onderscheid
tussen de "gewijde geschiedenis" - d.w.z. de
geschiedenis van Gods openbaring en werking onder de mensen, zoals
onder goddelijke inspiratie opgetekend werd in de H.Schrift - en de
seculiere, of "wereldlijke geschiedenis" (Markus,
1967:406). De "zes dagen" van Genesis
worden daarbij begrepen als een metafoor voor de zes "saecula",
of "periodes", waarin de
menselijke geschiedenis moest worden ingedeeld, vanaf de schepping tot
aan het Eindgericht (zelf de "zevende dag"). De
eerste vijf ervan dekken de tijd vanaf de schepping tot de komst van
Christus en zij vormen aldus de "gewijde geschiedenis".
Met Christus' incarnatie, daartegenover, is de "zesde"
of "laatste dag" begonnen, en die zal duren tot
diens "Tweede Komst" (zie De Genesi
contra Manichaeos, I, 23:35-24:42; ook CD, XXII:30.5). Anders
gezegd, Augustinus was de mening toegedaan dat met Christus' komst de
"gewijde geschiedenis" voltooid was, d.w.z. haar climax had
bereikt. Wij, daarentegen, leven in het "allerlaatste uur"
(novissima hora, Eerste Brief van Johannes,
2:18), vóór de Wederkomst. [77]
Zoals Markus (1967:407) beklemtoont, had die
indeling de belangrijke implicatie dat het saeculum
waarin men leefde en dat ook de periode van het Imperium Romanum was,
vanuit theologisch oogpunt homogeen was. Anders
gezegd, alle religieus significante markeringspunten (en dus
interpretatiesleutels) vielen binnen de "gewijde
geschiedenis", terwijl de mens voor het huidige saeculum
over géén door God geopenbaarde rooster beschikte
bij middel waarvan de empirische historische ontwikkeling religieus
eenduidig kon geduid én voorspeld worden. Bijbelse schema's,
met name, mochten niét, zoals het "chiliasme" (of
"millenarisme") dat doet, gebruikt
worden als een sleutel voor de eigentijdse gebeurtenissen (zie CD,
XVIII:52, waar Augustinus de "ingenieuze berekeningen"
van sommigen in dat verband bekritiseert; het gaat louter om "coniectura
mentis humanae", zijns inziens).
Dat houdt dus in dat het "theologisch" statuut
van de lopende, en de komende geschiedenis er een is van ambiguïteit,
althans voor ons mensen. Meer in het bijzonder toegepast op Rome en het
Imperium, betekent het dat het Imperium Romanum nóch zonder
meer een werktuig van de duivel is, nóch een beslissende
fase in het goddelijke heilsplan. Dat Imperium, en in het bijzonder het
"christelijke", is in tegendeel een
politieke orde of "Staat" zoals alle andere, met
inbegrip van de "heidense". Zoals eertijds het
Assyrische, het Perzische en het Macedonische rijk gebloeid hebben om
vervolgens ten onder te gaan, zo zal ook het Imperium Romanum
onvermijdelijk eens zijn einde kennen, om te worden opgevolgd door een
àndere heerschappij. Dat einde zal dus helemaal
niét het einde (hoeven te) betekenen van het saeculum.
Augustinus zette aldus een punt achter de
vroeg-christelijke eschatologie (Morris, 1967:220).
3.5. Twee "Civitates".
Eén
van de laatste, "institutionele" vormen, zou je kunnen zeggen, van het
vroeg-christelijk eschatologisch denken was het donatisme (cf. supra).
In hun "fysieke" interpretatie van het spirituele, gebruikten de
donatisten de eschatologische categorieën van "heiligheid"
en "zondigheid" om bínnen
dit saeculum een religieuze differentiatie door te
voeren: enerzijds was er de eigen, donatistische ecclesia, als
een "societas sanctorum", die bijgevolg
voorbestemd was voor de eeuwige zaligheid; anderzijds was er het "rijk
van de zonde", d.w.z. het Imperium én de
officiële collaboratiekerk, als gemeenschap van de "profani",
d.w.z. vervolgers, lapsi en traditores,
die voorbestemd was voor de
eeuwige verdoemenis.
Ook in Augustinus' visie vormen
"heiligheid" en "zondigheid" de twee
beslissende categorieën, en ook hij deelt op basis daarvan de
mensheid in in twee "societates" of, beter nog,twee
"civitates", of "steden"; [78]
tenslotte zijn beide ook bij hem drager van de eschatologische
lotsbesteming van de mens, vgl. bijvoorbeeld CD, XV:1.1:
"... het menselijke geslacht (genus),
... dat wij hebben ingedeeld in twee geslachten: dat van degenen die
volgens de mens, en dat van degenen die volgens God leven. Allegorisch (mystice)
duiden we ze ook wel aan als twee steden (civitates)
ofwel twee mensengemeenschappen (societates hominum),
waarvan de ene is voorbestemd (praedestinata) om met
God in eeuwigheid te heersen, de andere om met de duivel een eeuwige
foltering te ondergaan... Geheel deze tijd of wereldperiode (saeculum),
waarin de stervenden heengaan en de nieuwgeborenen in hun plaats komen,
bestaat uit de voortgang (excursus) van die twee
steden...".
Het is dus zeker niet toevallig dat Augustinus'
eerste beschouwingen over de "twee steden" contemporain zijn aan zijn
anti-donatistische traktaten. En het is vrijwel zeker dat hij vooral
beïnvloed is door de uitgestoten donatist Tyconius, die in een
commentaar op de Apocalyps, ca 380, het
donatistische standpunt over twee, volledig van elkaar
gescheiden gemeenschappen had genuanceerd (zie Morris,
1967:219). In aansluiting bij wat hoger reeds opgemerkt werd inzake
Augustinus' kritiek op het donatisme (zie n. 44),
kunnen we inderdaad vaststellen dat het donatistisch principe van twee
tegengestelde societates door hem a.h.w.
gespiritualiseerd werd: d.w.z. de twee "maatschappijen"
bestààn, doch ze zijn niet fysiek of
institutioneel maar louter geestelijk van aard; zij
kunnen bijgevolg in hun aardse manifestatie door ons, mensen, niet van
elkaar onderscheiden worden. Die visie vinden we in haar belangrijkste
principes al volledig uitgewerkt in een werk van ca 400, namelijk De
catechizandis rudibus (of over het elementair
geloofsonderricht), XIX:31:
"Zo tekenen zich voortdurend twee
steden af, de stad van de slechten en de andere stad, die van de
heiligen. Hun ontwikkelingsgang duurt vanaf het begin van het menselijk
geslacht tot aan het einde van de wereldperiode (saeculum);
nu zijn ze naar het lichaam nog met elkaar vermengd maar naar de wil (voluntas)
gescheiden, maar op de dag van het oordeel moeten ze ook naar het
lichaam gescheiden worden".
De vraag, echter, wat we precies
dienen te verstaan onder de "twee steden" van
Augustinus, laat zich niet zo gemakkelijk beantwoorden. Augustinus
heeft er zich op zoveel verschillende manieren over uitgelaten, dat een
eenduidig antwoord onmogelijk lijkt. De lezer krijgt sterk de indruk,
aldus Morris (1967:221), dat "in verschillende contexten en op
verschillende niveaus de twee Steden verschillende zaken betekenen".
Er lijkt dus sprake te zijn van een intrinsieke ambiguïteit, of
"ambivalentie" (Diesner), in zijn theorie, en zij zou wel
eens een constitutief moment kunnen zijn van de ideologische betekenis
ervan. Laten we echter starten met de aspecten die weinig of geen
problemen bieden.
Wat in de eerste plaats moet beklemtoond worden,
is dat we bij de "civitas Dei", "civitas Christi", "societas
sanctorum", "civitas caelestis", enz., enerzijds, en de
"civitas diaboli", "civitas impiorum", "civitas terrena",
enz., anderzijds, bovenal te doen hebben met eschatologische
fenomenen. Een cruciaal concept hierbij, dat door Augustinus
verscheidene keren naar voor wordt gebracht, is dat van de predestinatie.
Alle mensen, anders gezegd, worden "gerekruteerd" voor
één van beide steden op basis van de goddelijke
voorbestemming, wat betreft hun respectievelijk heil of verdoemenis. De
"steden" hebben bijgevolg geen
waarneembare werkelijkheid, althans tot op het Eindgericht. Zoals hij
het formuleert in CD, I:35:
"in déze wereld zijn de
twee steden dooreengevlochten en met elkaar vermengd, totdat ze door
het laatste oordeel zullen gescheiden worden" (cf. ook
hierboven).
Zolang dit saeculum duurt,
ontwikkelt zich hun geschiedenis, maar in hun zichtbare,
materiële loopbaan stichten ze dikwijls verwarring: zo blijken
slechte mensen dikwijls te floreren, en goede mensen onrecht te lijden.
Wàt hen wezenlijk constitueert, is dus niét het
uitwendige gedrag van hun respectievelijke "burgers"
(zoals de donatisten meenden), maar uitsluitend hun innerlijke,
geestelijke attitude, cf. CD, XVIII:54.2:
"ze maken allebei gelijkelijk gebruik
van de goede dingen, en ze lijden gelijkelijk onder de kwade dingen van
de tijd; ze doen dat echter met een verschillend geloof (fides),
een verschillende hoop (spes) en een verschillende
liefde (amor), totdat ze door het laatste oordeel
van elkaar gescheiden worden".
Meer in het bijzonder vanuit een definitie van "populus",
namelijk als een "een rationele
(menselijke) veelheid die is samengebracht door een eendrachtig
deelgenootschap in wat ze liefhebben" (CD, XIX:24), grondvest
Augustinus de "twee steden" op hun respectievelijke
"amor": de "aardse"
vindt haar eenheid in haar liefde voor de "wereld", d.w.z.
ze wil "genieten" (frui) van het aardse, en leeft
"volgens het vlees"; de "hemelse",
anderzijds, vindt haar eenheid in haar liefde tot God; ze "gebruikt"
(uti) de wereld enkel, en leeft "volgens de geest" (cf.
het citaat, hoger, uit De rud. cat., "gescheiden
naar de wil"). Zoals hij het puntig formuleert, CD, XIV:28:
"fecerunt itaque civitates duas
amores duo", "twee liefdes hebben dus twee steden gemaakt".
3.6.
Eenheid van geloof.
Bij "amor"
(of "voluntas")
gaat het vanzelfsprekend over de "liefde" van de
enkelingen die samen deze gemeenschappen vormen, immers: "wat
is Rome anders dan de Romeinen?" (Sermo,
81.9, en elders in gelijke zin). De klemtoon valt bijgevolg op de
menselijke persoon, en het is diens amor of
voluntas die ten grondslag ligt aan de eenheid
van elke "stad". Zo vindt de "Godsstad" haar
eenheid - en dus haar "zijn" - in de eenheid van haar liefde, of, zoals
hij uitdrukt in CD, XVIII:54.2 (supra), in de eenheid van haar "geloof",
haar "hoop" en haar "liefde".
Zij veronderstelt, anders gezegd, een geloof in
dezelfde, éne Waarheid - en dus ook, zo mogen we
concluderen, de eenheid van doctrine waarin die
Waarheid aan de mensen wordt bekend gemaakt. Elk doctrinaal,
filosofisch of levensbeschouwelijk pluralisme lijkt
dus principieel uitgesloten voor deze "stad van de vromen".
Zoals Etienne Gilson het formuleert (Les
Métamorphoses de la Cité de Dieu,
Leuven 1952:63, m.v.):
"De Stad van God... kan slechts
één enkele theologie tolereren, dié
namelijk waarvan de gemeenschappelijke acceptatie de verzekering vormt,
samen met die voor haar eenheid, voor haar existentie zelf. Wie de
doctrine verbreekt, verbreekt de band van de stad".
Augustinus toont zelf duidelijk waar hij staat,
in dit opzicht, met zijn scherpe kritiek op de "goddeloze", of
"heidense stad", namelijk Athene:
ondanks de zeer grote verscheidenheid aan filosofische richtingen, en
dus aan opvattingen over het "opperste goede" (summum bonum),
heeft de overheid daar nooit de moeite genomen om
één enkele ervan tot de enig juiste uit te
roepen, zodat "Babylon" een veel betere naam ervoor
zou zijn,cf. CD, XVIII:41:
"Deze en nog vrijwel ontelbaar vele
àndere meningsverschillen hielden de filosofen verdeeld.
[79]
Maar welk volk, welke senaat, welke openbare macht of waardigheid
binnen de goddeloze stad (impia civitas) heeft er
zich ooit om bekommerd om daarover een oordeel te vellen en de ene goed
te keuren en te aanvaarden, de andere af te keuren en te verwerpen?
(Welke stad) heeft niet in haar schoot, zonder uitspraak en in
volledige verwarring, zovele controversen door elkaar laten
voortbestaan tussen mensen die het onderling oneens waren, niet over
akkers of huizen of welke geldelijke aangelegenheid ook, maar over die
zaken waardoor het menselijk leven ofwel ongelukkig ofwel gelukkig is?
Weliswaar werden daar ook sommige wàre dingen gezegd, maar
met dezelfde verdraagzaamheid (licentia) werden er
ook ónware verteld; zodat een dergelijke stad bepaald niet
voor niets de symbolische (mysticum) naam van
'Babylon' heeft gekregen. Babylon betekent immers 'verwarring' (confusio)...
Het was echter heel anders bij die natie (gens), dat
volk, die stad, die staatsgemeenschap (res publica),
bij die Israëlieten aan wie de uitspraken van God werden
toevertrouwd".
Niet enkel voor Augustinus maar voor elk
rechtgeaard platonicus, overtuigd als hij is van het objectief
gegeven zijn van één, absolute waarheid, zijn
pluralisme en verdraagzaamheid principieel onaanvaardbaar, misdadig
zelfs. Reeds Platoon zelf had vanuit die optiek zijn kritiek op de
Atheense polisdemocratie toegespitst op de vaststelling dat, in zulk
regime, "het iedereen vrij staat te doen wat hij wil..., zijn
leven naar eigen goeddunken in te richten" (Republiek,
557B5-10). En in het programma van zijn laatste dialoog, De
Wetten, moest een "Nachtelijke Raad", als
een soort van inquisitie, waken over de eenvormigheid. Indien er al een
nuance of verschil kan worden vastgesteld tussen Augustinus en Platoon,
dan ligt die in de zwaardere klemtoon bij de eerstgenoemde op de
(innerlijke) eenheid van geloof of denken,
in vergelijking met die van het (externe) handelen.
Augustinus ziet de juistheid van zijn visie op
een negatieve wijze bevestigd in het fenomeen van de
"ketterij", dat eveneens aan de "heidenen"
onbekend was. Anders gezegd, juist omdàt die geloofseenheid
zo vitaal is, heeft de duivel, na de nederlaag van het heidendom, zijn
toevlucht genomen tot het propageren van de vrijheid van doctrinale
"keuze" (het Griekse woord voor "ketterij",
haíresis, dat ook gebruikt werd in de betekenis
van filosofische strekking of school, betekent letterlijk
"keuze"). Het is immers precies door zijn eigen waarheid te
"kiezen", dat de ketter ageert als een kracht van vernieling,
die door de duivel wordt opgeroepen ten einde de Stad van God van
binnenuit te doen wankelen (Gilson, 1952:63). De "haeresie",
anders gezegd, is het steunpunt van de "civitas diaboli"
in de schoot van de ene, universele Kerk. Zoals Augustinus het zelf
schrijft, CD, XVIII:51:
"Toen echter de duivel zag dat de
tempels van de demonen verlaten raakten en het menselijk geslacht zich
haastte om de naam aan te nemen van zijn Middelaar en Verlosser, bracht
hij de ketters (haeretici) op de been. Gedekt door de naam
'christenen', moesten die zich verzetten tegen de christelijke leer,
alsof men hen in de Stad van God [!], zonder
onderscheid te maken (indifferenter) en zonder terechtwijzing, kon
laten begaan, op dezelfde manier als de stad van de verwarring de
filosofen ongemoeid liet, die onderling verschillende en tegenstrijdige
meningen verkondigden". Hij voegt daar wel onmiddellijk aan
toe dat ook déze "vijanden van de Kerk"
hun nut hebben, zoals het kwaad in het algemeen: "ze dienen
(de Kerk) tot oefening".
3.7. "Kerk"
en "Imperium".
Zolang we de "twee
steden" vanuit hun basisprincipes bekijken, stellen zich niet
al teveel problemen. Dat verandert echter wanneer de vraag wordt
gesteld naar hun preciese verhouding tot de twee "aardse"
instituties waarmee ze hoe dan ook verwant lijken, namelijk de
(zichtbare) Kerk en het Rijk (reeds in het citaat onmiddellijk hier
voor is er daaromtrent een verschuiving van perspectief merkbaar).
Op het principiële
vlak mogen de zaken duidelijk lijken: als eschatologische fenomenen
moeten de "twee steden" onderscheiden worden van
àlle "aardse" instituties. Zo mag het Imperium, of gelijk
welke politieke orde, niét vereenzelvigd worden met de "Stad
van de Duivel", en evenmin, wanneer het om een "christelijk"
Imperium gaat, met de "Stad van God". [80]
Anderzijds mag ook de georganiseerde Kerk niet verheven worden, zoals
de donatisten het wilden, tot een "societas sanctorum", en
dus vereenzelvigd worden met de "Stad van God". Het
lidmaatschap van de Kerk is géén "paspoort" tot
de eeuwige zaligheid: ook binnen die Kerk zijn er velen die
niét uitverkoren zijn en die louter "naamchristenen" zijn;
de Kerk is m.a.w. de "dorsvloer" waarop het "koren"
gescheiden wordt van het "kaf" (Mattheus,
3:12). Trouwens, ook een (klein) aantal goede en rechtschapen heidenen,
van vóór Christus, behoren
tot de civitas Dei, cf. CD, XVIII:47.
In de praktijk, echter, van zijn argumentatie zal
Augustinus zich er in bepaalde contexten wel degelijk toe laten
verleiden, het Imperium te vereenzelvigen met de "Stad van
de Duivel", met name als het gaat om het "heidense"
rijk, dat de christenen vervolgd heeft. Anderzijds kan hij ook Kerk en
"Stad van God" met elkaar identificeren: bv. impliciet, in de
passus, CD XVIII:51, geciteerd hierboven (ook in VIII:24; XIII:16;
XVI:24...), en zulks ondanks het feit dat, zoals gezegd,
niét ieder lid van die Kerk voorbestemd is voor de
zaligheid. Het is hier dat de verwarring begint te ontstaan - en dat
Augustinus aan de middeleeuwers a.h.w. "de pap in de mond" zou geven om
zijn "twee steden" zonder meer te vereenzelvigen
met aardse instituties, zoals het pausdom en het keizerrijk.
Zoals hoger al aangegeven (zie n. 44), kunnen we deze
onduidelijkheid theoretisch enigszins plaatsen vanuit Augustinus'
platonisme: er is maar één "Ecclesia",
en daarvan vormen de aardse institutie en de
hemelse "civitas Dei" twee verschillende
zijnsgraden - net zoals de "homo exterior"
en de "homo interior" hetzélfde subject
betreffen, maar op verschillende zijnsniveaus. Anders gezegd, zoals er
een "doorgang" is tussen "tijd" en "eeuwigheid"
(zie hoger, § 2.5), zo is er ook een tussen de historische,
zichtbare Kerk en de geestelijke Kerk van de "heiligen".
De "Stad van God" wordt op elk ogenblik van de
geschiedenis samengesteld door de engelen, de heiligen én de
uitverkorenen die nù nog "in den vreemde",
d.w.z. in de "civitas terrena", verblijven. Het is
deze situatie die aan Augustinus' notie van "civitas Dei"
haar soms nogal verwarrende polyvalentie geeft.
Een bijzonder probleem - dat
ons introduceert tot Augustinus' "politieke filosofie" - wordt gesteld
door zijn terminologie in verband met de "twee steden".
Hij gebruikt inderdaad niet louter benamingen met een duidelijk
eschatologische of ethisch-religieuze referentie: zoals "civitas
Dei/ diaboli", "civitas sanctorum/ piorum/ impiorum/ profanum",
e.d. Hij maakt óók gebruik van opposities waarmee
veeleer verwezen wordt naar een verschil inlokalisatie: zoals "civitas
terrena" versus "civitas caelestis", "civitas
temporalis" versus "civitas aeterna", "civitas
mortalis" versus "civitas immortalis" ...
[81]
De verwarring die dat meebrengt, betreft vooral de "aardse"
pendant, d.w.z. de "civitas terrena". Op elk
moment, immers, van de geschiedenis bevat zij, zoals gezegd, niet enkel
de "goddelozen" maar ook dié leden van
de "Stad van God" die, weliswaar als
"vreemdelingen" (peregrini), nog hun aardse leven leiden
(als zodanig vormen zij de "civitas" of "ecclesia
peregrina" ten overstaan van de "hemelse stad").
Dat we hier wel degelijk te doen hebben met
twéé vormen van de éne "aardse
stad", wordt ons door Augustinus zelf bevestigd, CD, XV:2:
"we ontwaren dus
twéé gestalten (duas formas)
aan de aardse stad: de ene toont haar eigen aanwezigheid [d.w.z.
zij is louter "aards"], de andere is
dienstbaar en moet door haar aanwezigheid de hemelse stad aanduiden...".
Van hieruit zouden we dus moeten concluderen dat
deze "aardse stad" noch met de "duivelse"
noch met de "goddelijke" mag vereenzelvigd worden,
maar een soort van "tussenvorm" vertegenwoordigt. Wat Morris (1967:223,
m.v.) doet opmerken:
"Een aantal misverstanden zouden
inderdaad vermeden zijn mocht Augustinus geschreven hebben over
drié steden in plaats van over twee - de Stad van God, i.e.
al wie gered is, in het verleden, het heden en de toekomst; de Stad van
de Duivel, i.e. al degenen voorbestemd om verdoemd te zijn; en een
neutrale, aardse samenleving, gekoppeld aan de beide andere en opgevat
als een Zichtbare Kerk of een Romeins Imperium, naargelang van de
invalshoek".
Verschillende moderne commentatoren zijn
trouwens zo ver gegaan, in hun interpretatie, om bij Augustinus
inderdaad drié "steden" terug te vinden.
Die (gemakkelijkheids)oplossing, echter, wordt m.i. terecht verworpen,
o.m. door A.C. De Veer. [82]
Hij wijst erop (m.v.)
"dat de tegenstelling tussen civitas
Dei en civitas terrena een morele
tegenstelling is, die bepaald is door de keuze voor of de verwerping
van de ultieme finaliteit, en die geen plaats laat voor een
intermediaire situatie".
Anders gezegd, aangezien "Rome niets
anders is dan de Romeinen" (cf. supra), d.w.z. deze
"steden" niets méér zijn dan de door
hun gemeenschappelijke "liefde" verenigde
ménsen, en er slechts twéé "liefdes"
(of "voorbestemmingen") zijn
tussen dewelke de gehéle mensheid is opgedeeld, kan er
inderdaad géén sprake zijn van een "derde
stad". Er is géén "derde weg" - om
het even in moderne terminologie te formuleren - want "wie
niet mét mij is, is tégen mij" (Lucas,
11:23).
Een beperkte verduidelijking bekomen we door ook
hier het platonisch paradigma van de zijnsgraden toe te passen, maar
dan m.b.t. de "civitas Diaboli", namelijk te
onderscheiden tussen haar "volmaakte" zijnsvorm, zoals zij aan het
Einde der Tijden manifest zal worden, en haar betrekkelijke,
lichamelijke vorm, hier op aarde: analoog aan de zichtbare Kerk,
verschijnt ook zij onder een "gemengde" gedaante.
Anders gezegd, bestaat ze niet uitsluitend uit de éigen
aanhangers, maar ook uit de "vromen".
3.8. De "civitas
terrena".
De dubbelzinnigheid van de "civitas terrena" is
ook na het bovenstaande niet volledig opgelost, en ze kàn
dat ook niet zijn (want dan zouden Imperium en "duivelsstad" tóch
met elkaar moeten vereenzelvigd worden). Het is
trouwens in die resterende dubbelzinnigheid dat de augustinische "politieke
theorie" haar "niche" heeft. Wel moeten
we voorafgaandelijk voor alle duidelijkheid opmerken dat Augustinus'
aandacht bovenal toegespitst is op de éne "Stad
van God" (cf. ook de titel van het boek zelf). Ten grondslag
aan dit alles ligt zijn extreem theocentrische basisintuïtie
(die we ook terugvinden in zijn ethiek, zijn kennisleer, zijn
"natuurfilosofie", enz.), namelijk dat de gehele werkelijkheid - de
natuurlijke zowel als de maatschappelijke - slechts "is", slechts
bestaansrecht heeft, in de mate dat ze in een directe relatie
tot God staat: de zogenaamde "ordo ad Deum". Vanuit
zichzelf bezit de werkelijkheid zelfs geen betrekkelijke autonomie. Dat
geldt dus uitdrukkelijk ook voor de mens, die, zeker sedert de
Zondeval, vanuit zichzelf volkomen machteloos is om het goede te
realiseren en volledig aangewezen is op de goddelijke Genade. Het
essentiële, daarom, ook voor die mens is de "ordo ad
Deum", d.w.z. zijn directe relatie, via die Genade, tot zijn
Schepper; het sociale, d.w.z. de relatie tot zijn medemensen is in het
licht daarvan volkomen secundair, gaat op in die relatie tot God. Te
meer omdat het Imperium Romanum, hoewel verzwakt, nog altijd een
politieke realiteit was, had Augustinus met zijn De civitate Dei zeker
niet de bedoeling om een theorie van de "civitas terrena", of
een "politieke filosofie", te ontwikkelen. Het was
hem er integendeel om te doen, de toebehorigheid van de christen tot de
"goddelijke stad" te beklemtonen.
Het latere, zogenaamde "politieke
augustinisme" ontwikkelde zich nadàt de Romeinse
rijksorde verdwenen was. Dat gebeurde voor het eerst, niet toevallig,
in de Karolingische tijd, toen, vooral onder impuls van Alcuinus,
Karels rijk vereenzelvigd werd met Augustinus' "Stad van
God". Als middeleeuwse lectuur, echter, van Augustinus' De
civitate Dei, zou dat politieke augustinisme vooral worden
gekenmerkt door een typische combinatie van afwijzing én
respect voor de civiele of politieke orde, zeg maar: de Staat (cf. de
latere investituurstrijd). Welnu, dergelijke ambivalentie treffen we
ook al bij Augustinus zelf aan. Zij is gekoppeld aan het merkwaardige
fenomeen dat zijn werk zowel de aanzet biedt tot een normatieve
als tot een positivistische kijk op Staat en recht.
Enerzijds, wanneer hij de volmaaktheid van de "hemelse
stad" wil beklemtonen, als de enige plek waar het goede, en
dus ook alle deugden echt gerealiseerd worden, wordt Augustinus ertoe
gebracht om aan de concrete politieke orde, in casu het Romeinse Rijk,
zelfs het statuut te ontzeggen van "res publica": "er
heeft nooit een Romeinse res publica bestaan". Het is immers
principieel onmogelijk om op aarde de "iustitia" te
vestigen (CD, XIX:21, gebruik makend van een op het ius of
recht gebaseerde definitie van "populus" door
Cicero). Die normatieve opstelling geeft hem dan de gelegenheid tot het
formuleren van zijn bekende uitspraak (CD, IV:4):
"dus zónder die
rechtvaardigheid, wat zijn rijken anders dan grote roversbenden? Want
ook roversbenden zelf, wat zijn ze anders dan kleine rijken?" (remota
itaque iustitia, quid sunt regna nisi magna latrocinia? quia et
lactrocinia quid sunt nisi parva regna?")
De overtuiging dat "de (ware)
rechtvaardigheid" enkel in de "hemel" te vinden is, is
natuurlijk goed platonisch: "Augustinus liet de ware
rechtvaardigheid waar Platoon ze eeuwen eerder had gelaten - in de
hemel en niet op aarde" (Morris, 1967:230).
Nochtans voelt Augustinus zich daardoor niet
gehinderd om, vrijwel onmiddellijk erop, een moreel neutrale,
positivistische definitie te presenteren. Hij laat de eis van een
volmaakte iustitia gewoon vallen en volstaat met
met een "eendrachtig deelgenootschap in wat men liefheeft"
(CD, XIX:24; zie hoger, onder § 3.3). Déze
definitie laat hem dan toe om élke bestaande samenleving een
"populus" te noemen, en de politieke
organisatie ervan een "res publica". Het volstaat
daarbij dat er tussen de leden ervan een consensus bestaat met
betrekking tot de materiële, "aardse" belangen
(niét betreffende de ultieme finaliteiten, "God" en
"duivel", want zij constitueren de eschatologische "steden").
Over de vraag, wat we dienen te verstaan onder
dergelijke gemeenschappelijke belangen, laat onze auteur zich slechts
in zeer algemene bewoordingen uit, cf. CD, XIX:13.2:
"(God heeft aan de mensen
geschonken:) de goede dingen die geschikt zijn voor dat aardse leven,
te weten de tijdelijke vrede (pax temporalis) - naar
de beperkte mate van het sterfelijke leven -, een vrede die bestaat in
gezondheid, lijfsbehoud en gemeenschap (societas)
met zijn soortgenoten en alles wat noodzakelijk is om die vrede te
bestendigen of te herwinnen".
Het betreft, anders gezegd, de sfeer van de
economische en materiële noodwendigheden en van de openbare
orde. Welnu, het is déze sfeer, d.w.z. deze, vanuit
ethisch-religieus opzicht, bepérkte
sfeer, die de sfeer is van de augustinische "Staat":
de (materiële) belangen van de "burgers"
van de "twéé steden" vallen
erin samen. Béide groepen, immers, zijn in deze wereld
aangewezen, voor de ordening van hun existentiële behoeftes,
op de politieke overheid, of de Staat, als een aardse en vergankelijke
instelling (res publica, regnum, imperium).[83]
Nochtans, ondanks dat gemeenschappelijke belang, nemen beide groepen
een radicaal verschillende morele houding aan ten
aanzien van die wereldlijke goederen, vgl. CD, XIX:14 (PS
"aardse stad" en "hemelse stad" worden
hier in hun eschatologische betekenis gebruikt):
"in de 'aardse stad' is alle gebruik (usus)
der tijdelijke goederen gericht op het genieten (fructus)
van de aardse vrede; in de 'hemelse stad', echter, is alle gebruik der
tijdelijke goederen gericht op het genieten van de hemelse vrede".
De twee noties die hier gebruikt worden om die
verschillende houding te preciseren - namelijk "gebruik"
of "gebruiken" (Latijn: "uti"),
en "genieten" (Lat.: frui) -,
in combinatie met de van oorsprong stoïcijnse noties: "utile"
("nuttig", cf. het Grieks "kathèkon")
en "honestum" (voor wat op zich waardevol is, cf.
Grieks "kalón"),
zijn de twee basiscategorieën in de augustinische ethiek. In
zijn radicale "ordo ad Deum" is enkel God
waardevol-op-zich; het aardse, daartegenover, kan nooit
méér dan een middel in dienst van een hogere
waarde (sc. God). Terwijl de "vromen" de aarde "gebruiken"
ten einde van God te "genieten",
"gebruiken" de profanen God (d.w.z. de godsdienst) om van de
aarde te "genieten". De "burgers"
van de "goddelijke Stad" delen dus met die van de "duivelse
Stad" een belang in de aardse goederen, maar ze waarderen
deze laatste uitsluitend als een middel met het
oog op hun latere "fruitio Dei" - en
dàt is de morele houding die conform is aan de goddelijke
"orde" (ordo). Augustinus pleegt die houding ook te
bestempelen als die van de "vreemdeling" (peregrinus), vergelijkbaar
met die van de joden in Egypte (vgl. CD, XIX:17).
In de hoger geciteerde passussen is al enkele
malen het woordje "vrede", Latijn: "pax",
gevallen. "Vrede" is
inderdaad een fundamentele notie in Augustinus' politieke theorie. Zij
is a.h.w. de directe, maatschappelijke uitdrukking
van een ander, voor zijn ethiek fundamentele begrip, namelijk dat van
de "ordo". Élke maatschappelijke groep
streeft zijns inziens essentieel de pax, of de "ordo
pacis", na, want zij is het einddoel van àlle
menselijke handelingen. Zelfs rovers is het z.i. fundamenteel te doen
om een dergelijke "pax", die algemeen kan
gedefinieerd worden als "tranquillitas ordinis", "de rust van
de orde" (voor de rovers, zie CD, XIX:12). Augustinus gaat
echter nog een stap verder. Meegesleept, wellicht, door zijn
ethousiasme voor een ideaal dat zijn eigen tijd bovenal
ontbéérde (vergelijk met Epikouros' ataraxie),
maakt hij van "pax" een concept van een universele
reikwijdte, dat op àlle niveaus van de kosmische orde om
verwezenlijking vraagt, cf. XIX:13.1:[84]
"De vrede van het lichaam is het
geordend samengaan van zijn delen; de vrede van de niet-redelijke ziel
is de geordende rust van haar strevingen; de vrede van de redelijke
ziel is de geordende overeenstemming van haar kennis en haar handelen;
de vrede tussen lichaam en ziel het geordend leven en welbevinden van
het levend wezen; de vrede tussen de sterfelijke mens en God is de in
het geloof geordende gehoorzaamheid onder de eeuwige wet (ordinata in
fide sub aeterna lege oboedientia); de vrede tussen de mensen is hun
geordende eendracht: de vrede van het huis de geordende eendracht in
het bevelen en gehoorzamen van degenen die erin samenwonen, de vrede
van de stad de geordende eendracht van de burgers in het bevelen en
gehoorzamen; de vrede van de hemelse stad is de volmaakt geordende en
eendrachtige gemeenschap in het genieten van God en van elkaar in God;
de vrede van alle dingen is de kalmte van de orde. 'Orde' (ordo) is de
rangschikking van gelijke en ongelijke dingen waardoor elk van hen zijn
eigen plaats toebedeeld krijgt".
Ook de relatie tussen de "twee steden"
wordt van hieruit door Augustinus beschreven in functie van hun
respectievelijke houding t.a.v. de "pax terrena":
de (éigenlijke) "aardse stad"
bepérkt haar streven tot (de realisatie en het behoud van)
die "aardse vrede", en kijkt niet verder (of
"hoger"). De bezorgdheid, daarentegen, van de leden van de
"hemelse stad" voor die aardse vrede is weliswaar
reëel maar betrekkelijk, omdat, vanuit
religieus oogpunt, ook de waarde ervan betrekkelijk is, vgl. CD, XIX:17
(waarin ook het universalisme van de "goddelijke
stad" wordt beklemtoond, in onderscheid met het
particularisme van de politieke gemeenschappen):
"Terwijl de hemelse stad dus op aarde
als een vreemde vertoeft, roept zij uit alle volkeren burgers tot zich
en verzamelt zij zich onder alle talen haar gemeenschap van
vreemdelingen, zonder zich te bekommeren om wat er verschillend is in
hun levenswijzen, hun wetten en hun instellingen, die gericht zijn op
het verkrijgen en behouden van de aardse vrede; niets daarvan schaft
zij af, of doet zij teniet... Ook de hemelse stad maakt dus hier,
tijdens haar verblijf in den vreemde, gebruik van de aardse vrede; ten
overstaan van alles wat met de sterfelijke natuur van de mensen te
maken heeft, bewaart en zoekt zij de wilsovereenstemming van de mensen,
voor zover dat mogelijk is zonder aantasting van
vroomheid en godsdienst" (m.o.).
3.9.
Politiek na de Zondeval.
Na het voorgaande mag
het geen
verwondering wekken, wanneer bv. door Morris (1967:224) geconstateerd
wordt dat "Augustinus' visie op de seculiere samenleving
geenszins samenhangend is". Hoger, hadden we het al over een
combinatie van afwijzing en respect. Zij komt ook tot uiting in een
(aanzet tot) differentiatie tussen het "sociale" en
het "politieke".
Zoals voor andere onderdelen van de augustinische
filosofie (bv. zijn mensvisie, wilsconcept, visie op seksualiteit,
enz.), vormt ook hier de Zondeval de invalshoek van
waaruit de problematiek benaderd wordt. Naar zijn "natuur",
immers, d.w.z. zoals hij oorspronkelijk door God geschapen is, is de
mens voor Augustinus een "sociaal" wezen. Het
menselijke geslacht, anders gezegd, is "sociale
naturâ", vgl. CD, XII:28.1:
"géén ander
geslacht, immers, dan (het menselijke) is door zonde zó tot
tweedracht geneigd, door natuur zó tot gemeenschap" (nihil
enim est quam hoc genus tam discordiosum vitio, tam sociale natura).
Dat wordt trouwens bevestigd door het feit dat
ook de heiligen, in de Hemel, in gemeenschap leven, namelijk de "societas
sanctorum".
Het voorgaande, echter, impliceert geenszins dat
de politieke organisatie van die aangeboren
sociabiliteit - met alles wat zij inhield, zeker in Augustinus' eigen
tijd, aan onrecht, onvrijheid, ongelijkheid, onderdrukking, enz. -
eveneens "naturâ" zou zijn. Integendeel,
vóór de Val waren alle mensen ("in" Adam) vrij en
elkaars gelijken, cf. CD, XIX:15:
"Aan die mens, door Hem als redelijk
wezen geschapen naar Zijn beeld, wilde Hij geen heerschappij geven over
andere dan niet-redelijke wezens: de mens moest niet heersen over de
mens, maar over de dieren... Krachtens de natuur waarin de mens
aanvankelijk door God werd geschapen, is géén
mens slaaf".
Het was maar als gevolg van de Val - zelf
het resultaat van "hoogmoed" (superbia), d.w.z. het
verlangen om "van zichzelf", of autonoom te zijn - en het teloorgaan,
als gevolg daarvan, van de natuurlijke of rationele "ordo"
in de menselijke verlangens, dat de mensen macht over elkaar zijn gaan
zoeken; dat er machtsstructuren ontstaan zijn. In de mate dat
élke politieke ordening in mindere of meerdere mate - en hoe
groter het rijk, des te groter die "mate" (vgl. CD, III:10 en IV:3,
waar Augustinus voor kleine entiteiten lijkt te pleiten) - het
resultaat is van zulke machtshonger, is ook élke politieke
ordening wezenlijk immoreel, d.w.z. is een "kind" van de Zondeval, en
dus ook een straf.
Nochtans is dat voor Augustinus slechts
één zijde van de "medaille". Immers, ook de
"gevallen" natuur bleef zich situeren binnen de goddelijke
schepping, en blééf dus een minimale zin voor "orde"
bewaren. Anders gezegd, de mensen behielden een instinct tot zelfbehoud
en erkenden de noodzaak om, binnen de fatale wanorde waarin ze door
Adam waren gestort, een minimum aan orde te creëren - ook al
kon dat, in hun gevallen staat, enkel bij middel van ongelijkheid,
uitbuiting, repressie, enz. De politieke orde waarin
de mensen sedert de Zondeval leven, is daarom ook te zien, of zelfs
waarderen, als het (positieve) gevolg van die noodwendigheid. De mens
is dus a.h.w. uit lijfbehoud "politiek" geworden,
of, zoals Morris het formuleert (1967:225), "de mens was
altijd al sociaal maar, sedert de Val, is hij politiek moeten worden".
Wet en (politieke) orde mogen daarom een kwaad
zijn, ze zijn een "noodzakelijk kwaad". Het menselijke recht, de "lex",
kan zelfs geapprecieerd worden als een
substituut, in "aardse" omstandigheden, voor de goddelijke "lex
aeterna" (Confessiones, III:7.13).
Méér nog, in zoverre het net is ingesteld "ter
remediëring van de zonden" (propter remedium peccatorum),
dient het politieke "goevernement" zelfs beschouwd te worden als een
geschenk van de goddelijke Voorzienigheid, met de bedoeling de mens in
staat te stellen de levensbedreigende wanorde en tweedracht te
overwinnen, en aldus de miminumvoorwaarden te helpen realiseren voor
zijn finale verlossing. Zoals Markus (1967:418-9) de situatie samenvat:
"de Staat is niet, zoals het geval
zou zijn mocht hij een verordening van de natuur zijn, een essentieel
middel ter realisering van de menselijke doelstellingen; hij bestaat
veeleer ten einde de uitwendige, maatschappelijke voorwaarden te
verzekeren opdat de enkeling gemakkelijker zijn legitieme objectieven
zou bereiken. Zijn sfeer is van de tijdelijke noodwendigheden van de
pelgrim, op zijn weg naar de hemelse patria
(XIX.17): hij schrijft niet de richting voor van diens reis".
Deze invalshoek opent alvast de deur voor een
positieve benadering en waardering van de wereldlijke staatsorde, en
zulks overeenkomstig de door God aan de wereld gegeven
"natuurwet". Dat geldt uitdrukkelijk ook voor het Imperium
Romanum: God heeft de Romeinen bijgestaan, in hun "heidens" verleden,
bij de uitbreiding van hun rijk (CD, IV:2); en het was niet zonder Zijn
instemming dat zij bij middel van "bella iusta", of
"rechtvaardige oorlogen"(!), devoorwaarden hebben
gecreëerd voor een "ordo pacis", dank zij
dewelke "humanissime", "op de meest menselijke wijze",
"allen die onder de Romeinse
heerschappij leefden, óók een deel kregen in de
staatsgemeenschap (societatem civitatis) en Romeinse
burgers werden, zodat het vroegere voorrecht van enkelen (voortaan) aan
àllen ten deel viel" (CD, V:17.1).
Het Rijk moest derhalve militair
verdedigd worden. [85]
Epiloog.
Wie de augustinische politieke filosofie
vergelijkt met de aristotelische, waarin de politieke ordening (met
inbegrip van de slavernij) in de menselijke natuur zélf werd
gefundeerd, zal geneigd zijn om in Augustinus' klemtoon op de
"zondige" oorsprong van de Staat en op de betrekkelijke
waarde van elke bestaande orde de aanzet te vinden voor een
maatschappijkritische of contestataire houding. En het dient erkend te
worden dat deze theoretische mogelijkheid zich inderdaad ook bij
momenten gerealiseerd heeft in de geschiedenis (zie bv. de rol van de
"bevrijdingstheologie", in Latijns-Amerika, of misschien ook
de rol van de katholieke Kerk in communistisch Polen). Voor Augustinus
zélf, echter, zoals later ook voor het "politieke
augustinisme", garandeerde de dubbelzinnigheid van zijn visie in de
praktijk vooral de mogelijkheid om het behoud
van de bestaande orde te verdedigen. [86]
Om me in dit verband te beperken tot
één aspect: de slavernij. Het feit dat hij
erkende dat de slavernij niét "van nature"
was, in tegenstelling tot Aristoteles, betekende voor Augustinus
helemaal niet dat slaven het recht hadden hun vrijheid op te eisen, of
weg te vluchten. De slavernij is immers een "straf"
voor de gevallen mens (en we zijn allemààl
gevallen, in Adam): "de eerste oorzaak van de slavernij is de
zonde" (CD, XIX:15). En bovendien, deze "poenalis
servitus", of "strafslavernij",
"wordt geordend (ordinatur) door die
wet, die de handhaving van de natuurlijke orde beveelt en haar
verstoring verbiedt".
Augustinus kon hierbij verwijzen naar Paulus: ook
in diens Brieven wordt aan de slaven geboden zich
te onderwerpen aan hun eigenaar (cf. Ef 6:5-9,
Kolos 3:22-25, Titus 2:9-10). Maar er is
méér. Niet alleen de onderdrukten zijn
"gevallen" mensen: ook hun "heren" zijn
dat. De kans dat deze laatsten hun macht misbruiken
en hun ondergeschikten onrechtvaardig behandelen, of erger, is, zacht
gezegd, reëel. Augustinus, echter, ontzegt aan slaven (maar
ook aan àlle onderdanen, aan vrouwen en kinderen - t.a.v. de
paterfamilias -, enz.) uitdrukkelijk alle "weerstandsrecht".
Slaven, anders gezegd, die zich trachtten te onttrekken aan hun
wreedaardige meesters, worden door hem uitdrukkelijk gebrandmerkt als
"pessimi servi", "allerslechtste slaven" - "en tegen hen moet met recht
de hulp worden ingeroepen van de politionele en rechterlijke organen"
(Diesner, 1961:878).
De verklaring hiervoor is eenvoudig: alle mensen,
dus onder meer ook alle slaven, zijn zondaars, en dus: schuldig.
De bestaande rechtsorde is ingesteld, zoals gezegd, ter
"remediëring" van die zondigheid - "en
zondaars hebben dus niet het recht zich te beklagen over een dergelijke
remedie", aldus Morris (1967:234), die vervolgt met:
"De onderdaan wordt daardoor beroofd
van wat dikwijls zijn beste wapen is tegen een onderdrukkend bewind,
want hij kan niet aanvoeren dat een onderdrukker, wegens zijn
onrechtvaardigheid, aan zijn recht op heerschappij verzaakt heeft. Er
is slechts één enkele ware rechtvaardigheid, en
ze kan niet verwacht worden in de handen van mensen. De onderdrukte kan
evenmin een beroep doen op enige natuurlijke rechten of natuurwet.
'Natuur' in die betekenis was opgeheven door de Val".
Om die reden krijgen de "dienaren van
Christus" van Augustinus het gebod mee om "zelfs de slechtste
en, als dat nodig is, de nog het meest de-zweep-hanterende overheid te
verdragen" (tolerare Christi famuli iubentur pessimam etiam ac, si ita
necesse est, flagitiosissimam rem publicam, Epistula
138, geciteerd door Straub, 1983:78).
De "Staat" - en alles wat die impliceert, met
zijn monopolie op het geweld - krijgt in de augustinische visie dus
bovenal de functie van ordehandhaving (ook later zal het "augustinisme"
steeds de klemtoon leggen op de "coërcitieve",
of dwang-opleggende, en bestraffende functies van de Staat). De
morele hoedanigheid, daarbij, van de "ordehandhaver" is, wat
zijn onderdanen betreft, volkomen secundair. Om het wat simpel te
formuleren: hoe méér hij hen doet lijden, hoe
gróter de beloning die hen, eventueel, te wachten staat in de
"hemelse stad". Zoals nogmaals Morris het formuleert
(1967:233):
"niet verwonderlijk, vinden we bij
Augustinus een voorafschaduwing van een beroemde passus bij Joseph de
Maistre [1753-1821, actief tijdens de Franse Revolutie],
namelijk met zijn argumentatie dat niemand anders dan de beul (carnifex)
de samenleving samenhoudt. De beul zelf, zegt hij, hoeft daarbij geen
zuivere handen te hebben. Niemand van ons is schuldloos, en evenmin
zijn we zelfs betrekkelijk onschuldig, tenzij we alles doen om de
onschuld van anderen te bewaren, en dat is het wat de beul doet"
(zie De ordine, IV:12, in een kapittel waarin
Augustinus wil aantonen dat het kwaad zelf bijdraagt tot de harmonie
van het geheel).
Tenslotte, wat de latere middeleeuwen betreft, en
de fortuin aldaar van het "politieke augustinisme", herinner ik aan wat
hoger gezegd werd over de twéé benaderingswijzen
die Augustinus' politieke theorie herbergt, een neutrale, of
"positivistische", en een religieus-normatieve. Van daaruit zou zij
twee tegengestelde ideologische ontwikkelingen kunnen voeden, namelijk
zowel de theocratische visie van de aanhangers van
de pauselijke "plenitudo potestatis", of
"volheid van de macht", [87] als die welke een
laïcisering of verwereldlijking voorstond van de
politiek. Zoals F.C.Copleston het formuleert, in zijn A
History of Medieval Philosophy (1972:47, m.v.): [88]
"(Augustinus') definitie van een
samenleving specificeert niet het soort van basisbelangen waaromtrent
een consensus een groep mensen verenigt in een gemeenschap. We kunnen
daarom zeggen dat ze, bij implicatie, de mogelijkheid openlaat voor een
leken- of seculiere staat. Tegelijkertijd beweegt Augustinus' denken
zich in de richting van een theocratische Staat, in elk geval in die
mate dat het in latere tijden mogelijk was zich op hem beroepen ter
ondersteuning van dit idee".
_____________________________

NOTEN:
[1]. In het
Augustinushoofdstuk van zijn Lehrbuch der Dogmengeschichte (p.104,
geciteerd bij C.Andresen, in de inleiding van zijn Zum
Augustin Gespräch der Gegenwart (1975), I, p.13.
[2]. In zijn Western
Political Thought 1 (1967:209).
[3]. Zie
Andresen (1975b:30).
[5]. Beide
geciteerd bij Andresen, p.31.
[7].Zo
althans D.Knowles, The Evolution of Medieval Thought
(London 1962), p. 33.
[8]. In zijn Augustin
und das griechische Denken
(1975a:196-7).
[10].In:
R.W.Battenhouse, A Companion to the Study of St. Augustine
(1955), p. 4.
[11]. Zo
blijkt hij op 72-jarige leeftijd, in zijn De civitate Dei,
nog altijd getraumatiseerd te zijn door de pakken slaag die hij naar
goede antieke gewoonte als kind ontvangen had: "Wie zou niet
huiveren en niet de dood verkiezen, als hij eens voor de keuze werd
gesteld, de dood of nog weer eens zijn kinderjaren te ondergaan?"
(XXI.14, vertaling G.Wijdeveld, 1983).
[12]. Cf
het groot aantal bewaarde brieven; door de grote beroemdheid die hij
verwierf, gingen ze verspreid worden nog vóórdat
ze ter bestemming kwamen: ze werden gekopieerd in de plaatsen waar de
boodschapper langs kwam! - Wat Augustinus' correspondent
Hiëronymus betreft, die is natuurlijk vooral bekend, en
historisch ook erg belangrijk, voor zijn Latijnse vertaling van de
(Hebreeuwse en Griekse) Bijbel, eind van de 4de en begin van de 5de
eeuw: de zgn. Vulgaat. Alleen al om redenen van de
door Hiëronymus gebezigde taal, vertoonde deze Latijnse Bijbel
tal van specifieke trekken, in vergelijking met het origineel. Terwijl
de Bijbel zelf, en dan vooral het zgn. Oude Testament, reeds
doordrongen was van een "wettisch" denken (cf. een boek als
Deuteronomium), heeft Hiëronymus' Latijn dat
juridisme nog in grote mate versterkt: het bevatte tal van termen en
noties die heel nauw aansloten bij de taal van de Romeinse juristen, of
het Romeins recht. Aangezien de evangelisering van West-Europa (zij
leidde tegelijkertijd ook tot een latinisering of
romanisering ervan) gebeurde op basis van
Hiëronymus' Vulgaat, hielp die vertaling ook een eigen
karakter geven aan het westerse, Latijnse christendom. Zie W.Ullmann, Medieval
Political Thought, 1975:21.
[13]. Dat
verklaart, volgens Andresen (1975b:21), waarom later, in de middeleeuwen, wanneer die geestelijke concentratiekracht van
Augustinus' persoonlijkheid verdwenen was, zijn allesomvattende
gedachteconstructie uiteenviel in haar afzonderlijke bestanddelen, die
dan op hun beurt konden verzelfstandigd worden tot theologische
programma's.
[14].
Chester G.Starr, The Roman Empire, 27 B.C. - A.D. 476. A
Study in Survival (1982), geeft zijn hoofdstuk over de
periode 330-476 als titel "The Final Test" mee. Er
dient opgemerkt dat waar ze in het Westen uitliep op de "val" van het
Rijk, het rijk in het Oosten voor nog eens 1000 jaar geconsolideerd
werd.
[15]. Zie
ook M. Rostovtzeff, De Oude Wereld, II (1927), pp.
246-7.
[16].
Western Political Thought (1967:206-7). Voor een omstandige
bespreking van de redenen van het “succes” van het
christendom in de late oudheid, zie: Danny Praet, De God der
goden. De christianisering van het Romeinse rijk (1995).
[17]. Zie
o.m. Perry Anderson, Passages from Antiquity to Feudalism
(1974:90-103). Voor het aandeel van het christendom in de val van het
Romeinse Rijk in het Westen, zie ibid., en vooral A. Momigliano,
Christianity and the Decline of the Roman Empire, en A.H.M.
Jones, The Social Background of the Struggle between Paganism
and Christianity in the fourth c., beide in A.Momigliano
(ed.), The Conflict between Paganism and Christianity in the
fourth century (Oxford 1964).
[18].
R.A.Markus, Marius Victorinus and Augustine
(1967:341).
[19].
Integendeel: juist in zijn De civitate Dei (CD),
maar ook in andere latere werken, gaf hij nog ernstige kansen aan het
Imperium. Nog tot in 428 hield hij zelfs een uitbreiding van het Rijk
in Afrika voor mogelijk, cf. H.-J.Diesner (1961:879).
[20]. De
professionalisering van het leger en de uitbouw van een enorm
burocratisch apparaat gingen gepaard met de creatie van een nieuwe
"dienstadel" van gesalarieerde ambtenaren afkomstig uit de lagere
klassen en uit alle hoeken van het Rijk (de traditionele
grondaristocratie werd haar politieke en militaire leidende rol
ontnomen). Behalve via de militaire carrière werd vooral
langs het onderwijs de weg geopend naar rijkdom en prestige voor
burgers uit de meest veraf gelegen plaatsjes. De nieuwe burocratische
structuren hadden immers een grote behoefte aan geletterd personeel;
tegelijkertijd aspireerden de "viri novi'' " naar
de status van een nieuwe élite met behulp van een opvoeding
in de klassieke cultuur (vooral retorica). Vooral professionele
lesgevers, met name in de retorica, die konden inspelen op die dorst
naar een (literaire) klassieke vorming, kregen in deze context grote
kansen om "vooruit te komen". Zie P.Brown, The World of Late
Antiquity, pp. 22-34.
[21]. Cf.
Brown (1971:33): "In the late empire, indeed, one feels a
sudden release of talent and creativity such as often follows the
shaking of an ancien régime. A rising
current of able men, less burdened by the prejudices of an aristocracy
and eager to learn, maintained a tone of vigour and disquietude that
distinguishes the intellectual climate of Late Antiquity from any other
period of ancient history".
[22]. Zie
de syllabus, De Late Oudheid, deel 1, hoofdstuk 3.
Behalve de adoptie van het christendom door Constantijn en zijn
opvolgers, waren de politiek-sociale hervormingen zélf van
beslissend belang voor de definitieve inplanting van het christendom,
ook in de "upper classes": de leden van de nieuwe
dienstadel hadden heel wat minder moeite om het nieuwe geloof van hun
meesters over te nemen dan de oude aristocraten, cf. Jones, 1964:35-37;
Brown, 1971:27-28.
[23].
Eén van de beste Augustinusbiografieën is van de
hand van Peter Brown: Augustine of Hippo, 1967.
[24].
H.Marrou, St. Augustin et l’augustinisme,
1965:12.
[25]. In
deze periode, inderdaad, begon ook de culturele eenheid van de
mediterrane beschaving meer en meer verloren te gaan, en dus ook de
kennis van het Grieks in het Westen. Augustinus zou later niet in staat
zijn de Griekse filosofische en christelijke auteurs rechtstreeks te
lezen. Vgl. zijn Confessiones, 1.14, over zijn
afkeer voor het Grieks op school.
[26].
Later, in zijn Confessiones. (III:4 en VIII:7), zou
hij hierover spreken als over een "bekering" , en
als het startpunt van zijn bewustwording.
[27]. Vgl.
ibid., VIII:8, waar die visie aan Platoon wordt toegewezen:
"... dat volgens Platoons verklaring het hoogste goed in een deugdzaam
leven ligt en dat dit goed alleen maar ten deel kan vallen aan iemand
die God kent en navolgt, en dat (men) ook om geen àndere
reden gelukkig is. Platoon twijfelt er dan ook niet aan, dat
filosoferen bestaat in het liefhebben van God (hoc esse philosophari,
amare Deum)" (p.370 Wijd.).
[28]. "Man wird...
die christlichen Elemente im Manichäismus nicht mehr als
sekundäre Zutat des westlichen Manichäismus abtun
dürfen; sie standen an der Wiege der manichäischen
Kirche", A. Henrichs & L. Koenen, Ein
griechischer Mani-Codex (1970), gecit. in P.W. Van Der Horst
& J. Mansfeld, An Alexandrian Platonist against
Dualism. Alexander of Lycopolis' Treatise 'Critique of the Doctrines of
Manichaeus', transl. with an introd. & notes, in:
Θ-Π, III.1 (1974), p. 6 n.11.
[29].
F.E.Peters, The Harvest of Hellenism (London 1992),
p. 664).
[30]. Zo
Serge Hutin (1978:105): “Le manichéisme
détient le peu enviable record d’avoir
été la religion la plus
persécutée de toute
l’histoire”.
[31]. Het
manicheïsme als "filosofische religie" had ook geprobeerd de antieke
natuurwetenschappen te vervangen: het leverde "une
explication fantastique des phénomènes de la
nature, des éclipses, des phases de la lune, la succession
du jour et de la nuit, des équinoxes, de la pluie, de la
neige, de l'orage, etc.", De Stoop, 1909:12-13.
[32]. Ik
gebruik de vertaling van J.A.Van Lieshoudt, H.Augustinus,
Belijdenissen (Klassieke Galerij 31), Antwerpen 1955.
[33]. Cf.
Von Campenhausen (1967:243): "Le néoplatonisme a
été la force qui brisa le carcan
judaïsant de l'ancien christianisme latin; celle qui, avec ses
idées sur Dieu et sur l'esprit, eut raison du moralisme
légaliste et de son rationalisme primitif".
[34]. Zie
P. Courcelle, Recherches sur les Confessions de St.Augustin,
1950 (gedeeltelijk in Duitse vertaling in Andresen, 1975, waar hij zeer
nauwe tekstparallellen aanwijst). Ambrosius gaf in zijn Hexaemeron
verregaande allegorische interpretaties van de Bijbel (bv. van de Hel
als het verdriet van de ziel ten gevolge van de zonde).
[35].
Alles wat is, is 'goed' in zoverre het is. Het fysisch 'kwade' moet bekeken worden
binnen de totaliteit van het zijn,
en van daaruit vereenzelvigd met het 'goede' (met bv. het "heraklitische"
argument dat dodelijk is voor mensen maar noodzakelijk voor vissen, enz.,
zie Augustinus' De moribus, 2.8.12-13); het moreel kwade,
anderzijds, is het
gevolg van de mala voluntas, de “slechte
wil”, van redelijke schepselen.
[36]. Vgl.
E.Gilson, La Philosophie au Moyen Âge
(1980), p. 126: “Si l’on s’en
tient à ses idées philosophiques, on peut bien
dire qu’ Augustin vivra sur le fonds
néoplatonicien amassé dans le premier
enthousiasme des années 385-386. Il ne
l’accroîtra jamais”.
[37]. De
meest toegankelijke uitgave van Augustinus' oeuvre is degene die, met
Franse vertaling "en face" en uitgebreide noten achteraan, gerealiseerd
wordt in de "Bibliothèque Augustinienne",
bij Desclée De Brouwer, Brugge. Voor een systematische
bibliografie verwijs ik naar de Bibliographia Augustiniana,
van C. Andresen, Darmstadt 1973.
[38]. Zijn De
grammatica ging verloren. Hij begon
ook aan een De rhetorica, De geometria,
De arithmetica en De philosophia.
[39]. Zie
F.Decret, Aspects du Manichéisme dans l'Afrique
romaine. Les controverses de Fortunatus, Faustus
et Felix avec saint Augustin. (Et.Aug.), Paris 1970. Zie in
het algemeen ook de artikels van P.Brown in de bundel Religion
and Society in the Age of Saint Augustine. London 1972
[40]. Zie
Y.M.-J.Congar, Introduction, in vol .I van de 4ème
Série: Traités Anti-donatistes, in Bibl.Aug.,
Oeuvres de St.Aug., vol. 28, Brugge
1963, p.117v.
[41]. Cf.
Von Campenhausen, o.c., p. 268: "Habitués
à la persécution, à la
résistance et à la clandestinité, des
cercles assez étendue de cette
chrétienté d'Afrique, depuis toujours
inclinée vers le rigorisme, ne purent s'adapter assez vite
aux nouvelles conjonctures".
[42]. Vgl.
W.H.C.Frend, Der Donatismus und die afrikanische Kirche
(Halle-Wittenberg, 1961), p.59: "..den Circumcelliones, einer
Art vom 'linkem Flügel' der donatistischen Kirche". Zie
vooral Frend’s The Donatist Church. A movement of
protest in Roman North Africa. Oxford 1952. Er moet echter
benadrukt dat de donatisten wel degelijk het Latijn als voertaal
gebruikten. Een meer genuanceerde benadering bij Congar, o.c., pp.
25-37 (met bibliografie). Zie in het algemeen J.P.Brisson,
Autonomisme et christianisme dans l'Afrique romaine de Septime
Sévère à l'invasion vandale.
Paris 1958.
[43]. Er
is hier een duidelijke continuïteit met iemand als
Tertullianus.
[44].
Tegenover de weigering van het donatisme, een onderscheid te maken
tussen een spirituele en een lichamelijke toebehorigheid - hun inziens
kwam het "zich scheiden" van de slechten noodzakelijk neer op een
fysieke en totale scheiding -, had Augustinus in de discussies steeds
weer gepleit voor een meer spirituele of geïnterioriseerde
visie op rechtgelovigheid; de "slechten" dienden "corpore",
of "fysiek",geduld te worden; enkel "corde"
("in het hart") moest men hen uitstoten. Hij kon daartoe een
beroep doen op het platonische paradigma van de zijnsgraden: de "hemelse
Kerk" en de "aardse Kerk" zijn allebei "Kerk",
maar de eerste is het "vere esse",
het "ware (geestelijke) zijn" ervan; de tweede is
de materiële verschijning ervan en is onvermijdelijk "mixta",
of "gemengd", d.w.z. bestaat
uit goeden én slechten). Zie Congar, 1963:93, pp. 111-115 en
passim.
[45]. Op
lange termijn, nochtans, moet bij dat "succes" een vraagteken geplaatst
worden, cf. Von Campenhausen, p. 281: "C'est avec la
conversion forcée des donatistes que commence la
décadence de l'Eglise d’Afrique, si
fière en son temps. Elle aura finalement
été la seule Eglise de tout le basin
méditerranéen à avoir disparu sans
laisser de traces sous les îlots d'inondation musulmane. Il
semble que les anciens donatistes aient accueilli les Arabes comme
leurs libérateurs et, quoi qu' il en fût,
l'héritage 'catholique' n'a plus trouvé en eux de
bien sérieux défenseurs".
[46]. Cf.
G.De Plinval, Introd., in Oeuvres de
St.Aug., vol. 21 (3ème série:
La crise pélagienne, I), Brugge 1966, p.11:
"considérée dans son intuition
première, la doctrine de Pélage s'est d'abord
présentée comme une tentative de
réforme morale ".
[47]. Cf.
nogmaals G.De Plinval, p.12: "On voit donc le
caractère propre du pélagianisme: l'essentiel de
sa spiritualité repose sur la tension morale du sujet,
beaucoup plus que sur l'aide surnaturelle qui pourrait lui venir d'en
haut".
[48]. Zie
o.m. Morris, 1967:213-4, en Armstrong, St.Augustine and
Christian Platonism, 1967b:29-30. Beiden verwijzen naar
J.N.L.Myres, Pelagius and the End of Roman Rule in Britain,
in: Journal of Roman Stud., 50, 1960, pp. 21-36. Op basis van een
onderzoek naar het woordgebruik van "gratia" in de
Codex Theodosianus wijst hij op de sterk pejoratieve sociale
connotaties van het woord: "Gratia in common parlance stood
for judicial corruption in the courts, for official hanky-panky of all
kinds in public life; for the irrational, unpredictable, or capricious
as contrasted with the rational, the dependable and the intelligible in
all human relationships. The inimici Gratiae...were, from the point of
view of human conduct, the enemies of corruption and so, by
implication, the champions of justice and a fair deal for all men
equally" (p.26).
[49]. Met
verwijzing naar A.H.M.Jones, The Later Roman Empire,
Oxford 1964, ch.XXIII, en Idem, The Decline of the Ancient
World, London 1966, ch.XXIV.
[50]. Voor
een synthetische studie over Pelagius, zie J. Ferguson,
Pelagius. A Historical and Theological Study. Cambridge 1956.
Zie ook infra.
[51]. Dat
geldt zowel voor Pelagius zelf - "il brille au premier rang
des représentants intellectuels de l' Eglise comme
exégète et comme moraliste, en un temps
où florissaient pourtant Rufin d'Aquilée, saint
Paulin de Nole, saint Jérôme et saint Augustin" (De
Plinval, p.9) -, zowel als voor zijn leerlingen, zoals de bezieler van
de beweging, Caelestius - "logicien redoutable,
étonnament doué pour la controverse, la
propagande et l'organisation" (ibid., p.10); en, misschien
nog bovenal, Julianus van Eclanus (Apulië), die op het
voorplan treedt wanneer het eigenlijke pelagianisme de strijd binnen de
Kerk verloren heeft, cf. Von Campenhausen (1967:301):"c'est un
philosophe populaire déguisé en
chrétien, l'ultime défenseur de la
dignité de l'homme stoïcienne".
[51bis]. Voor
een goede bespreking van Augustinus' gecompliceerde relatie tot het manicheïsme, zie Neil Forsyth, 1997:396-440.
[52]. Voor
een afwijzing, vanuit een christelijke bewogenheid, van het extreme
standpunt van de "late Augustinus', zie Armstrong (1967b:25-26): "the
doctrine of Augustine is intolerable, and no appeal to mystery can
justify it... I am compelled to share this view". Zie verder
P. Lehmann, The Anti-Pelagian Writings, in
Battenhouse (1955), pp.130-132; A.Dihle, The Theory of Will
in Classical Antiquity (1982), pp. 130-132.
[53].
Andresen, o.c., p.23, spreekt van "der endliche Sieg der
Semipelagianer".
[54]. Zie
mijn syllabus, De Vroege Middeleeuwen.
[55].
Gepubliceerd in de Verhandelingen van de Kon. Vlaamse Academie der
Wetenschappen, Letteren en Schone Kunsten, Klasse der Letteren, Jg.
XXVII, 1965, nr. 54.
[57].
Maertens, 1965:45. Zie De ordine, XVIII:47.
[59]. Voor
een beknopte presentatie van de “paulinische mens”,
zie Maertens, 1965:15-18. De voornaamste passussen zijn: Rom
7.22-25; Gal 5.16-17; 2Cor
4.16; Coloss 3.9-10; Efes
4.21-24. Paulus’ “innerlijke”
en “uiterlijke mens” (homo interior, homo
exterior), aldus Maertens, p. 17, “zijn
twee ethisch-religieuze types, die potentieel steeds in elke mens
aanwezig zijn: hij moet, dag in dag uit, de ‘oude
mens-met-zijn-daden’ (Col 3.9) vaarwel
zeggen en het vernieuwingsproces doorvoeren”. Forsyth, 1997:405, heeft het
over Paulus' "ethical and eschatological dualism", waarop wordt
verder gebouwd door Augustinus.
[60].
Maertens, 1965:105.
[61]. Nog
altijd Maertens, l.c.
[62].
Illustratief hiervoor is de overlevering, bewaard bij Porphurios,
Leven van Plotinos, 2. Op zijn sterfbed zou Plotinos gezegd
hebben: “Probeer de god in ons (of: Ik
probeer de god in mij - het Grieks is onduidelijk) terug
te brengen naar het goddelijke in het al”. Maar ook
eerdere filosofen, met name de Romeinse stoïcijnen (Epiktetos,
Seneca, Marcus Aurelius...), hadden de menselijke rede al uitdrukkelijk
vereenzelvigd als "de god in ons".
[63]. Vgl. Enneaden,
I.2, 4.17: “na
de zuivering ís de ommekeer er”.
[64].Von
Campenhausen, 1967:245, heeft het over “la forme
presque monstrueuse de l’ensemble du livre”.
[65]. Zo
A.Dihle, 1982:237 n. 57. Gecontextualiseerd naar de
historisch-maatschappelijke situatie, kan deze theoretische
ontwikkeling in verband te worden gebracht met het verregaande statusverlies van de Romeinse burger ten gevolge van de
hervormingen van Diocletianus en Constantijn. Zowel op het politieke
als op het ideologisch-theologische vlak, anders gezegd, was de mens
een machteloos onderdaan geworden, volledig
afhankelijk van 'de wil en de gril' van een totalitair heerser.
[66]. Zo
Maertens, 1965:113 (met verwijzing naar J.Guitton, Le temps
et l’éternité chez Plotin et St.Augustin,
Paris 1933).
[67].
E.Frank, Die Bedeutung der Geschichte für das
christliche Denken, 1975b:382 en 390.
[68].
Maertens, 1965:114.
[69]. Zie
Augustinus’ analyse in Conf., boek XI.
[70]. Dat
de tijdscategorie inderdaad van fundamenteel belang was voor
Augustinus’ innerlijkheidsleer, vinden we bevestigd door de
zeer uitvoerige analyse die hij eraan wijdt in de Confessiones,
namelijk in het beroemde boek XI - “the best purely
philosophical work in St. Augustine’s writings”,
aldus Bertrand Russell, in zijn History of Western Philosophy.
Augustinus’ conclusie luidt dat de tijd moet verbonden worden
met de menselijke innerlijkheid zelf: “in u, mijn
geest, meet ik de tijd” (in te, anime meus, tempora metior),
Conf., XI:27.36. De tijd is m.a.w. een “uitgebreidheid
van de ziel” (distentio animi).
[71].
Maertens, 1965:119.
[71bis]
Augustinus' "si fallor, sum" doet ons natuurlijk
onmiddellijk denken aan Descartes' "cogito, ergo sum"
en diens methodologisch principe van de systematische twijfel. Toch
bestaan tussen beide argumenten fundamentele verschillen (ook Descartes
zelf, die pas achteraf op de gelijkenis werd gewezen, heeft altijd de
verschillen beklemtoond), cf. Andresen, 1975b:33. Zo is het
cartesiaanse Ik puur rationeel gedacht: het bezit geen andere realiteit
dan binnen het abstracte denken. De augustinische ervarende ziel,
daarentegen, is een complex fenomeen dat de bron is voor het totale
leven van de enkeling: het gaat om een moreel "Ik",
waarbij de ziel gedacht wordt als een drieheid van
leven, denken en liefhebben (cf. Augustinus' tekst).
[72]. "Het
eerste decennium van de 5de eeuw was voor de westelijke helft van het
Romeinse rijk een rampspoedige tijd. Allerlei Germaanse stammen die men
tot dan toe, binnen het Rijk of aan zijn grenzen, min of meer in
bedwang had weten te houden, begonnen dreigend naar Zuid- en
West-Europa op te dringen", G.Wijdeveld, in de inleiding van
zijn vertaling van De Stad van God (1983), p. 7.
Alarik en de zijnen wàren reeds een keer, in 401-2,
plunderend door Noord-Italië getrokken; in 405 vielen
Oost-Gothen Italië binnen; het wegtrekken van troepen uit het N.
voor de verdediging van Italië maakte dat eind 406 Vandalen,
Alanen, Sueben e.a. Gallië binnenvielen.
[73]. Cf.
de bekende uitspraak in Mattheus, 22:21: "Geef
(letterlijk: "geef terug") aan
Caesar wat des Caesars is, aan God wat Gods is". Maar reeds
bij Paulus, Rom 13:1, lezen we: "Laat elke ziel onderdanig
zijn aan de hogere machten. Want er is géén macht
dan van God: de machten die zijn, zijn geordonneerd door God".
[74].
Weliwaar blééf er een sterke, negatieve stroming
bestaan. Elke "collaboratie" met een gezag dat als het werktuig van de
duivel werd beschouwd (het Imperium werd vereenzelvigd met "het
beest uit de zee", Apocalyps, 13:1-10),
werd daarin scherp veroordeeld. Dergelijk denken was vooral sterk
vertegenwoordigd in het westelijke rijksdeel, en met name in
Noord-Afrika, cf. natuurlijk de al vermelde Tertullianus: "men
kan geen twee heren dienen, God én Caesar" (De
idolatria, xix).
[75]. De
harde "heidense" kern (vooral in de Romeinse Senaat) had na de
militaire nederlaag van hun pretendent Eugenius tegen Theodosius,
in 394, een "low profile"
aangenomen. Met de nieuwe bedreigingen echter van de barbaren en de
politieke crisis volgend op Theodosius' dood was ze het herstel gaan
eisen van de traditionele cultus, "die eertijds de wereld
onder Romeins gezag had gebracht" (Symmachus, in zijn Derde
Relatio). De plundering van Rome, in 410, gaf hen
vanzelfsprekend uitstekend propagandamateriaal om bij de christenen een
slecht geweten aan te kweken.
[76]. In
de 22 "boeken" ervan komen zo goed als
àlle onderwerpen aan bod, die de christenen van zijn tijd
(maar ook van later) bezighielden. Het is vermoedelijk juist die grote
diversiteit die het werk doorheen de eeuwen altijd een groot
lezerspubliek heeft bezorgd. Zoals E.R.Hardy het typeert (in
Battenhouse, 1955:259), "it has the fascination of a book
about everything". Het mag in dat opzicht wellicht
vergeleken worden met de Politeia, of Republiek,
van Platoon. De moderne lezer, echter, die het werk ter hand neemt uit
interesse voor de politieke en geschiedenisfilosofie van de auteur
ervan, ziet zijn of haar geduld dikwijls op de proef gesteld ten
gevolge van de lange uitweidingen die Augustinus zich telkens weer
permitteert (vooral in de eerste deel, I-X, d.w.z. in zijn afrekening
met het heidendom, bezondigt hij zich vaak aan "overkill")
en waarvan de thematiek nogal gedateerd aandoet. Zo behandelt hij bv.
in boek I, 16-28, de vraag of vrouwen die aangerand werden door
soldaten (cf. de toevloed aan vluchtelingen uit Rome in N-Afrika),
noodzakelijk hun "deugd" hebben verloren, zodat ze
zelfmoord moeten overwegen (zijn lang, uitgesponnen antwoord luidt:
neen, op voorwaarde dat hun wil niet ingestemd heeft; het ervaren van
eventuele lust tijdens de geweldpleging is daarbij irrelevant).
[77]. 'Maar
zie, hoe lang dat uur al duurt!", schrijft hij in 420 aan
een bisschop die uit de inval van barbaren in zijn streek het einde der
tijden dacht te moeten afleiden (Ep 199). Wat de
actuele duur van dat "laatste uur" betreft, pleit
Augustinus voor een "voorzichtige onwetendheid"
(cf. Marcus, 13:33-34: "Ziet toe, blijft
waakzaam. Want gij wéét niet, wanneer het tijd is");
z.i. kon de wereld zelfs nog 500.000 jaar bestaan, cf. Morris,
1967:220, met verwijzingen.
[78]. Het
Latijnse woord "civitas" vertaalt oorspronkelijk het
Griekse "polis", en is net zo moeilijk te vertalen.
Gemakshalve volg ik Wijdeveld die het woord door "stad"
vertaalt, hoewel het al lang niet meer om een "stadstaat" ging (een
vertaling door "staat" is dan weer anachronistisch).
Het thema zelf van de "twee steden" heeft
natuurlijk een lange voorgeschiedenis, zowel in het judaïsme ("Zion"
of "Jeruzalem" versus "Babylon"),
het christendom als in het antieke denken (cf. de stoïcijnen,
met het onderscheid tussen de concrete, particuliere "polis"
en de "kosmopolis", van alle goden en mensen; ook
impliciet bij Plotinos, met zijn allusie op het wàre "vaderland"
voor het menselijke "zelf". PS
Ook voor mijn vertalingen uit CD baseer ik me op Wijdeveld, maar ik
permitteer me wel af en toe wijzigingen die m.i. de betekenis van het
Latijn duidelijker weergeven.
[79]. Op
basis van de Romeinse literator Varro (116-27 vK), onderscheidt
Augustinus niet minder dan 288 mogelijke, rationele oplossingen (en
dus: mogelijke filosofische "sekten") voor het probleem van het goede
(CD, XIX:1).
[80]. Het
weerhoudt er Augustinus weliswaar niet van om in zijn "vorstenspiegel",
CD, V:24-26, en met name in § 24, de "christelijke
keizers" Constantijn en Theodosius al een plaats te geven in
de "Stad van God"; zijn geflatteer trouwens aan het
adres van Constantijn, in § 25, hoeft niet onder te doen voor
dat van Eusebios.
[81]. Dat
geldt dus ook voor de oppositie "sterfelijk"-"onsterfelijk",
"car enfin les deux cités sont immortelles, les
prédestinés qui vivent dans le temps sont
pourtant membres de l'une des deux cités
éternelles", Gilson, 1952:53.
[82]. In
zijn "Notes Complémentaires", N° 1, in:
Oeuvres de St. Augustin, vol. 36, pp.
693-4.
[83]. Zo
J.Straub, Die geschichtliche Stunde des Heiligen Augustinus
(1983:78); zie ook Markus (1967:416).
[84]. "In
this statement we have reached the central proposition of Book XIX, and
of Augustinian social theory", Hardy, 1955:274.
[85].
Bijzonder revelerend is Augustinus' brief (Ep 189)
aan Bonifatius, de "comes Africae", of "graaf
van Afrika", die succesvol de "orde"
handhaafde, zowel tegen de opstandige Circumcelliones als tegen de
barbaren. Wanneer hij dan, mede onder invloed van Augustinus' prediking
(!), het zwaard "aan de haak" wil hangen en monnik wil worden, probeert
onze bisschop hem van dat voornemen af te brengen: zoals er christenen
moeten zijn, die met hun gebeden de "onzichtbare vijanden"
dienen af te weren, zo moeten er ook zijn om gewapenderhand de "zichtbare
barbaren" te bestrijden; ook hùn taak is
verdienstelijk in Gods ogen. Zie Diesner (1961:879) en Straub (1983:79).
[86]. Zie
hierover H.-J.Diesner (1961). Het is allicht ook geen toeval dat tal
van middeleeuwse, ketterse bewegingen, die zo goed als altijd ook de
uiting waren van een sociale rebellie, "weigerden nog langer
de christelijke orthodoxie te aanvaarden betreffende de gevolgen van de
erfzonde... Voor de Kerkvaders zijn menselijke instituties
onvermijdelijk onvolmaakt, maar zijn ze noodzakelijk. Dat was precies
wat vele middeleeuwse ketterijen verwierpen", G.Fourquin, The
Anatomy of Popular Rebellion in the Middle Ages, Amsterdam,
1978:11.
[87]. Bij
Augustinus zelf, weliswaar, is er enkel sprake van een
eschatologische integratie van de particuliere, wereldlijke
regimes in de universele maatschappij van de Kerk, niet van een
institutionele, namelijk onder een pauselijke theocratie (zie het
citaat, hoger, aan het slot van § 3.6).
[88]. Zie
ook H.De Ley, Historische Inleiding bij de 'Defensor Pacis'
van Marsilius van Padua, UGent 1984-85, p. 79 e.v.
LITERATUUR
Oeuvres de St.Augustin, in:
Bibliothèque Augustinienne, publiées sous la
direction des Etudes Augustiniennes et éditées
par Desclée De Brouwer. Edition complète en 85
volumes environ, repartis en 10 séries (Latijnse tekst, met
Franse vertaling 'en face'). (afkorting: OSA)
Anderson, P. (1974), Passages from Antiquity
to Feudalism. London.
Andresen, C., ed. (1975), Zum
Augustinus-Gespräch der Gegenwart, I. Darmstadt.
Andresen, C. (1975b), Vorwort, zugleich eine
Einführung, in: Andresen (1975), pp. 1-42.
Andresen, C., ed. (1981), Zum
Augustin-Gespräch der Gegenwart II. (Wege der Forschung, 327),
Darmstadt.
Armstrong, A.H., ed.
(1967), The Cambridge History of Later Greek and Early Medieval
Philosophy. Cambridge.
Armstrong, A.H. (1967b),
St. Augustine and Christian Platonism (The St.Augustine Lecture, 1966),
Villanova UP.
Battenhouse, R.W., ed. (1955), A Companion
to the Study of St.Augustine. New York.
Battenhouse, R.W. (1955b), The Life of
St.Augustine, in: Battenhouse (1955), pp. 15-56.
Beck, H. & P.C.Bol,
eds. (1983), Spätantike und frühes Christentum.
Ausstellung im Liebieghaus Museum alter Plastik. Frankfurt.
Bloch, H. (1964), The Pagan Revival in the
West and the End of the 4th c., in: Momigliano (1964), pp. 193-218.
Brown, P. (1967), Augustine of Hippo. London
(Nederlandse vertaling, Amsterdam 1992).
Brown, P. (1971), The World of Late
Antiquity. From Marcus Aurelius to Muhammad. London.
Brown, P. (1972), Religion and Society in
the Age of Saint Augustine. London.
Chadwick, H. (1986), Augustine. (Past
Masters), Oxford.
Congar, Yves M.-J. (1963), Introduction, in:
Traités Anti-donatistes, OSA, vol. 28,
Brugge.
Copleston, F.C. (1972), A History of
Medieval Philosophy. London.
Courcelle, P. (1975), Die Entdeckung des
christlichen Neuplatonismus (1950), in: Andresen (1975), pp. 125-181.
Decret, F. (1970), Aspects du
Manichéisme dans l'Afrique romaine. Les controverses de
Fortunatus, Faustus et Felix avec saint Augustin. (Et. Aug.), Paris.
De Plinval, G. (1966), Introduction, in: La
Crise pélagienne, OSA, vol. 21, Brugge.
De Stoop, E. (1909), Essai sur la Diffusion
du Manichéisme dans l'Empire Romain. (Univ. de Gand, Rec. de
Travaux, Fac. Phil. et Lettres, 38me fasc.), Gand.
De Vogel, C.J. (1970), Wijsgerige Aspecten
van het Vroeg-christelijke Denken. Kleine geschiedenis van de
patristische en vroeg-middeleeuwse wijsbegeerte. Baarn.
Diesner, H.-J. (1961), Die 'Ambivalenz' des
Friedensgedankens under Friedenspolitik bei Augustin, in: Wiss. Zs. der
M. Luther-Univ. Halle-Wittenberg, Ges.-Sprachw., X/4, 1961, pp. 877-880.
Dihle, A. (1982), The Theory of Will in
Classical Antiquity. (Sather Classical Lectures, vol. 48), Berkeley.
Forsyth,
Neil (1997), The Old Enemy. Satan and the Combat Myth. Princeton UP.
Frank, E. (1975a), Augustin und das
griechische Denken (1955), in: Andresen (1975), pp. 182-197.
Frank, E. (1975b), Die Bedeutung der
Geschichte für das christliche Denkens (1955), in: Andresen
(1975), pp. 381-396.
Frend, W.H.C. (1961), Der Donatismus und die
afrikanische Kirche, in: Wiss. Zs. der M. Luther-Univ.
Halle-Wittenberg, Ges.-Sprachw., X/1, 1961, pp. 53-61.
Gilson, E. (1952), Les Métamorphoses de la Cité de Dieu. Leuven.
Gilson, E. (1980), History of Christian
Philosophy in the Middle Ages (1955). London.
Hardy, E.R., Jr. (1955), The City of God,
in: Battenhouse (1955), pp. 257-283.
Hutin, S. (1978), Les gnostiques. (Que
sais-je?, 808), Paris.
Jones, A.H.M. (1964), The Social Background
of the Struggle between Paganism and Christianity in the 4th c., in:
Momigliano (1964), pp. 17-37.
Lehmann, P. (1955), The Anti-Pelagian
Writings, in: Battenhouse (1955), pp. 203-234.
Maertens, G. (1965), Augustinus over de
Mens. Een visie op de menselijke innerlijkheid tussen hellenisme en
christendom. (Verh. Kon. Vla. Acad. Wet., Lett. & Schone K.,
Kl. d. Lett., Jg. XXVII, 1965, nr. 54.
Markus, R.A. (1967), Marius Victorinus and
Augustine, in: Armstrong (1967), pp. 327-419.
Marrou, H. (1965), St. Augustin et
l'augustinisme. (Maîtres Spirituels, 2), Paris.
Momigliano, A., ed. (1964), The Conflict
between Paganism and Christianity in the 4th c. Oxford.
Momigliano, A. (1964b), Christianity and the
Decline of the Roman Empire, in: Momigliano (1964), pp. 1-16.
Momigliano, A. (1964c), Pagan and Christian
Historiography in the 4th c., in: Momigliano (1964), pp. 79-99.
Morris, Chr. (1967), Western Political
Thought, vol. 1: Plato to Augustine. London.
Noethlichs, K.L. (1983), Die Christen und
der Staat. Einleitung. Die historische Entwicklung vom 1.-5. Jhr. nach
Chr., in: Beck & Bol (1983), pp. 1-8.
Peters, F.E. (1992), The Harvest of
Hellenism. London.
Praet, Danny (1995), De God der Goden. De
christianisering van het Romeinse Rijk. Kapellen & Kampen.
Schwarte, K.-H. (1983), Intentionen und
Rechtsgrundlage der Christenverfolgung im Römischen Reich.
Eine entwicklungsgeschichtliche Skizze, in: Beck & Bol (1983),
pp. 20-33.
Starr, Ch.G. (1982), The Roman Empire, 27
B.C. - A.D. 476. A Study in Survival. New York.
Straub, J. (1983), Die geschichtliche Stunde
des Heiligen Augustinus, in: Beck & Bol (1983), pp. 75-81.
Van Lieshoudt, J.A. (1955), H.Augustinus,
Belijdenissen. (Klassieke Galerij 31), Antwerpen.
Van Reisen, H., V.Hunink &
W.Verbaal, eds. (2002), "Augustinus", themanummer
van: Hermeneus, Tijdschrift voor Antieke Cultuur, LXXIV/II.
Von Campenhausen, H. (1963), Les
Pères grecs (trad. de l'allemand par O.Marbach), Paris.
Von Campenhausen, H. (1967), Les
Pères latins (trad. de l'allemand par C.A.Moreau), Paris.
Wijdeveld, G. (1963), Aurelius Augustinus'
Belijdenissen. Utrecht (4de druk, 1997).
Wijdeveld, G. (1983), Aurelius Augustinus,
De Stad van God, vertaald en ingeleid. 3de druk 1992, Baarn-Amsterdam.
Williams, D.D. (1955), The Significance of
St. Augustine Today, in: Battenhouse (1955), pp. 3-14
|